Uit het kerkelijk leven.
De Gereformeerden en de Ethischen.
XIII.
Ja — dat was een heele uitzoekerij als het ging om de boeken des O. Testaments ! Wij waren zoo gewend om met het Nieuwe Testament te spreken van „Mozes en de Profeten" (Luc. 16 vers 29) ; of van „de wet van Mozes en de profeten en de Psalmen" (Luc. 24 vers 44). En Lucas had dat alles naarstig onderzocht. Daar vertrouwden we op. En zoo kwam, het Oude Testament, in de onderscheidene boeken, voor ons te liggen als een éénheid, met rijke verscheidenheid, 't Was voor ons Gods Woord. Zooals het voor Jezus ook was ; en voor Zijne apostelen. We hadden nooit gemerkt, dat de Heiland in Zijn tijd voorging in het schiften der bijbelboeken, om voorzichtig te nemen uit die Heilige Schriften wat Gods Woord was, om het andere als minderwaardig te kenmerken. Het geschreven Woord was voor Hem met goddelijk gezag bekleed, zooals het daar sinds de dagen van Ezra en Nehemia (ongeveer 432 vóór Christus) lag. Op dat geschreven Woord beriep Hij zich. Als Hij b.v. over Johannes spreekt in Matth. 11 dan zegt Hij „van wien geschreven staat." Toen Hij allen uit den tempel dreef, die daar kochten en verkochten, deed Hij dat, zeggende : „Er is geschreven Mijn huis, enz. (Matth. 21 vers 13). Tot de Pharizeen is het in Marcus 7 vers 6 : „gelijk geschreven is" ; tot de discipelen in Matth. 26 : 24 : „gelijk geschreven is" ; in Matth. 26 vers 31 wederom „gelijk geschreven is."
De Heiland leeft bij 't beschreven Woord van God, bij het woord van Mozes en de profeten en bij de Psalmen.
En als dan de ethische volhoudt, gelijk dr. Daubanton c.s., dat het toch maar menschelijke geschriften zijn, die door menschen op menschelijke wijze moeten beoordeeld en onderzocht worden, dan is het wel opmerkelijk, dat we den Heiland hooren zeggen :
„Het zal alles volbracht worden, aan den Zoon des menschen wat geschreven is door de profeten" (Luc. 18 vers 31) en „want deze zijn dagen der wraak, opdat élles vervuld worde, dat geschreven is." (Luc. 23 vers 22).
We hooren van Jezus altijd, dat van al het geschrevene niets kan en mag onvervuld blijven ; alles, alles, tot het laatste toe, moet dus door vervulling als Gods Woord openbaar worden. Het luidt: „want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk : en Hij is met de misdadigers gerekend" (Luc. 22 vers 37). En vóór Hij de aarde verlaat, zegt Hij nog tot de Emmaüsgangers : „alzoo is er geschreven en alzoo moest de Christus lijden", — hen uitleggende de Schriften (Luc. 24 vers 26, enz.)
Elk onbevooroordeelde moet dus wel toe stemmen, dat het geschreven Woord voor Jezus geen menschelijk, maar een waarachtig en echt Goddelijk Woord was. Hij beroept zich steeds op-Mozes, David, op Jesaja, op de profeten — zoo als die in en uit en door hun geschriften Hem bekend zijn ; en Hij bouwt en vertrouwt daarop niet als eens menschen woord, maar als zijnde Gods Woord ; dat Woord ook gebruikende als het zwaard des Geestes ; zich verwerende tegen den booze met : „er staat geschreven."
De Heiland beschouwt dus het Oude Testament, verdeeld in 3 groepen van boeken : de Wet of Thora, zijnde de 5 boeken van Mozes ; de profeten, zijnde ide historische boeken Jazua tot en met Koningen en de profetische boeken Jesaja—Maleachi (uitgezonderd Klaagliederen en Daniël) en de Geschriften, zijnde de Psalmen, Spreuken, Job ; Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker, Esther (de vijf rollen) ; en Daniël, Ezra, met Nehemia ; 1 en 2 Kronieken — de Heiland beschouwt dat Oude Testament als één geheel. Hij zegt : „de Schrift kan niet gebroken worden." (Joh. 10 vers 35). Ook zegt Hij in Matth. 21 vers 42 : „hebt gij niet gelezen in de Schriften."
Als Gods Woord lagen de Schriften van het Oude Verbond voor Hem. En Hij heeft nooit een hand uitgestoken, om die Schriften af te takelen en uiteen te rafelen en ze als zwakke, gebrekkige woorden eens menschen voor te stellen. Van het andere heiligdom, den tempel, heeft de Heiland (die van geen „vroom bedrog" hield) geprofeteerd, tot ergernis van den Jood : „van dezen zal geen steen op den anderen gelaten worden" — maar niet alzoo van de Schriften. Integendeel ! daarvan zou geen tittel of jota — dat is het allergeringste — vallen, noch voorbijgaan.
En de Apostelen? Gelijk hun Meester zien ook zij in de onderscheidene boeken des Ouden Testaments niet een verzameling van oud-Israëlitische letterkundige geschriften, maar een organisch. Goddelijk, onverbreekbaar geheel. Paulus leert in 2 Tim. 3 vers 16 : „Al de Schrift is van God ingegeven", gelijk hij in het voorgaande vers Timotheus, die van kindsbeen af in de Schriften onderwezen was, vermaant te blijven in hetgeen hij geleerd heeft; in „die Heilige Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid."
In Rom. 4 vers 17 gebruikt Paulus de teekenende uitdrukking : „gelijk geschreven staat" ; in hoofdstuk 10 vers 11 heet het : „de Schrift zegt" ; in hoofdstuk 11 vers 2 vraagt hij : „weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia ? "
Petrus spreekt niet anders dan Paulus.
In Hand. 1 vers 16 zegt hij : „mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond van David voorzegd heeft." In Hand. 2 vers 24 getuigt hij, dat het niet mogelijk was, dat Jezus van den dood gehouden wierd. En dat waarom ? Omdat David van Hem gezegd heeft : „Gij zult mijne ziel in de hel niet verlaten noch Uwen Heilige overgeven om verderving te zien." Zóó stond het dus in de Schrift. Door God den Heiligen Geest Zelf er ingezet, door Zijn knecht David. En zóó zou het geschieden. Iets anders was ten eenenmale onmogelijk, omdat de Schrift Gods Woord is !
Als de Apostelen over dood en leven, over oordeel en vloek, over hel en hemel spreken is het altijd naar uitwijzen van het Woord. De lijnen van het verbond in Adam en de lijnen van het verbond in Christus worden getrokken, zooals de Schrift het had geopenbaard. En als Paulus voor Felix staat, spreekt hij het luide uit : „dit beken ik, dat ik naar dien weg, welken zij secte noemen, den God der vaderen alzoo diene, geloovende alles, wat in de Wet en de Profeten geschreven is". (Hand. 24 vers 14).
In Berea zijn ze edeler dan van Thessalonica, omdat zij dagelijks de Schriften onderzochten. (Hand. 17 vers 11).
Zoo werd alle godsdienst buiten 't Woord om of tegen het Woord ingaande waardeloos geacht; gevaarlijk, verwerpelijk. Het ging — en het gaat —• om op te wassen in de kennis en het geloof der gemeente moest wortelen in de Heilige Schrift, hetwelk is Gods Woord.
Wie het dan ook voorstelt, dat de Heilige Geest werkt tegen het Woord in, die bedriegt zichzelf en anderen. Men kweeke toch geen planten, die buiten den vetten grond van Gods Woord staan ; want zij zullen een kwijnend bestaan lijden, wijl het voedsel hun ontbreekt. Laat de Schrift, dat is God, tot de gemeente spreken. Daar zal zegen op rusten !
Maar nu komt dat gepeuter met de Schriften des Ouden en des Nieuwen Verbonds. En dan niet de tekst-critiek, welke gaat over oorspronkelijke lezing in de grondtaal, of over woorden en leesteekens. Maar de Schrift-critiek, welke de Schrift zelf gaat uit elkaar rafelen en alles heel, heel anders gaat in elkander zetten, dan onze Bijbel het ons geeft ; ja, welke critiek met scherp ontleedmes zoo héél veel wegsnijdt en wegsmijt, als zijnde vergissing, bedrog, enz.
Neem de Pentateuch-kwestie.
Dat is de beschouwing van de eerste vijf boeken van den Bijbel. De beschouwing dus van „de vijf boeken van Mozes."
Och, arme ! Daar blijft niets van heel. Daar heeft de vader van de Pentateuch-critiek dr. Astruc (1753) voor gezorgd ; en Ilgen, Hupfeld, Graf, Kuenen en Wellhausen hebben er verder het hunne aan gedaan.
Wat ? Dat werd ons op het College door prof. Valeton duidelijk gemaakt. Met blauw, rood en zwart potlood konden we aan het werk. En groen en geel moest er ook bij komen. Want die 5 boeken van Mozes bleken al spoedig akelig weinig van Mozes te bevatten. Er was een stuk, dat een historisch geschiedkundig geschrift was. Een opteekening en verzameling van verschillende verhalen, die te voren mondeling waren overgeleverd. Zoo tusschen 800 en 750 vóór Christus was dat stuk gemaakt; anderen zeggen in Salomo's tijd ± 1000 vóór Chr.
Dat stuk J., waarin de Godsnaam Jehova is, vindt ge zoo ongeveer in : Gen. 2 vers 4b—4 : 26 en loopt door in geheel Genesis, in Ex. 1—14, 16, 17, 19, 33 en 34, en in Num. 10, 11, 13, 14, 16, 20, 21 22 24 25 en 32. Dat bij elkaar genomen is dus stuk J. dat een goede samenhang en een goed natuurlijk verloop der dingen geeft — zooals men zegt.
Dat stuk J. kleuren we b.v. blauw.
Dan krijgen we een tweede stuk, dat E genoemd wordt, omdat hier Gods naam altijd door het woord Elohim wordt aangeduid. Het is niet zoo bekoorlijk in verhaaltrant als het stuk J. ; ook is zijn karakterteekening niet zoo fijn en zijn stijl minder vloeiend — zegt men. Daarentegen is hier een door nadenken meer ontwikkeld geloof en alles wordt naar een bepaalde orde verhaald en uit hoogere gezichtspunten bezien. God is hier, méér nog dan bij stuk J. de alles bewerkende oorzaak. De verhalen hebben dan ook de duidelijke bedoeling te doen zien, hoe God Zijn plan ten uitvoer brengt, óók door wat de menschen doen. De voorstelling van God is hier minder menschvormig. De openbaring Gods gaat meer door droomen of gezichten en stemmen, minder door verschijningen als in J.
In dat stuk E staat niets uit den tijd vóór de aartsvaders. Het vangt aan in Gen. 15 bij Abraham en wordt verder gevonden in hoofdstuk 20—22, 27—35, 37, 40—43, 45— 48 en 50. In Exodus hoofdstuk 1—4, 7, 9— 15, 17—24, 31—34 ; en in Num. 10—14 ; 20—23 en 25.
Dat stuk E kleuren we b.v. rood.
Dan komt een derde stuk, dat wordt aangeduid met de letter D., zijnde een oorspronkelijk op zichzelf staand wetboek, hetwelk de kern van het boek Deuteronomium zou zijn, ontstaan ten dage van Koning Josia. Stuk D kleuren we gemakshalve maar zwart.
Zijn J en E ongeveer uit de dagen die aan den ondergang van het rijk der 10 stam men voorafgaan, en is D uit de dagen van Josia, we krijgen dan voorts een stuk dat P genaamd wordt (Priester-boek) dat uit de dagen van Ezra (433 vóór Chr.) moet zijn en dus lang 'na Mozes'dood ontstaan, 't Zou uit Babel zijn meegebracht (Neh. 8—10).
Dat vierde stuk P kleuren we maar groen.
Doch dan krijgen we nog een vijfde stuk, dat R genaamd wordt, omdat er een Redacteur is geweest, die de vier stukken J, E, D en P verwerkt heeft en wel zóó, dat hij J, E en D tot één gemaakt heeft, met P als een lijst om het schilderij !
Dat zou dan gebeurd zijn na Ezra's tijd.
Natuurlijk is er zoo geen sprake meer van „de vijf boeken van Mozes." 't Zijn boeken waarvan ongeveer niets door Mozes is geschreven ; en die later zóó zijn saamgeflanst dat ze den schijn hebben in Mozes' dagen te zijn geschreven, maar die in werkelijkheid van veel, véél later datum zijn. Ja, het zou dan zóó eigenlijk zitten, dat heel de wet en de wetgeving in de vijf boeken van Mozes verzonnen is als iets dat in Mozes' tijd door den Heere zou zijn gegeven, terwijl in werkelijkheid het oude volk Israël in den beginne een gansch anderen godsdienst heeft gehad en de wet pas is ontstaan in latere eeuwen.
Israels godsdienst wordt zoo van karakter veranderd.
Israels geschiedenis is dus in Mozes boeken geflatteerd.
't Is heel, héél anders toegegaan met Gods oude bondsvolk. Israels godsdienst moet verklaard worden langs de lijnen der evolutie, der langzame ontwikkeling. En zoo komt de evolutie-leer hier om den hoek kijken, waarbij de openbaring Gods als zoodanig wordt om hals gebracht.
Dat moeten we niet gering achten bij de z.g.n. Pentateuch-critiek der modernen en ethischen, dat er in de vijf boeken van Mozes niets voor Mozes overblijft. En van heel Israel's godsdienst uit de dagen der aartsvaders ; van de Wet, als zou de Heere Zelf deze Mozes in den mond gelegd hebben — daarvan blijft niets over. Zóó is het niet toegegaan, zooals de boeken van Mozes het ons verhalen, zegt men.
In werkelijkheid zou dit alles eerst later zijn ontstaan en zijn gemaakt; ongeveer in het 18de jaar van Koning Josia, dat is dus =!= 621 vóór Christus.
Héél de Godsopenbaring zou op die manier anders worden.
Heel Israel's historie, zooals deze tot nu toe in de vijf boeken van Mozes gelezen is, zou in omgekeerde volgorde komen staan. In Mozes' dagen geen Wet der Tien geboden, geen dienen van Jehova. Israël zou. vroeger in niets onderscheiden zijn geweest in godsdienst van de omwonende heidenen. En later langs evolutionistischen 'weg zou het langzamerhand opgeklommen zijn, tot hetgeen de vijf boeken van Mozes aan het begin zetten ; waardoor dus de bizondere Godsopenbaring in beginsel wordt ontkend.
Gelukkig dat de moderne schriftgeleerder, elkander hoe langs hoe meer gingen tegenspreken ; enkelen als Klosterman in Duitsch land en prof. Eerdmans te Leiden wilden van deze kunstig beredeneerde „bronnenscheiding" niets weten ; en de oude opvatting onzer vaderen — die ook de opvatting van Jezus en Zijii Apostelen was — vond weer meer bevestiging, ook door de opgravingen der laatste jaren in Babyion ; waaruit blijkt, dat véél, waarvan de Schriftcritici zeiden, dat het onmogelijk zoo oud kon wezen, nu toch werkelijk blijkt te zijn uit den tijd, dien de Bijbel aangeeft !
Hiermee hangt zoo héél veel samen, wat we niet in bizonderheden kunnen toespreken Alles werd zoo langzamerhand door de Sohriftcritici omgezet, ontkend, verworpen. De godsdienst is bij den mensch anders ontstaan dan de Bijbel ons leert. Israël heeft eerst een héél anderen godsdienst gehad, dan de Schrift zegt. De aartsvaders hebben niet werkelijk bestaan ; 't zijn legendarische personen. Van David is geen enkele Psalm ; ze zijn uit den tijd na de ballingschap, uit de dagen der Maccabeën. De Messiaansche profetieën zijn later ingevoegd en bedoelen iets anders. Het boek Jona geeft een legendarisch verhaal van het volk Israël, dat van God een bepaalde zending had ontvangen onder de volken, maar, onwillig deze te volbrengen, tot straf daarvoor werd verzwolgen in de Babylonische ballingschap, doch daarin wonderlijk werd bewaard, en weder verlost om hare zending alsnog te volbrengen, toen echter toornig werd omdat de heidenen zich bekeerden en door God werden gespaard.
Zoo werd het boek Jona een fabel.
Evenals het boek Esther ; een Joodsch verzinsel.
En wat blijkt nu bij dat alles ?
Dat ook door moderne Oud-Testamentici veel, héél veel tot de oude positie weer teruggebracht wordt en de geschiedkundige vastheid meer en meer wordt erkend. B.v. is de historische getrouwheid van het boek Esther door de opgravingen van 'n Fransch geleerde in Susan tot in de kleinste onderdeden bevestigd ! Daniël wordt weer in eer hersteld. Aan David worden weer Psalmen toegeschreven; de aartsvaders worden weer echte personen, enz. enz,
Groote ellende en schrikkelijke verwarring heeft intusschen de Schriftcritiek gebracht, vooral waar ze niet wenschte te vervullen de nederige taak van een dienaresse, maar als heerscheres zich liet gelden.
En we zijn het met dr. De Vrijer eens, dat het glad verkeerd is geweest van de ethischen, dat zij zóó ver zijn meegegaan met de modernen op de paden der Schriftcritiek.
Dat vooral heeft den Ethischen, en terecht, een kwaden naam bezorgd bij ons godsdienstig, kerkelijk volk, dat nog altijd zegt : De Heilige Schrift is Gods Woord ! Van dat Woord zal men afblijven.
„Dat Woord zal men laten staan" ! zeggen we met Luther.
En als ernstige grief heeft men tegen de Ethischen, dat zij daarbij op den preekstoel iets anders voorgeven dan ze in de studeerkamer leeren.
In de studeerkamer wordt de schaar gebruikt en o ! zooveel van de Schrift „onecht" verklaard ; anders uitgelegd enz.
Maar op den kansel schijnt het dan alles weer het oude te zijn ; echt, betrouwbaar
En dat kan ons volk maar slecht hebben.
Hier groeit het wantrouwen.
En ook zelfs ethische hoorders vragen — pas nog weer in „Bergopwaarts" — of het toch niet te veroordeelen is in de ethische predikanten, dat zij er feitelijk tweeerlei Schriftverklaring op na houden, één voor de studeerkamer (waar ze het mee eens zijn) en één voor den kansel (waar ze het toch eigenlijk niet mee eens zijn !)
(Wordt vervolgd.)
De Kerkvisitatie.
15 Januari 1921 zal het nieuwe Reglement op de Kerkvisitatie in werking treden. Dan zal de Kerkvisitatie op geheel andere wijze worden geregeld. Want zij zal dan niet meer geschieden uitsluitend door de leden van het Classicaal Bestuur, maar zij wordt nu opgedragen aan mannen, die voor dat werk geschiktheid bezitten en juist, omdat zij er voor bekwaam worden geacht, zullen zij er voor aangewezen en gevraagd worden. Ook zullen de kerkvisitatoren meer zelfstandig kunnen optreden, om de dingen te behandelen zooals zij naar hun beste weten meenen, dat het in het belang der gemeente is.
We achten 't nieuwe Reglement een vooruitgang, zijnde een heenwijzing in de goede richting. Gelijk we dan ook op de Classicale Vergadering hebben geadviseerd om het nieuwe Reglement aan te nemen, verheugen we er ons in, dat het nu is vastgesteld. Zij het onze Kerk ten zegen !
Het lidmaatschap der Kerkelijke Besturen.
Een tweede zaak waarop wel even gewezen mag worden is de wijziging in het Alg. Reglement, welke betrekking heeft op de verkiesbaarheid voor de hoogere Besturen ; welke wijziging nu óók is vastgesteld en op 15 Januari a.s. in werking treedt.
Tot nu toe kon niemand tot lid van een Provinciaal Kerkbestuur gekozen worden of hij moest lid zijn geweest van een Classicaal Bestuur ; en niemand kon lid van de Synode zijn, of hij moest de ladder der Kerkelijke Besturen hebben afgeloopen. Zoo deed men ervaring op. Zoo kwam men langzamerhand met onze kerkelijke reglementen en , gewoon ten op de hoogte. En dat was vvferkelijk een voordeel te noemen. Maar de nadeelen waren véél meer en véél grooter. 't Ging overdreven geleidelijk en hinderlijk langzaam dikwijls, 't Was ook zoo allergewichtigst om in een der hoogere Kerkelijke Besturen te zitten ! Daar moest men eerst grijze haren voor hebben en men moest oer-conservatief geworden zijn. Geen raam mag er ook open komen in het Synodale huis ! 't Tocht dan zoo. Er komt toch wel genoeg frissche lucht ! En daarom had men 't liefst geroutineerde, bezadigde, half-uitgeleefde en halfuitgedoofde menschen. Men moet met de Synodale organisatie zoo voorzichtig zijn, weet u !
Maar nu is het anders geworden.
Er kunnen nu nieuwe krachten komen.
Nieuwe denkbeelden kunnen nu aan de orde worden gesteld.
Lelde het er toe, dat ons kerkelijk leven straks verjongd en verfrischt naar buiten treedt en dat we eindelijk, eindelijk eens een andere wijze van kerkregeering krijgen, meer naar den aard en overeenkomstig het wezen van onze Herv. (Geref.) Kerk !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's