Feuilleton.
Mogen wij de Herv. Kerk verlaten?
Mogen wij de Herv. Kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door ds. A. VAN VEELO, destijds ± 1881 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam.
12)
III.
Het door ons gegeven antwoord hebben wij gezegd te zullen bevestigen met geschiedenis en ervaring. Dit zullen we doen doorheen blik te slaan :
a. Op de handelwijze van godzaligen in donkere tijden ;
b. Op de nuttige uitspraken van beroemde Godgeleerden ;
c. Op de ervaringen van onzen tijd op kerkelijk gebied.
De bij herhaling gedane vraag : „Mogen wij de Vaderlandsche Hervormde Kerk verlaten ? " hebben wij getracht zooveel mogelijk op grond van Gods onfeilbaar Woord te beantwoorden. Wij wenschen thans, gelijk gezegd is,
a. De handelwijze der godzaligen in donkere tijden na te gaan. — Dat de Kerk zich voorheen in donkere toestanden heeft bevonden, zal wel niemand, die geen vreemdeling in de Kerkgeschiedenis is, durven ontkennen. Die toestanden waren dikwerf niet ongelijk aan onze dagen. De Kerk toch was niet lang aan de hitte der vervolging, door 't heidensche Rome haar aangedaan, door Gods genade ontworsteld of aanstonds verflauwde het geestelijk leven in de gemeente, om plaats te maken voor uiterlijke weelde en pracht. Het duurde dan ook niet lang, of allerlei dwalingen slopen de Kerk in, Arius (een afstammeling van Miletius, ; een dwaalgeest in Egypte, die, na de afgoden geofferd te hebben, uit de Kerk geworpen was), trad onverwacht te voor-j schijn. Deze man, die de eeuwige Godheid van Christus loochende, en Zijne éénswezenheid met den Vader ontkende, ofschoon hij Hem ook boven alle menschen, ja, zelfs boven de uitnemendste der engelen verhief — vond zeer grooten bijval. Wel is waar, hij werd in het jaar 325 op eene Kerkvergadering te Nicéa veroordeeld en allen die zijne ketterijen aanhingen uit de Kerk geweerd, maar toch was het Arianisme zoo doorgedrongen, dat het onder de regeering van Constantijn' de Groote in de Kerk het heerschende gevoelen werd, zoodat de belijders der waarheid werden vervolgd en zelfs de Roomsche bisschop Liberius, uit vrees voor de .groote bedreigingen hem aan gedaan, zich heeft laten bewegen, om eene Ariaansche belijdenis te onderteekensn. Treurige toestand voorwaar ! En toch, niet tegenstaande de Kerk zoo diep gezonken was, hield zij niet op de Kerk te zijn. Dit bleek toen Keizer Theodosius de Groote haar in haren vorigen luister herstelde, door eene kerkvergadering te Constantinopel, in het jaar 381 gehouden, waardoor die van Nicéa bevestigd werd en ie toen bestaande ketterijen, door ha've Arianen, Sabbelianen, Macedonianen en Appolinaristen voorgestaan, veroordeeld en uit de Kerk geweerd werden, en aldus de Kerk van Christus van verschillende dwalingen gezuiverd. :
Dan helaas ! De rust waarin zij toen verkeerde, duurde niet lang. Weldra slopen ' weder verscheidene andere dwalingen binnen, zoodat het zelfs den Bisschop van Rome gelukte zich in het jaar 606 een onbepaald gezag aan te matigen, door zich de Stedehouder van Christus te noemen. Gruwelijke daad voorzeker, waardoor de dierbare Verlosser als Koning Zijner duurgekochte Kerk werd verloochend, en Zijne kroon op het hoofd van een zondig schepsel geplaatst. Hoezeer werd nu het reeds zoo groote getal ketterijen vermenigvuldigd, die te wèl bekend zijn dan dat wij ze alle zouden noemen. De onkunde werd van dien tijd af als de moeder der devotie beschouwd. Voorzeker eene helsche list van Rome, om een verchristelijkt heidendom in te voeren, opdat hare schatkist door gewetensdwang zou gevuld worden. Het arme Godsvolk moest zuchten bij het diep verval der hutte Davids, waai zij de waarheid uit de Kerk zag wijken, om plaats te maken voor menschelijke inzettingen, waar de geestelijke dienst van God, de kracht der godzaligheid, werd gemist, en heidensche beeldendienst en afgoderij hare plaats vervingen. Doch waar zouden wij eindigen, ' wanneer wij al de destijds bestaande ellende wilden opsommen ? Wat dunkt u, ' zou ook toen de zucht tot scheiding bij enkele van Gods kinderen niet zijn.opgekomen? En toch hebben zij die Kerk niet verlaten. Men zou ons zeker kunnen wijzen op den tijd der Ariaansche twisten, toen een zekere Audens door den overmoed der Ariaansche geestelijkheid uit de Kerk gebannen is, omdat hij hare fouten aan het licht bracht en omtrent het zorgeloos leven haar bestrafte, en die zich na zijne uitwerping eenen aanhang verwierf, met welken hij de Kerk heeft verlaten. Maar wij vragen : zou den hierbij wel kinderen Gods geweest zijn? Geen enkel bewijs kunnen wij hiervoor vin den. Integendeel, wij zouden het tegenovergestelde kunnen bijbrengen, daar Aüdens en zijne volgelingen zich God voorstelden als hebbende eene menschelijke gestalte eene stelling toch, die zeer moeilijk te denken is in een van Gods kinderen.
Ook vinden wij in de geschiedenis van die dagen van geene scheiding gewag gemaakt, dan alleen van zulke menschen, tot het een of ander onrechtzinnig gevoel waren overgegaan. Geene pogingen toch van Gods volk zijn ons bekend, om zich van die Kerk, hoe diep ook vervallen, te verwijderen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's