Diaconalia.
Mag men van hen, die door de Diaconie ondersteund worden, eischen, dat ze geregeld ter Kerk komen of op andere wijze toonen eenige liefde voor de Kerk te bezitten ?
Er zullen weinig diakenen zijn, die zich nooit voor deze vraag geplaatst zagen. Maar het antwoord op deze vraag loopt nogal eens uiteen.
Vroeger schijnt men de vraag meestal bevestigend beantwoord te hebben. In tal van Gemeenten tenminste weet 'men zich nog te herinneren, hoe het eertijds de gewoonte was op de bedeelden inzake kerkgaan enz. eenige pressie uit te oefenen ; waarschijnlijk dat het in sommige Gemeenten nog geschiedt. De wijze waarop dit werd gedaan, zal wel niet overal gelijk zijn geweest, maar zeer doeltreffend was in elk geval de bepaling van dien diaken, die ontevreden over het slechte kerkgaan van de bedeelden bekend maakte, dat voortaan de ondersteuning na het einde der godsdienstoefening in de kerkekamer zou worden uitgereikt. Wie niet tegenwoordig was geweest, kreeg ook niets. Het doet ons herinneren aan de mand met brood, die in de pastorie van Mastland tijdens de godsdienstoefening onder de preekstoel staat om onmiddellijk na afloop aan de armen, die in de Kerk achterbleven, te worden uitgedeeld.
In de laatste tijden is men op de meeste plaatsen van ihet oefenen van dergelijke dwangmaatregelen teruggekomen. De geest des tijds, die van geen dwang wil weten op welk gebied ook, die vrijheid eischt voor een ieder, heeft hier zeker grooten invloed gehad. De bezwaren tegen dwangmaatregelen zijn bekend. Ze kweeken niets dan geveinsdheid en bedrog. De ondersteunden, die gedwongen ter Kerk komen, dragen daar toch geen zeêen van weg. En de Diaconiearbeid wordt met vruchteloosheid geslagen, want waar anders de arbeid der liefde misschien het hart van den mensch zou treffen en vinden, wekt de ondersteuning, als dwang daarmee gepaard gaat, niets dan wrevel en ontstemming.
Op zichzelf zijn deze en andere daarmede verwante bezwaren volkomen juist. Een opgelegde dwang om ter Kerk te gaan zal weinig goeds uitwerken. Maar 'menigeen vergat, dat met de afkeuring van genoem'de dwangmaatregelen de vraag, die we aan het begin stelden, toch volstrekt niet was opgelost.
In den laatsten tijd schijnt genoemde vraag voor menige Diaconie weer practische beteekenis te krijgen. Wat vooral te danken is aan de duurte van het leven en aan de tekorten, waarvoor menige Diaconiekas komt te staan. Wanneer men een eenigzins behoorlijke ondersteuning zal geven, kan niet meer aan alle aanvragen voldaan wor den. Want het gaat niet op om onder een groote menigte grootere en kleinere giften uit te deelen of misschien beter gezegd rond te strooien, terwijl niemand afdoende geholpen wordt. Beter weinigen goed geholpen dan velen slecht. Maar als 'de kas niet toelaat allen op behoorlijke wijze te ondersteunen, wordt het natuurlijk noodzakelijk een schifting te maken en een keuze te doen En is het dan te verwonderen, dat menige diaken allereerst hen in aanmerking doet komen, die getoond hebben eenige liefde voor de Kerk te bezitten en met de Kerk te willen meeleven ?
Onlangs heeft men nog in ons blad kunnen lezen, hoe dr. Niemeijer getoornd heeft tegen een maatregel der Utrechtsche Diaconie, in dezen geest genomen ; terecht is op het dwaze en onbillijke van diens critiek gewezen geworden. Dr. Niemeijer beziet alles door den bril van den richtingsstrijd. Indien hij zelf diaken was geweest, zou hij op dezelfde wijze hebben gehandeld.
Evenwel al is het o.i. vanzelf sprekend, dat de kerkelijk meelevenden het eerst in aanmerking komen, ook daarmee is de in den aanvang gestelde vraag niet opgelost. Immers de mogelijkheid bestaat — en op tal van plaatsen is 'deze mogelijkheid een werkelijkheid — dat de kas wel toereikend is. Moet 'dan iedere arme geholpen worden, ook al heeft hij zich tevoren nooit om de Kerk bekommerd ? We vreezen, dat wie hier onvoorwaardelijk ja antwoorden, de practijk van het werk niet kennen en de bezwaren van den diaken, die daar tegen opkomt, niet verstaan.
Het beroep op de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan en op de stelling, dat de arme en ellendige geholpen moet worden omdat hij arm en ellendig is, onafhankelijk van de vraag, wie hij is of was, is hier geheel misplaatst. Het gaat hier niet over de vraag of ook degenen, die niet éénzelfde geloof met ons deelachtig zijn en zij, die een gansch verkeerd leven hebben geleid en door eigen schuld tot armoede en ellende zijn vervallen, door ons geholpen moeten worden. Die vraag als zoodanig zal ieder Christen bevestigend beantwoorden. De liefde jegens allen is volgens den apostel evengoed roeping van een Christen als liefde jegens de broeders en zusters.
De zaak echter, waarom het thans gaat, is een geheel andere en heeft met die algemeene waarheid niets te maken.
Niet dit stuit zoo menigen diaken tegen de borst, dat hij zich bijwijlen geplaatst ziet tegenover iemand, die nooit met de Kerk heeft meegeleefd, ja misschien op allerlei wijze getracht heeft de Kerk zooveel mogelijk afbreuk te doen en dat hij geroepen wordt zoo iemand te ondersteunen; integendeel voor de liefde zou het een verkwikkend iets zijn om aan een vijand der Kerk de liefde van Christus' Gemeente te mogen toonen. Maar dit is het tegenstrijdige, wat menigeen 'den diaconalen arbeid zwaar doet vallen, dat iemand, die nimmer in zijn leven getoond heeft eenige liefde voor de Kerk te beziten, in tijden van nood aan de tafel, waarop de Gemeente haar liefdegaven gelegd heeft, onmiddellijk als een huisgenoot des geloofs wil plaats nemen en het hem z.i. toekomende deel als een recht opeischt. Zoo iemand gevoelt er niets van, 'dat hem liefde wordt bewezen en de hulp hem betoond verandert niet in het minst zijn gezindheid jegens de Kerk. Evenals velen hun ƒ3 ouderdomsrente halen en nochtans de tegenwoordige staatsinrichting vervloeken en de overheid verwenschen, zoo nemen zulke lidmaten met een gerust geweten 'de ondersteuning aan, die ze beschouwen als een soort verzekeringspremie op het lidmaatschap en spotten met de Kerk en lachen om al dat gepraat van liefde en barmhartigheid.
Het is o.i. onweersprekelijk, dat de diaconale arbeid zich hier voor moeilijkheden geplaatst ziet, die nauw samenhangen met het diepe verval van ons kerkelijk leven en niet los daarvan tot een oplossing kunnen gebracht worden. De Kerk en de kerkelijke Gemeente is, zelfs afgezien van den richtingsstrijd, vaak een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is. Gewoonte deed de meesten lidmaten worden. De onderlinge band van saamhoorigheid is zeer 'gering en de eenigheid des geloofs en der liefde is nagenoeg weg. Met den mond hebben allen den Christus beleden, maar met hun leven gaan velen Zijn huis verwoesten. Nauwlijks heeit men belijdenis gedaan of velen beginnen reeds de Kerk den rug toe te keeren en de onverschilligheid slaat dikwijls in vijandschap over. Alleen wanneer men hulp noodig heeft, herinnert men zich plotseling tot de Kerk te behooren. De Diaconiekas is de laatste band, die samenbindt, de zilveren koorde, die tal van heterogene elementen nog samenhoudt en voor de Kerk bewaart
Evenwel laten we niet voorbijzien, dat ook aan de zijde der Diaconie schuld ligt. Omdat men zich in den Diaconalen arbeid te veel heeft bepaald tot geldelijke ondersteuning. Het uitreiken van een gave is wel het een en al geworden. Terecht heeft dr. Adriani in zijn lezing op de Classicale Diaconale Conferentie te Goes (zie Maandblad V. K. Armenzorg Oct. 1920) er op gewezen dat dit euvel veel kwaads heeft gesticht en dat men daarvan dient terug te komen. De liefde kent ook andere en vaak betere wegen om te helpen dan enkel het geven van een stoffelijke gift. Indien zulke wegen meer gezocht werden, zouden zeker de moeilijkheden, hierboven besproken, voor een groot deel wegvallen. Immers velen zouden blijken dan van geen hulp gediend te willen zijn. Ze komen enkel om de geldelijke ondersteuning. De diaken kan zijn liefde, zijn hulp, zijn raad wel voor zich houden, gelijk zij ook hun liefde voor de Kerk voor zich gehouden hebben. Want enkel om de gave werden ze of blijven ze lidmaat en om tijdelijk voordeel alleen lieten ze de Kerk niet geheel los. Maar er zal in de werkwijze en in de gezindheid van onze diakenen nog heel wat moeten veranderen, voordat we dezen weg algemeen zien betreden en de Diaconie ophoudt bijna uitsluitend een bedeelingsinstituut te zijn. En in onze kerkelijke Gemeenten zal een nieuwe geest van onderlinge saamhoorigheid en liefde zich moeten baanbreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's