De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

Te dien dage zal er eene fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinigheid. Zach. 13 vers 1.

EEN GEOPENDE FONTEIN.
Wat is het leven toch wisselvallig. Dezelfde man, die heden door schier ieder wordt benijd, kan morgen de hoofden al bij elkander doen steken, terwijl men fluiste­rend rondgaat: hebt ge 't al gehoord? Wat is hij toch diep te beklagen. We brengen u in gedachte naar de hoofdstad van Syrië. Hier woont de opperbevelhebber des konings. Wat was hij met roem en eer overladen! Zoo'n man trof men nergens. En nu is hij alles kwijt. De schrikkelijkste krankheid welke ooit een mensch kon aangrijpen, heeft hem omvangen. Hij is melaatsch. Het zou op den dood aan moeten. 
Jammer, zulk een man, en dan weggerukt uit het volle leven. Daar is er een, die van herstelling spreekt. Een dienstmaagd met wier woorden in gewone doen nauwelijks werd gerekend, wordt thans een verkondigster van goede boodschap.
Zou het waar zijn?
In Israël woont een wonderprofeet, van wien het verhaal de ronde doet, dat hij zelfs dooden kan opwekken. Wie weet of ook zijn melaatschheid door dezen kon worden gereinigd.
Met groot gevolg, door tal van paarden en wagenen begeleid, houdt Naaman stil voor het huis van Eliza.
Maar wat viel dat tegen!
Vooreerst dat huis — en dan die behandeling. De man komt niet eens zelf voor, slechts een bode met dezen last: „Ga heen, wasch u zeven maal in de Jordaan en uw vleesch zal u wederkomen en gij zult rein zijn. 
Neen, dat is den grooten man te machtig. Hij zou zich wasschen in de Jordaan! Bieden dan de rivieren in Damaskus niet veel schooner gelegenheid! Zijn de Abana en de Farpar niet veel meer geschikt!
Neen, hij denkt er niet over en boos gaat hij heen.
En toch is daar eene stem van binnen en van buiten, welke hem spreekt van: Zoudt ge het toch maar niet doen? En als hij de rivier daar voor zich heeft, wordt de drang hem al te groot; hij klimt af en doopt zich naar het bevel zeven maal in de rivier.
Ge weet de uitkomst. Zijn vleesch kwam weder en hij werd rein.
Wat was dat toch een hoogst eenvoudig middel om van zijne melaatschheid te worden ontledigd: enkel afdalen, alleen wegzinken, heelemaal, — want dit wil het getal 7 beduiden — in het water der reiniging.
Vindt ge dit niet een heerlijk beeld van de reiniging eener schuldige ziel? Gelijk de melaatschheid van Naaman, alzoo is de zonde voor een zondaar, die aan zichzelf ontdekt wordt.
Nu ben ik alles kwijt.
Nu kan het met mij nooit anders eindigen dan in den dood.
Nu de vreeselijke gedachte onrein te zijn van af het hoofd tot aan de voetzool en dan nergens betering.
Och, dan alleen is het mogelijk dat het woord ingang vindt van de dienstmaagd, die spreekt van den wonderprofeet.
Zou hij redding aan mij kunnen biên? Het zwaarste is nu niet te zwaar en het grootste is nu niet te groot, als ik maar gereinigd mag worden.
Maar nu enkel te gaan op het woord dat gelegd is op de lippen van de gezondene, zoo'n dienstmaagd of zoo'n dienstknecht.
Och, dat is voor den hoogen mensch te weinig. Als God de Heere nu maar eens tot hem spreken wilde op gansch andere wijze, b.v. door een teeken of door een wonder. Maar nu enkel te gaan op het woord. En dan alleenlijk inzinken in het bad ter reiniging door Hem gewezen. O, om 't op dat zoenbloed van Golgotha alléén te wagen, wat steekt dat den mensch.
En toch zal hij het leeren, als de Geest des Heerenhem te machtig wordt, hem overreedt. Als het wordt: wegzinken of gereinigd worden in de rivier van genade, zie, dan wordt dit bad hem tot een behoudenis.
Het bloed van Christus Jezus reinigt van alle zonden.
Och, de zaak der zaliging is toch zoo eenvoudig: wegzinken, opgeven, zeven maal, dat is gehéél.
Eenvoudig, maar ook noodzakelijk.
De reinen van hart zullen God zien.
Ge moet met het zoenbloed van Christus in aanraking zijn geweest. Er over spreken zal geen bate afwerpen.
Naaman werd niet ontledigd door den Jordaan te passeeren; hij moest inzinken. Hij moest van het voertuig af heelemaal wegzinken. Alzoo moet ook de ziele wegzinken, op enkel genade pleiten.
We willen, geliefde lezer, u wijzen op de bereidwilligheid Gods om een zondig volk van hun onreinheid te genezen.
We doen dit aan de hand van de profetie van Zacharia 13 vers 1..
„In dien tijd waart gij zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hope hebbende en zonder God in de wereld."
Zoo schrijft de apostel ergens. Grijp daar nu maar uit wat ge wilt. Het een is al droeviger dan het ander. Houd alleen het slotstuk maar vast: Geene hope hebbende en zonder God in de wereld.
Het eerste begrijp ik, zegt ge, van ieder die God niet vreest zal gelden: geene hope hebbende; maar het tweede kan ik niet vatten: zonder God in de wereld is toch niemand?
Ge hebt gelijk en toch ook weer niet.
Al leeft er niemand zonder de hulpe Gods toch is alleen hij het zich bewust, die bij de hand Gods leerde leven.

Wij allen — liet de hemel toe dat we onze natuur gehoor verleenden — leefden alsof er geen God bestond. Ziet, vanuit dit punt laat zich de goddeloosheid, d.w.z. zonder God zijn in ons en buiten ons verklaren.

Wij zouden zoo gaarne van God af willen

Gaat de historie der menschheid maar na. 't Is als het ware eene worsteling : Hoe raken we God kwijt. Als het bewijs maar eens geleverd kon worden, dat Hij niet bestond. Wat zou die mensch zich niet willen getroosten om dit eens te zien uitgemaakt.

We nemen plaats in de gedachten van de menschen uit onzen tijd.

Het is me meer dan eens gebeurd, dat ik, sprekende met lieden, die met God en Zijn dienst hadden gebroken, hen wees op de zonden en ongerechtigheden, die thans ongestraft konden geschieden, als gevolg van hun Godvergetenheid.

Weet ge wat dan het antwoord was ?

Gij, prediker, ziet de wereld nog veel te schoon, van verreweg de mooiste zijde. De werkelijkheid zou u nog iets anders leveren dan ge meent. Als ge het eens .zaagt zooals wij, zoudt ge het ons wel toegeven : daar is geen God, immers als Deze er was. Had Hij al lang ingegrepen met een Godsgericht, waardoor de wereld beefde.

En wanneer hierop een antwoord werd gegeven : dat zijn de barmhartigheden Gods die van wachten weten, zoo was een veelzeggende glimlach het antwoord.

Maar thans, nu op dit oogenblik in deze dagen de wereld schokt en het voor de Kerk des Heeren, de kinderen Gods, duidelijker is dan ooit, dat de Heere is uitgetreden met een arm van kastijding, weet ge wat nu wordt uitgesproken door dezelfde lieden: als daar een God was, zouden er zoovele gruwelen, zulke schrikkelijke moordpartijen niet plaats hebben.

Voorheen bestond Hij niet omdat; Hij wist te wachten, nu Hij gedaan heeft wat men als voorwaarde stelde, toestaat Hij nog niet.

Zonder God in de wereld wil hij blijven.

Verschrikkelijk, lezers. De tuchtigingen gaan door, totdat men voelt of is weggeslagen.

Israël heeft het ondervonden.

Daar was een loslaten geweest onder hoog en laag, rijk en arm. Waarin men ook verschilde, hierin was men 't roerend eens : we willen van God af.

En nu liet de Heere hen los. In het kluwen der natiën werd het schier verpletterd. Hij greep, omdat Hij gedacht aan Zijn verbond, hen er weer uit. Hij bracht hen uit de ballingschap weder terug op het vaderlijk erf. Doch in vergelijking met wat zij geweest waren, was het nog al te droef.

Zou er ooit weer van het volk iets terecht komen ?

Het antwoord leest ge bij den profeet : „Over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden."

Ziet, op dit fundament weet de Heere te bouwen. Voor een roepend, biddend, zuchtend volk, stelt Hij een fontein open.

't Was iets, dat de rechtgeaarde Israëliet verstond : te dien dage zal er een fontein • geopend zijn.

Een fontein heeft iets gansoh bizonders, iets wat een rivier niet heeft, ja, wat zelfs de zeeën missen. Een rivier en een zee moeten altijd weer nieuwen toevoer ontvangen ; wanneer ge bij machte waart haar bronnen af te snijden, zoo was het met haar frlschheid spoedig gedaan.

Maar een fontein heeft het water in zichzelve. Daar diep in den verborgen schoot van het aardrijk heeft ze de aderen die tot altijd-geven ruimschoots in staat stellen.

Een fontein springt na 50 jaren nog even zoo krachtig als tevoren. Wanneer ge dan ook dezen naam noemt, luistert alles wat Oosterling heet.

Rondom de fontein spant hij zijn tentenleger, 't Is voor hem de levensvoorwaarde. Zeg : „daar zijn geen fonteinen aan die plaats" en hij zal onmiddellijk betuigen : „dan kan ik er niet wonen."

Ziet, zoo verstaat ge dan ook het Woord des Heeren omtrent de Godsstad : „al Mijne fonteinen zullen binnen in u zijn", d.w.z. déze stad leeft uit de volheid Gods. Hier is geen vijand bij machte den toevoer te beletten of af te snijden. Deze fonteinen hebben altijd nieuwen voorraad, zij geraken nimmer uitgeput. Zij kunnen altijd geven.

De fontein waarvan hier gesproken wordt heeft betrekking op de reiniging.

Ziehier, het vraagstuk bij uitnemendheid. Ge behoeft van Israels plechtigen dienst nog niet eens zoo heel veel af te weten, of ge zult het me dadelijk toegeven : "Het is een van de meest in het oogspringende dingen."

Gij zult, zoo luidt het bevel, voor Mijn aangezicht verschijnen niet dan gereinigd. Vandaar het koperen waschvat in 't heiligdom. Geen priester, zelfs geen hoogepriester mocht naderen of hij moest zijne handen en voeten gewasschen hebben in dit water. En zooals ge lichtelijk begrijpt, wijl het een besloten bekken was, en door het gedurig gebruik werd verontreinigd, moest het geduriglijk ververscht.

Zoo leest ge dan ook van de koperen zee, welke in Salomo's tempel werd gevonden, dat zij in directe verbinding stond met een bekken, dat boven van den tempelberg de wateren liet afvloeien.

Ge zult u zeer denkelijk ook wel herinneren den naam van het badwater van Siloam. Dit wijst naar dezen ouden toestand henen. Telkens moest rein water heengeleid naar de plaats, waar Israël zijn God zou ontmoeten.

Het was als het ware een tastbare prediking : geen gemeenschap tusschen den Heilige en het onheilige. Daar moet eene reiniging plaats hebben.

Kunt ge duidelijk zien ook in het leven van onzen Heere Jezus Christus. Wanneer Hij zal optreden onder het volk om als Profeet, Priester en Koning Zijn werk voor God te volbrengen, dan moet Hij indalen in de golven. Hij moet .als Borg de wasschinge ondergaan. Al was er op Zijn gansche wezen geen enkel vlekske, op deze wijze moest; een bezoedeld volk gereinigd. Vandaar Zijn Woord-: „Aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen."

Zie, lezer, zoo wordt het u eenigszins duidelijk, wat voor beteekenls hier schuilt in dit woord ; te dien dage zal er een geopende fontein zijn, d.w.z. daar is een gelegenheid, waar het bezoedelde, onreine, gansch besmette volk van zijn bezoedeling kan worden ontheven. Deze koperen zee heeft altijd helder water. Daar is geen menschenhand voor noodig om het te reinigen, want die bron levert niet anders, zij springt altijd door. Wanneer gij zoudt zeggen : „daar is toch vuil van mijn handen en voeten in afgevloeid", zoo is dit het antwoord : vanuit eene geopende fontein wellen altijd nieuwe stroomen. Het oude is alweer voorbijgegaan.

Onder den tabernakeldienst of in den tempel bestond de mogelijkheid, en het gebeurde ook, dat 't werk onderbroken moest worden. Maar deze wateren zijn altijd helder.

Wie met deze fontein wordt aangeduid, behoeft nauwelijks vermeld. Dat is - onze Heere Jezus Christus. In Hem is de fontein van Gods eeuwige liefde, de volkomen Reinigmaker geopenbaard en geschonken.

In Israels heiligdom was Hij al afgespiegeld. In den tabernakel wees dit koperen waschvat heen naar wat eenmaal op Golgotha zou worden geplengd. Tusschen de koperen wanden was het schijnsel reeds rood. De koperen zée in Salomo's heiligdom was nog een duidelijker prediking door de onzichtbare verbinding met het bekken boven op den berg, waaruit telkens nieuwe inhoud afvloeide.

Maar de fontein zelve ziet ge als ge onder het kruis u moogt nederbuigen, ziende de doorstoken zij. Dat gebogen hoofd, met die gebroken oogen, prediken het u : hier is de fontein waarin al de zonde en de geheele onreinigheid van al Zijn volk voor eeuwig ligt verzonken. Ziet, toen ging de fontein eerst open, toen Hij zijn ziel uitstortte in den dood. Dat gezicht hebben al de ouden gezien, ook al lag 't zelf nog in nevelen verscholen.

Daarop is het oog geslagen van ieder van Gods kinderen als ze in blijde ontmoeting den Heere omhelzen.

In Zijne offerande ligt mijn schuld, mijn zonde, mijn onreinheid begravan. Met dit bloed overgoten ben ik geheel rein.

Dat is nu een prediking zooals deze zelfde profeet het zoo schoon weergeeft in dat bekende nachtgezicht. De bezoedelde hoogepriester wordt opeens rein. En van de ongerechtigheden van dat land lees ik : ze werden op éénen dag weggenomen.

Wanneer zou dat zijn geweest ?

Zegt het mij. Dat is geweest toen de Borg zich de zijde zag doorstoken of nog juister, toen Hij stervende het hoofd boog, want bij de speerstoot werd het alleen zichtbaar : de fontein is open. ^

Een heerlijke prediking.

Ja, voor wie : Voor dat volk dat niet weet hoe voor Gods aangezicht te zullen verschijnen. Zij hebben gehoord en daar was een weerklank in hunne ziel : , Weest heilig, want Ik ben heilig." „Alleen de reinen van harte zullen God zien."

Hoe is dat nu mogelijk ?

Hoe kan nu hier een vveg gezocht ? ,

Legt uw oor te luisteren. Hier is een prediking vooru. Wanneer ge 't nog' nooit gehoord mocht hebben, hier stelt zich een boodschapper des hemels op uw weg met dit wondere Evangelie : „Te dien dage zal er een fontein geopend zijn tegen de zonde en tegen de onreinheid."

Alleen in het bloed des Lams.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's