De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen die Hem vreezen. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. Psalm 103 : 13, 14.

ONTFERMING.

De taal der beelden in Gods Woord is rijk

De Heere Jezus sprak veel in gelijkenissen, opdat de schare de eeuwige dingen mocht bevatten. Zoo deed de Christus niet alleen in de dagen Zijner omwandeling op aarde ; immers het was Zijn Geest die de mannen vervulde, die geroepen werden om Gods geopenbaarde waarheid te boekstaven. Alom vindt ge nu door heel het Woord die neiging om te spreken in de taal der beelden, ontleend aan de vergankelijke dingen.

Dit is meer dan Oostersch taalgebruik, hierin werkt de drang der nederbuigende goedheid Gods om de dingen van Zijn eeuwig Koninkrijk binnen ons bereik te brengen

Elke vergelijking van het eeuwige met het tijdelijke is welbeschouwd een ingaan van het oneindige in het eindige, en als zoodanig wondere nederbuiging Gods.

Alle levensterrein levert de trekken waarmee ons het beeld des Koninkrijks wordt gemaald. Het rijke natuurleven met de leliën des velds, en de vogelen des hemels met de bruisende zee en den sprakeloos neerdalenden 'dauw ; het leven der menschen met de teedere verhouding van een moeder tot haar kind, van den Bruidegom tot zijn Bruid, alles wordt dienstbaar aan de uitbeelding der eeuwige dingen.

En altijd weer dat brengen van het onbegrijpelijke onder het bereik des menschen, dat indalen van het oneindige in het eindige.

Zoo moet het beeld altijd ver beneden de werkelijkheid blijven. Het beeld kan niet anders zijn dan het matte afschijnsel der werkelijkheid, die er slechts heel uit de verte door benaderd wordt.

Dat moet ook bij bovenstaand Schriftwoord vastgehouden worden. De Heere vergelijkt Zich bij 'n vader, die zich ontfermt over de kinderen. Heerlijk beeld I Vooral hierom, wijl hier meer is dan een willekeurig gekozen vergelijking. Alle vaderschap hier op aarde is afgeleid uit het Vaderschap Gods.

Daarop doelt Paulus als hij aan de Efeziërs schrijft, dat uit den Vader van onzen Heere Jezus Christus al het geslacht (letterlijk : al het vaderschap) in den hemel en Op aarde genoemd wordt.

Het oorspronkelijk Vaderschap is in God En al wat er aan liefde en trouw en ontferming fonkelt in de aardsche verhouding van een vader over de kinderen, zijn vonken "'t den gloed van Gods eeuwige liefdes-ontferming. Al wat in deze aardsche verhouding voor goeds gevonden wordt, zijn druppelen die spatten uit de lichtzee van Gods eeuwig Deugdenbeeld.

Ook zoo nog blijft het beeld ver beneden werkelijkheid.

Dat wordt aangewezen in het woord van den Heere Jezus tot de Joden : indien gij die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer uw Vader, die in den hemel is.

Hoeveel te meer! Laat ons dien uitroep  als kantteekening ook naast dit Schriftwoord plaatsen : Als zich een vader ontfermt over de kinderen, hoeveel te meer over degenen, die Hem vreezen I

Ontferming, wat is dat ?

'T is de drang der liefde, die uitgaat naar het zwakke, afhankelijke, hulpelooze, onwaardige ook wel. In ieder geval ontbreekt elke aanspraak op dit gunstbetoon. Groot is de afstand tusschen Hem, die zich ontfermt en degenen, over wie Hij zich ontfermt Maar dat weerhoudt Hem niet. De arm der ontferming rijkt ver, en dempt de kloof en overbrugt de scheiding.

In den vader, die zich ontfermt is de kracht, die zich verteedert over het zwakke. Stel, uw kind heeft zich tegen uw verbod bezig gehouden met een gevaarlijk spel, waarbij het zich ernstig bezeerde, maar zie nu, met welk een ijver en toewijding een vader die wonden verzacht en verbindt en zoekt te heelen.

Ont-fermen (ferm, Lat. firmus : sterk, krachtig) is de kracht die zich verteedert en verzacht; het zich ontdoen van de mogendheid die verschrikt en overweldigt.

Daarom zegt dit beeld meer, dan wanneer er sprake zou zijn van een moeder, die zich ontfermt. Het zachte, het neerbuigende, het teedere is veel meer inhaerent , eigen aan het wezen der moeder. De vader verpersoonlijkt de kracht, de gestrengheid, het imponeerende, dat wat zich gelden doet.

Dat een moeder zich ontfermt, is veel meer vanzelfsprekend, het behoort tof haar wezen. Maar dat een vader het doet, wil zeggen, dat hij zich ontdoet van, dat hij aflegt'en terzijde stelt de gestalte der macht en zich verteedert, dat er geen spoor overblijft van die hoogheid, die weigert zich neer te buigen tot het kleine, zwakke, hulpbehoevende.

Ziet daar dien grooten, sterken, krachtigen vader, die met meer dan vrouwelijke teederheid zijn krank kind verzorgt ; hij spreidt zijn leger, dekt hem zacht, reikt den verkoelenden dronk van het heilzaam medicijn ; dat is ontferming ; in dien krachtigen man woont moederlijke teederheid.

Daarom dit beeld, dat door de eeuwige, goddelijke werkelijkheid ver, vèr overschaduwd wordt. Zoo verteedert zich de Almacht, de Grootheid, de Majesteit Gods over degenen, die Hem vreezen.

Aan de macht is zoo licht een hooge, een scherpe, een harde kant, waardoor de macht afstanden schept; daarvan ontdoet God zich over degenen, die Hem vreezen.

Niet over hen, die Hem verwerpen en v/ederstaan ; zie, zoo roept de profeet uit, de Heere Heere zal komen tegen den sterke en Zijn arm zal heerschen. Rijken zendt Hij ledig heen. Zijn vijanden slaat Hij met de roede Zijns monds.

Diezelfde vader, die met vrouwelijke zachtheid zijn krank kind verpleegt, werpt zich met leeuwenmoed op den onverlaat, die zijn lieveling bedreigt; diezelfde hand, die 't klamme koortszweet afwischt van 't aangezicht der kranke, zal — als het moet — een moker worden, die neerslaat en verbrijzelt.

Zoo is 't ook bij den Heere, onze God.

Hij, die zich ontfermt over ellendigen en nooddruftigen verschoont, doet Zijn wederpartijders beven voor Zijn gramschap.

Over degenen die Hem vreezen, ontfermt zich de Heere.

Hem vreezen ; dit woord is heerlijk-juist gekozen.

Vreezen, dat is het bij uitstek kinderlijke.

Wij spreken gaarne van kinderlijke vreeze ; den Heere vreezen, dat wil niet zeggen, bang, schuw, angstig voor Hem zijn, neen, maar klein, ootmoedig, afhankelijk, kinderlijk. Tegenover hen verteedert zich de Alvermogende Majesteit Gods, totdat zij met meer dan moederlijke zachtheid deze afhankelijke, hulpbehoevende, Godvreezende zielen omvademt en draagt.

Den Heere vreezen ! 't Is geen vrucht van eigen akker; 't is een planting van Gods Geest. En eer dat die planting in de ziele opgaat, moeten wij van ons voetstuk afgestooten zijn, van onzen eigenwaan afgebracht, verlost van de inbeelding, dat wij zélf ook wel wat kunnen. Alle eigen werken, eigengerechtigheid staat in den weg.

Den Heere vreezen is alleen mogelijk, als wij van onszelf af en op God geworpen zijn. Dat maakt u liefelijk in de oogen des Heeren. Dat zal den Heere veel aangenamer zijn, dan os of var die hunne klauw verdeden.

De Heere betoont Zijn welbehagen aan hen, die nederig naar Hem vragen.

Dan is er niet meer de geweldige wind, die de steenrotsen scheurt; of de aardbeving, die angstwekkend gromt door het ingewand der schepping ; of de vuurgloed. die zengend schroeit en neerbrandt; dan slechts nog het suizen van de zachte stilte. Ontferming ! Nog is de Heere, de Almachtige, voor Wien geen ding te wonderlijk is. Maar de schrikaanjagende geweldigheid is weggedaan ; Almacht en Liefde gaan hand in hand.

In de verteedering van den held verliest hij.zijn mogendheid niet, maar bedekt zè, opdat zij niet afschrikke.

Zoo is het ook bij den Heere ; Hij is zoo goed voor Zijn volk.

Als daarvan ervaren wordt, maakt dit de ziele klein en ootmoedig, maar ook blijde en bemoedigd. Waar zij 'n rookenden Sinaï van heiligheid verwachtte omringd met blik semstralen, vindt zij een vredig Paradijs, waar de ademtocht van Gods Vaderlijke gunst ruischt door het loover.

Daar is verband tusschen dit vers en het volgende.

Want Hij weet wat maaksel wij zijn ; dit wijst de reden aan van wat voorafging in vers 13.

Wat noopt een vader, om zich over de kinderen te ontfermen ? "

Dit, dat hij weet: zij zijn hulpbehoevend. Het is ondenkbaar, dat hij op gelijke wijze zijn kracht zou verteederen tegenover volwassenen, die sterk zijn en zijn hulp niet behoeven.

De wetenschap : zonder mijne hulp zijn zij hulpeloos, dringt hem tot betoon zijner ontferming.

Zoo weet de Heere, dat degenen die Hem vreezen, zonder Zijne hulp omkomen moeten. Hij weet, zoo Hij de hand van hen aftrekt, dat is hun doodvonnis. Hij laat ze daarom niet gaan in eigen kracht, niet varen op eigen kompas ; dat ware hun ondergang.

Gelukkig dat de Heere dit weef.

Nu onderwerpt Hij ze aan geen proef, die hun kracht te boven gaat. Hij legt hun geen last op, te zwaar om te dragen. Hij overschat hen niet. Hij weet waf van Zijn maaksel is te wachten, namelijk niet anders dan teleurstelling en afwijking, struikeling en diepen val, als uit ihen zelven ; maar Hij weet ook, dat Zijn genade hun genoeg is, en dat in hun zwakheid Zijn kracht wordt volbracht.

Gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

Dat wij stof zijn, wijst op onze zwakheid en broosheid en allerdiepste afhankelijkheid; daaraan is Hij gedachtig.

'n Aardsch vader vergeet wel eens, wat zijn kind waard is.

Dat baart dan teleurstelling en soms wel verwijdering voor 'n tijd.

Maar dat is uitgesloten bij den Heere.

Hij vergeet geen oogenblik, dat zijn kinderen stof zijn.

En wanneer Hij hen dan leidt in wegen, die hun te hoog, te diep, te steil, te zwaar blijken ; waarin zij struikelen en bezwijken. Is de Heere dan vergeten dat zij stof zijn ? Neen, lezer, maar dan waren zij het vergeten.

Toen de Heiland Petrus gebood om over de golven tot Hem te komen, toen was de Heere niet vergeten, dat Petrus stof was, maar Petrus zelf was hieraan niet gedachtig. En dat moest hij weer leeren.

Want wij moeten zelf ook weten dat wij stof zijn.

En dat wordt door ons zoo licht uit 'f oog verloren.

Dan laat Hij ons voor 'n wijle zinken.

Denk u een scheepke, dat door den adem van den stormwind op de golven wordt voortgedragen. De ervaren zeeman voert het roer. Met rustige kracht stuurt hij 't scheepske veilig over de schuimende baren. Hij houdt koers. Aan boord bevindt zich ook 'n knaap, die ziende de kalme wijze, waarop vader 't roer houdt, meent, dat kan ik ook wel. Voor 'n wijle geeft de vader hem de roerpen in handen, maar nauwelijks mist het ranke vaartuig de vaste hand-van den ervaren stuurman, of 't slaaf weg ; met oorverdoovend geweld klappen de zeilen tegeïi de masten ; beschaamd wijkt de knaap van de stuurplaats ; dat is vaders werk.

Zoo gaaf 't nu ook dikwijls in 't leven van Gods kinderen.

Zij moeten leeren verstaan en zij moeten 't ook onthouden, dat zij stof zijn ; in hen is geen kracht.

Het is tot rijke vertroosting, dat de Heere weet, wie wij zijn.

Uit die wetenschap spruit nu voort al die trouwe, feedere zorg des Heeren over Zijn volk. Ja, Hij ontfermt zich. Hij legt af de schrikwekkende gedaante Zijner geweldige mogendheden, want Hij wil de Vader zijn van 'n volk, dat stof is.

Maar hoe is dat mogelijk ? Hoe kan 't, dat de oneindige, eeuwige majesteit Gods zich verteedert over zondaren, die Hem vreezen ?

Op die vraag geeft Golgotha antwoord ; op Golgotha woedt hef eeuwig geweld der Goddelijke majesteit uit over den Borg.

O, tegen den Zoon verhardt zich de Majesteit van Gods Recht.

De Borg vindt geen erbarmen.

Hoor Hem klagen in den ouden dag :

't Zij ik mijn God bij dag moog' bitter klagen.

Gij antwoordt niet ;

't Zij ik des nachts moog' kermen.

Ik heb geen rust; ook vind ik geen

ontfermen In mijn verdriet!

De Borg vond geen ontfermen, in Zijn nameloos lijden, opdat de eeuwige God l zich Vaderlijk zou ontfermen over degenen, die Hem vreezen.

Vreezen, dat past bij dezulken, die stof zijn. Vreezen, dat is kinderlijk, klein, ootmoedig en ook gehoorzaam zijn. Tegenover vreezen staat verwerpen, versmaden I

Eens komt de dag, neen, de nacht, waarin zij, die den Heere verwerpen, den Borg zullen-nastamelen : ook vind ik geen ontfermen, in mijn verdriet I Maar dat zal een straf zijn, die geen vrede aanbrengt. Op dien nacht volgt geen morgen.

Och, dat gij dan in dezen uwen dag bekennen moogt, wat uwen vrede dient!

Vreeselijk zal 't zijn, onvoorbereid te vallen in de handen des levenden Gods.

Zoo dit u beangst en bekommert, bij den Heere is genade en veel vergeving. Buigt u dan voor Hem in 'f stof; vlucht tot Zijn genadetroon. Dat zult ge u nooit beklagen, want de Heere is een Waarmaker van Zijn Woord : Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal u uifhelpen !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's