Uit de Pers.
In „de Wachter" lazen we een stukje over Het doopen in tegenwoordigheid der moeder naar aanleiding van een vraag daaromtrent gedaan, in verband met een opmerking van 2 Geref. ouderlingen die bij 't huis bezoek aanmerking maakten, dat een kind van 19 dagen nog niét gedoopt was.
Het stukje luidt :
Op alle gebied wordt tegenwoordig het pleit gevoerd voor den invloed der vrouw. De lezing door dr. Sikkel nagelaten over de „Groote toekomst en de vrouw" stelt dit in een schoon licht. Nu willen wij niet zeggen dat haar plaats overal is, waar men haar een zetel aanbiedt. Maar wel kan niet genoeg nadruk worden gelegd op haar plaats in het gezin.
De grootste kracht van de vrouw ligt en moet liggen in haar moeder-zijn en in de opvoeding van haar kinderen.
Vooral in onze dagen ikomt dit te sterker uit nu het maatschappelijk leven zoodanig is ingericht, dat de vader in de meeste gezinnen bijna geen deel heeft aan de opvoeding van de kinderen. In de meest ontvankelijke jaren heeft de moeder verreweg het grootste aandeel van den omgang met de kinderen. De vader den geheelen dag of een groot deel van den dag afwezig, en soms thuis komende als de kinderen naar bed zijn
Daarom is het zeker gewenscht dat de moeder bij den Doop tegenwoordig zij, om mede op zich te nemen de verantwoordelijke roeping die aan den Doop vast ligt. Of is het geen eisch van den Doop dat de vaders ernstig beloven en voornemens zijn hun kinderen op te voeden in de leering en vermaning des Heeren ? Kan de Doop van dien eisch losgemaakt worden ? Als dat niet kan, dan geve men aan de moeder gelegenheid, om haar ja, met het ja van haar man te verbinden, om hem in De Verbondsopvoeding ter zijde te staan. En mag men de moeder het voorrecht onthouden van den zegen des Doops, die niet alleen is voor de Gemeente, maar bizonder ook voor de ouders, om hen te vertroosten door de belofte van het Genadeverbond ?
Al is de tegenwoordigheid der moeder dus niet noodzakelijk, zij is niettemin wel gewenscht.
Het beroep dat zoo vaak gedaan wordt op de besnijdenis onder het O.T. die ten achtsten dage geschieden moest heeft niet die bewijskracht, die men er gewoonlijk aan toekent. Bij de besnijdenis konden de vader en moeder beide tegenwoordig zijn, want op dien dag kon de man zijn vrouw ontmoeten, zonder verontreinigd te worden. De besnijdenis geschiedde in 'huis, en kon döor den huisvader verricht worden. Dat ze plaats vond ten achtsten dage was zeker, om zoo spoedig mogelijk het Sacrament toe te dienen, maar had ook een natuurlijke oorzaak, volgens het gevoelen o.a. van Lindius, die er op wijst, dat dit was : „Vermits het hetzelve in de kindtsheid zulke groote smarten niet ondervondt als volwassen zijnde, eensdeels vanwege de teederheit van de huydt, en anderdeels vanwege zijn zwakke verbeelding." De besnijdenis toch was ongemeen smartelijk, gelijk ook uit het voorbeeld van de Sichemieten blijkt (Gen. 34 vers 24, 25) maar naarhet beweren der Joden, zoo verhaalt L., gaat het bij de kinderen haast over, en is het om enkele dagen te doen. (Lundius Heiligdommen enz. Oude joden II, pag. 452).
Indien de besnijdenis ten achtsten dage het voorbeeld voor ons zou moeten zijn, om zoo spoedig mogelijk het kindeken te laten doopen, dan zouden we ons ook strikt aan dien dag moeten houden, en ook niet eerder tot den doop komen. Wil men er mee bewijzen, dat de moeder er niet bij tegenwoordig behoeft te zijn, zoo gaat het bewijs niet op, want bij de besnijdenis was ze wel tegenwoordig.
Laten we elkander toch niet moeilijk vallen om deze dingen.
We dachten dat er in dezen zich een mildere geest ruimte verschaft had sinds dr. Kuyper in , , Onze Eeredienst" geschreven had : (pag. 377) Betreurd moet worden dat sommigen een actie tegen de moeder drijven, als ware het opkomen van de moeder ten doop een soort Doop-bederf.
En op pag. 378 : Noodig is de tegenwoordigheid van de moeder stellig niet, doch, mits aan den vader de plaats blijve, die het verbond hem aanwijst, en het sentiment het sacrament niet ontziele, is ze niet ongewenscht. Niet ongewenscht, om de vreugde die het haar zelve schenkt. Niet ongewenscht voor den vader, die in zulke oogenblikken de vrouw zijner liefde gaarne bij zich ziet. Niet ongewenscht om den indruk die het om de moeder kan achterlaten."
In verband met het bovenstaande werd tegelijk iets gezegd aangaande de doopheffing.
„Daar bestaan onder ons geen regelen en voorschriften voor.
Die willen dat de vader het kind ten doop heffe, zeggen dat dit aan hem toekomt, om hier als hoofd van het gezin op te treden.
In de doop-heffing ligt echter niet het zwaartepunt. Ten slotte is het ondergeschikt wie het kind ten doop houdt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's