Uit het kerkeliik leven.
Bij den aanvang van den 12den jaargang.
Het is nu ruim elf jaar geleden, dat door onzen Bond, op een critiek oogenblik, besloten werd tot de uitgave van een eigen blad. Dat moest ons Bondsorgaan worden, ter verbreiding en ter verdediging van de Waarheid, die naar Gods Woord en onze belijdenisschriften is, in het midden van onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk.
Elf jaren liggen nu achter ons. Elf jaren, dat de Heere zoo goed was onzen Gereformeerden Bond te sparen en te bewaren, terwijl onze Bond groeide en sterker en grooter werd. Elf jaren, dat de Heere ons in Zijn goedheid wilde gebruiken om ons Weekblad te verzorgen en aan ons Bondsorgaan een goeden ingang wilde geven bij zéér velen,
Hoe groot zijn onze tekortkomingen. In onze organisatie en in onze Bondsactie en in ons redactiewerk ! We hebben ons nu elf jaren, door Gods ontfermen en met Zijn genadige hulp, aan de zaak die ons zoo lief is, mogen geven, van ganscher harte. Het is een zoo belangrijk stuk van ons leven geworden. We zijn er mee saamgegroeid. Maar — 't is nu weer een rustpunt, om even stille te zijn en de hand in eigen boezem te steken — maar wat zijn onze tekortkomingen velen. Wat hebben we dikwijls weinig van de dingen gevoeld, wat hebben we het weinig geestelijk gedaan dikwijls ; wat ontbrak de diepe afhankelijkheid, wat ging het vaak zonder gebed. O, we weten het wel, dat zijn dingen allereerst voor de binnenkamer ; 't gaat allereerst tusschen onszelf en den Heere, om bij deze dingen de ziele uit te storten voor Hem, die alle dingen ziet en weet. Maar we mogen er ook wel eens — als de gelegenheid zich daarvoor voordoet — met elkander over spreken. Want het heeft ons allen wat te zeggen. Vooral in deze moeilijke, vreeselijke crisisdagen welke wij nu beleven.
Dankbaar, innig dankbaar zijn we, dat onze Bond er nog is. Er is zooveel, zoo héél veel opgeruimd de laatste tijden. En onze „Waarheidsvriend" is er nog, terwijl er zoo vele bladen zijn verdwenen. En onze Bond groeit nog en onze „Waardheidsvriend" leeft nog. Dies zijn we verblijd en prijzen den Heere, Die barmhartig en genadig en goed is en ook in deze nog wil waarmaken dat Hij niet laat varen wat Zijn hand begon; en Die het nog wil bewijzen, dat Hij hoort en helpt degenen, die Hem mogen vreezen en op Hem mogen betrouwen.
En nu voort. Voort, terwijl de weg zoo moeilijk is.
Want we leven in moeilijke tijden I
In tijden, waarin zooveel staat te gebeuren, terwijl eigenlijk niemand weet, wat er gebeuren zal.
Gelukkig mogen we weten : De Heere regeert. De Heere houdt Zijn Kerk in stand. Dat behoeven wij niet te doen. Dat kunnen wij ook niet. En gelukkig ! wanneer we dat maar telkens weer mogen zien en mogen gelooven en het elkander mogen toeroepen.
De Almachtige God, Die in den hemel zit, regeert. En Hij is de God des eeds en des verbonds. Die trouwe houdt tot in eeuwigheid. Die Zijne oordeelen zendt op aarde. Die uittrekt met Zijn straffen. Die trouwe houdt tot in eeuwigheid en die ons en onze kinderen telkens terugroept naar Zijn Woord, opdat we in ootmoed zouden wandelen in het spoor der gerechtigheid.
Daar ligt dan ook de taak van onzen Geref. Bond. Dat heeft , De Waarheidsvriend" week aan week naar voren te brengen.
We zijn het rechte spoor kwijt. We zijn te samen afgeweken. In Staat en maatschappij, in Kerk en school en huisgezin.
En nu moet alles getrokken worden onder het schijnsel van Gods eeuwig blijvend Woord. Voor het kerkelijk leven hebben we een bizondere taak.
De Kerk van Christus ligt gescheurd. Dat mag niet. Dat is de zonde van onze vaderen en van ons. Alles wat gereformeerd voelt hoort bij elkaar. Allereerst in één Kerk. Het gescheiden van elkaar leven is zonde voor God. In deze booze tijden vooral. Gods Naam ontvangt er smaad door. De wereld lastert er den Heere temeer om. De kracht van de goddelijke waarheid, welke naar Gods Woord is, wordt er door gebroken en verzwakt. Het opkomend geslacht wordt verdeeld en verscheurd. Allerlei werk lijdt er onder.
In in onze aloude Hervormde (Gereformeerde) Kerk is nog zoo veel dat het Gereformeerd beginsel in den weg staat en ónder houdt. Dat is het wat ons aanklaagt, wat van ónze hand geëischt zal worden straks. Dat moet wèg. En kan het niet in ééns, dan toch geleidelijk ; stuk voor stuk.
Elf jaren liggen ook hierin achter ons nu. Jaren die ons aanklagen, daar er zoo weinig waarachtige droefheid is geweest over de breuke Slons, over de zonden des volks. Zoo weinig ware verootmoediging Zoo weinig aflaten van het kwade. Zoo weinig heilige ijver. Zoo weinig vurigheid van geest.
Dat hebben we nu te belijden voor God en voor de menschen.
En het zal ons moeten stemmen tot meer afhankelijkheid van den Heere, om meer ons ook te geven, saam ons te geven, voor de grootsche en moeilijke taak, die we ons voelen opgelegd, om te bidden voor den vrede van Jeruzalem en te ijveren met onze beste gaven voor de reformatie van onze aloude Hervormde (Gereformeerde) Kerk, van welke Kerk we in het midden des volks hebben te belijden, dat zij diep is weggezonken, maar waar toch nog telkens blijken van Gods gunst en genade mogen worden ervaren, welke ons uitlokken om, vertrouwend op den Naam des Heeren, niet te vertragen in het zoeken van alles wat dienen kan tot herstel van het huis des Heeren in dezen lande.
Daarvoor heeft de Heere onzen Bond ook reeds willen gebruiken.
We gaan vooruit. Het is in het midden van ons kerkelijk leven te zien.
Neen, die zich aangordt tot den strijd beroeme zich niet als een die het zwaard losmaakt en aflegt.
Er ligt zoo véél, zoo héél veel nog vóór ons.
Zullen we het eind van den strijd, dien we nu hier op het oog hebben, wel beleven r Misschien niet eens. Maar dat doet er ook niet toe. 't Is niet voor onszelf dat we strijden, 't Is om den wille van 's Heeren Kerk in dezen lande. En daarom, we moeten blind voor de toekomst, maar ziende in het gebod voort. Waarbij de Heere bewijzen wil, dat Hij niet laat varen de werken Zijner handen.
Want we gaan vooruit; ongetwijfeld. Het Modernisme krijgt tellcens weer een knauw. Al houden ze zich nóg zoo groot, ze gaan achteruit; alleen hier en daar door bizondere omstandigheden zich nog handhavend. En de Synodale organisatie waggelt. Zij heeft den langsten tijd geleefd. Zij is ten doode opgeschreven. Zonder eenigen twijfel En met de Gereformeerden wordt gerekend. Men weet, dat ze er zijn. Dat ze een belangrijke groep zijn. Lang heeft men het geminacht, dat ons volk ten slotte Gereformeerd voelt. Maar dat heeft dat Gereformeerde element niet kunnen dooden. Ons volk is een theologisch volk. En ons volk voelt voor de Gereformeerde Waarheid. Al kan met het niet altijd zoo precies zeggen : hoe en waarom ; maar men is gedrenkt met de Calvinistische beginselen. In Kerk en school en huisgezin komt dat telkens uit. En onze Gereformeerde Bond heeft de bewijzen, dat er met hem gerekend wordt. De actie is niet zonder resultaat gebleven. En er staat nog méér te gebeuren ; wie weet hoe spoedig !
Daarom moeten we mobiel zijn. En we moeten op elkaar aan werken, allen die Gereformeerd voelen. We hooren bij elkaar. We moeten voelen, dat kracht verspillen in onze moeilijke tijden groote zonde is. Eendracht maakt macht. Kleine krachten worden dan sterk. Terwijl de vijand goed weet, dat er waarheid ligt in het woord : „verdeel en heersch."
't Gaat niet om óns beginsel; niet om ónze zaak.
We hebben Gods Woord.
We hebben onze aloude Gereformeerde belijdenisschriften.
En uit dit beginsel hebben we te leven, daórvoor hebben we te strijden. Te strijden en te ijveren in het midden onzer Hervormde (Gereformeerde) Kerk.
De Heere zal dan onze sterkte zijn. En Hij is een sterk God voor zwakken.
Dan is 't: niets uit ons en alles uit Hem.
Wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen ; de Heere zal het ons doen gelukken.
Doen gelukken.
Want we leven in crisisdagen. Waarin de satan woelt en werkt. De booze werken worden openbaar. Maar het Koninkrijk Gods komt en zal komen. Jezus Christus leeft. En nog is het einde niet. Een nieuwe toekomst staat geboren te worden. En nog is het einde niet. Gods Woord heeft groote kracht. Sion zal worden vergaderd. Christus Kerk zal opstaan uit het stof. Nog is het einde niet. Daarom wacht het werk ons ; het werk Gods en niet des menschen. Het werk des Heeren, dat het leven voor ons allen zoo gewichtig maakt.
Voelen we er iets van ?
Dat het leven zoo gewichtig is ?
Voort, voort dan ; als zwakken die een sterken God mogen kennen. „Onze huipe staat in den Naam des Heeren, die den hemel en de aarde gemaakt heeft." Voort; als soldaten die een Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs hebben in Jezus Christus. Neen, nog is het einde niet. Groote dingen staan te gebeuren. En Christus' Kerk krijgt nog een groote taak in het midden des volks en in het midden der natiën.
Neen, laat ons niet zeggen : „Het is genoeg, neem nu, Heere, onze ziele van ons." Want veel en groot werk wacht ons. Omdat de Heere ons voorbijgegaan is, niet in een grooten wind, scheurende de bergen en brekende de rotssteenen, ook niet in een aardbeving ; ook niet in vuur.
Ja, de stormen zijn er, de aardbeving is er ; het vuur is gezien.
Maar de HEERE, de God des eeds en des verbonds, is ons voorbijgegaan in het euizen van eene zachte stilte.
Dat heeft ons wat te zeggen. Dit, dat de kinderen Israels moeten voorttrekken.
Waarbij onze bede is : „Dat Uw aangezicht in vriendelijkheid over ons lichte, o HEERE, in Jezus Christus !"
Dat zij zoo i
De Gereformeerden en dé Ethischen
XIV.
Men vertrouwt de ethisohen niet wat hun Schriftbeschouwing betreft. Zij houden er een filtreer-methode op na. Niet den heelen Bijbel nemen ze, zooals deze daar ligt. Maar ze gaan aan het uitzuiveren. En het goede willen ze gaarne aannemen, maar er is heel héél veel, dat ze niet aannemen, zooals het daar ligt. Als zij een Bijbel moesten geven, dan zouden ze ons vast een anderen voorzetten dan we nu hebben, ,
Op den preekstoel komt dat niet zoo uit. Daar doen de ethischen over 't algemeen of ze den Bijbel nemen zooals deze is. Maar in werkelijkheid denken ze er anders over. En natuurlijk, dat zoo'n tweeërlei Schriftbeschouwing den menschen over het algemeen niet aanstaat. De menschen hebben liever dat de dominé's maar net zeggen, hoe ze er over denken ; over het Scheppingsverhaal, over de paradijsgeschiedenis, over de geschiedenis van den val, over de zondvloedgeschiedenis, over de aartsvaders, over Mozes, de wetgeving, de woestijnreis, den intocht in Kanaan, Jozua, Richteren, Ruth, enz enz. Ook wat het Nieuwe Testament aangaat : wat ze denken van de Evangeliën, van het Evangelie van Johannes, van de n brieven van Paulus, van het boek de Openbaring, enz. enz.
De menschen vertrouwen de ethische dominé's in deze niet al te best. Wat b.v. ook weer bleek uit een ingezonden stuk van een ethisch gemeentelid, dat in 't ethisch weekblad „Bergopwaarts" z'n hart aldus uitstortte ;
Geachte Redactie,
Het is een algemeen bekend feit — en er wordt haast tot vervelens toe op gewezen — dat steeds meerderen zich van Kerk en Godsdienst afwenden. En dat in niet geringe mate de „meer ontwikkelden". Ik wil nu hier niet trachten — trouwens, ik zou daartoe ook niet in staat zijn — alle (psychologische) oorzaken van dit verschijnsel op te sporen, temeer, waar „Bergopwaarts" indertijd aan dit verschijnsel in ruime mate hare aandacht heeft geschonken, doch slechts wijzen op één der oorzaken, die m.i. in geen geringe mate aan dit gebeuren debet is.
't Heeft mij n.l. niet zelden ten hoogste „getroffen", dat zeer vele predikanten er tweeërlei opvatting omtrent den inhoud des Bijbels op na houden.
Eén opvatting, die ten tooneele komt op den preekstoel en in vergaderingen-vaneenvoudige-menschen, en een óndere opvatting voor studeerkamer, congres en (wetenschappelijk) tijdschriftartikel.
De eerste opvatting van : de Bijbel is van a—z woordelijk waar, aUe als geschiedenis gegeven feiten zijn werkelijk en precies zoo gebeurd ; en de tweede opvatting van : de Bijbel is 'n theologisch-wijsgeerig boek, geeft Oostersche geschiedbeschrijving en de geschiedenissen moeten niet letterlijk (Genesis 1 en 2, Jona, enz.) worden opgevat, enz. enz
Nu heb ik het niet over de superioriteit van de eene opvatting op de andere, maar slechts hierop wil ik wijzen, hoevele predikanten door hunne halfslachtige, of liever tweeslachtige houding in deze kwestie het vertrouwen van ontwikkelde leeken, waar het 'betreft hunne beschouwingen omtrent den Bijbel en de grondwaarheden van den godsdienst verloren hebben.
Een dominé, die op den preekstoel staat, wordt door hen niet meer „au sérieux" genomen. Hij preekt volgens de traditie. Een zijn eigen Bijbelbeschouwing bergt hij zorg vuldig op. En hij moet dat wel doen, want een groot deel der gemeente zou raar opkijken, zoo dominé liet blijken, wat hij geloofde, of liever, wat hij niet geloofde.
Niet dat de predikanten er een meening op na houden, die tegenover de hunne staat, maakt dat menigeen zich van hen en tevens van de Kerk afwendt, maar dat de „voorgangers" er twee verschillende beschouwingen beurtelings, naar gelang van omstandigheden, lanceeren.
Laat een predikant eerlijk zijn. En begrijpen, dat iemand, die z'n huik naar den wind hangt, nooit in eene benijdenswaardige positie verkeert. En bovendien — wie uitkomt voor zijne meening, staat meestal gemakkelijker, dan wie „schippert" en „op twee gedachten hinkt." Door waar te zijn, moeten de predikanten het vertrouwen in hun woord behouden (herwinnen ? ? )
Dat ik u dit „ingezonden" toezond, geachte Redactie, vindt grond in het feit, dal, naar ik weet, meerderen door deze dubbele houding „gehinderd" worden.
Met vriendelijken dank,
EEN LEEK.
De Redactie teekende toen bij dit stuk aan : De kwestie, door den inzender te berde gebracht, is belangrijk genoeg om er uitvoerig op te antwoorden. We hopen er dus in een der eerstvolgende nummers op terug te komen. (Red.)
In een paar nos. later schreef prof. Obbink over deze kwestie een hoofdartikel. Dat laten we ook hier volgen :
Tweeërlei Schriftbeschouwing.
In het laatste nummer van den vorigen jaargang van dit blad stond een „Ingezonden" van een „Leek", waarin de opmerking werd gemaakt dat vele gemeenteleden hunne predikanten niet meer vertrouwen, niet zoozeer omdat de predikanten-theologie afwijkt van die der gemeente, maar omdat men de predikanten ervan verdenkt, dat ze er tweeërlei theologie op na houden, ééne voor de studeerkamer en wetenschappelijke samenkomsten, en ééne voor den preekstoel. De schrijver heeft vooral de Schriftbeschouwing op het oog, met name de Bijbelcritiek, welke door de predikanten zorgvuldig van den preekstoel wordt geweerd. De schrijver vindt dat tweeslachtig, en wil wat meer „eerlijkheid."
De opmerkingen van den schrijver hebben vermoedelijk vooral betrekking op de ethische predikanten. Immers de Confessioneele en Gereformeerde predikanten plegen zich ook op wetenschappelijke vergaderingen niet uit te laten ten opzichte van hun Bijbel-kritische opvattingen. Zij kunnen dus moeilijk van tweeërlei theologie worden beschuldigd.
De modernen evenmin, want die gaan er prat op, dat ze de resultaten der Bijbelkritiek ijverig voor de gemeente brengen, en niets achterhouden van wat ze te dien opzichte gelooven.
Het zijn dus de Ethischen die voor de vierschaar worden geroepen. En 't bedoelde „Ingezonden" geeft gereede aanleiding te zeggen, hoe ik persoonlijk over de zaak denk. Want of alle ethischen er ook zow over denken, weet ik niet. Ik spreek dus al leen voor mijzelf.
En dan begin ik met volmondig te erkennen, dat ik op den preekstoel andere dingen zeg (en ook de dingen anders zeg) dan op den katheder. Waarom ? Om dezelfde reden waarom een medisch professor bij het ziekbed staande, ook andere dingen zegt dan in de collegezaal. Een preekstoel is nu eenmaal een heel ander ding dan een katheder, en de man die daar staat te spreken, staat er met heel andere bedoelingen. In de collegezaal en in de wetenschappelijke vergaderingen gaat het om theologie, in de Kerk gaat het om religie. En religie en theologie zijn twee verschillende dingen. Een predikant, die het noodig oordeelt om in de Kerk een betoog te houden over de historiciteit van Genesis 3 ziet mij nooit weer onder zijn gehoor, onverschillig of hij de historiciteit handhaaft of niet. Want om van die dingen wat te weten te komen, weet ik wel betere wegen dan de weg naar den preekstoel. Ik kom in de Kerk om gesticht te worden en opgebouwd in mijn geloof, en het is mij nog nooit gebeurd dat ik door eene theologische verhandeling over de echt heid of onechtheid van een Bijbelboek werd gesticht. Het kan mij in de Kerk ook niets schelen, of de predikant, die uit Job preekt, aan de historiciteit van Job gelooft of niet, of dat hij het boek Daniël voor oud of voor jong houdt, of hij veel of weinig Psalmen aan David toeschrijft, enz.
In de Kerk moet de predikant mij de presente werkelijkheid laten zien van de stof die hij behandelt Of de geschiedenis van Bileam zich werkelijk zoo heeft toegedragen als daar staat, interesseert mij bijzonder weinig, maar een predikant die over die geschiedenis preekt, moet dat zóó doen, dat het verhaal tot mijn geweten spreekt, moet het tot presente werkelijkheid maken.
Dr. Cramer heeft indertijd in Den Haag zijne befaamde „kritische preeken" gehouden. Ik heb dat eene ernstige fout gevonden. Niet omdat ik bang was dat de gemeente zou weten hoe kettersch de ethischen zijn, want aan ieder, met wien ik er over sprak, heb ik gezegd, dat ik het wetenschappelijk standpunt van dr. Cramer zonder voorbehoud deelde — maar omdat ik het een ongeoorloofd gebruik van den preekstoel achtte. En dat doe ik nóg. Daar waar de menschen komen, uit religieuze en niet uit theologische motieven, daar waar iemand eene vraag stellen kan, als hij iets niet begrijpt, daar waar men uiteraard slechts volstrekte uitspraken kan doen en niet kan argumenteeren, daar waar een groot aantal menschen zitten, die tegenover deze dingen volstrekt onverschillig staan, of er zich aan ergeren — daar behooren die kwesties niet thuis.
Maar er zijn er toch ook onder de hoorders die er zich in hooge mate voor interesseeren ? Moeten die dan met een kluitje in het riet worden gestuurd ? Natuurlijk niet. Maar voor dezulken is er gelegenheid te over om er mee in kennis te komen. In noem slechts : de catechisatie (op sommige catechisaties kunnen die dingen zeer goed worden behandeld), lezingen, persoonlijk gesprek met den predikant, enz. Tegenwoordig ook vooral de Volksuniversiteiten, die alle een tamelijk groote plaats inruimen aan theologische onderwerpen. Dezen winter houd ik te Amsterdam en te Utrecht een cursus aan de Volksuniversiteit over den godsdienst van Israël, en behoeft niét één mijner hoorders in onzekerheid te verkeeren omtrent mijne Schriftbeschouwing. Maar als ik straks weer te Amsterdam of te Utrecht preek, vernemen ze er niets van.
Er was eens een dokter, die bij een ernstig nierlijder werd geroepen. En toen hij bij het ziekbed stond, begon hij te vertellen hoeveel soorten van nierlijden er wel zijn ; hij sprak van chronische en subacute en embolische en suppuratieve nefritis, en hoe die verschillende soorten plegen te verloopen, enz. En toen begon hij overluid te constateeren aan welke van de genoemde soorten deze patiënt misschien leed, en welke behandeling was aangewezen En men vond het nog niet eens een beste dokter, die toch zoo heelemaal , de waarheid" zei, en zoo heelemaal eerlijk was.
Zóó ongeveer beschouw ik den predikant, die met theologische theorieën op den preek stoel komt. Natuurlijk gaat ook deze vergelijking mank als elke andere, maar een goed verstaander voelt wel den zin. En een slecht verstaander ? Voor hem is dit een aardig slakje om er zout op te leggen.
Zoodat ik maar zeggen wil, dat dat schijn baar tweeslachtige niets anders is dan eisch van gezond verstand en behoorlijke paedagogiek, waarvan de juistheid op alle ander gebied onmiddellijk wordt erkend.
De schrijver van het „Ingezonden" ziet : ik ben op dit punt onverbeterlijk en als hij eens bij mij in de Kerk komt, moet hij maar denken, dat hij geen kans heeft van theologische kwesties ook maar iets te hooren. Wél heb ik plan om straks in „Bergopwaarts" over allerlei Oud-Testamentische kwesties te schrijven.
H. Th. O.
Op dit schrijven van prof. Obbink willen we gaarne nog even terug komen in een volgend artikel.
(Wordt vervolgd).
Reglement op de Predikantstractementen.
Ook dat Synodale voorstel is nu aangenomen en treedt gedeeltelijk 15 Jan. a.s. in werking.
Vanaf 15 Jan. 1621 behoren de kerkvoogdijen te zorgen voor de minima tractementen en mogen de Kerkelijke Besturen geen aanvragen om handopening meer doorzenden voor beroepingen waarbij het minimum niet gewaarborgd is.
Daar zullen dus de vacante gemeenten rekening mee moeten houden en aanstonds de ligger — zoo noodig — moeten veranderen ; maar ook de gemeenten, die een dominé hebben, moeten vanaf 15 Jan. a.s. een ligger hebben en daar naar uitbetalen, overeenkomende met het nieuwe Reglement (Ze mogen wel hooger, maar niet lager zijn).
Gemakshalve laten we hier nog eens enkele bepalingen volgen :
Art. 1.
Het minimum-predikantstractement bedraagt :
a. een aanvangstractement van ƒ2500 voor gemeenten met minder dan 1500 leden per predikantsplaats ; ƒ 3000 voor gemeenten met 1500 tot 3000 leden per predikantsplaats ; ƒ 3500 voor gemeenten met meer dan 3000 leden per predikantsplaats.
b. vrije woning of vergoeding daarvoor.
c. twaalf tweejaarlijksche verhoogingen van ƒ 160.
d. kindergeld voor kinderen tot 6 jaar ƒ25 ; voor die van 6 tot 12 jaar ƒ50 ; voor die van 12 tot hunne meerderjarigheid naar de burgerlijke wet ƒ 100 per kind.
In gezinnen met meer dan 3 kinderen wor den de kindergelden met 50 % verhoogd voor het aantal kinderen, waarmee het drietal wordt overtroffen van de vierde af gerekend ; voor kinderen, die tot den gevestigden stand zijn gekomen wordt geen kindergeld meer genoten. Onder gevestigden stand wordt verstaan het hebben van één inkomen van op zijn minst ƒ800.
Art. 2.
De bepaling van art. 1 a geldt niet van gemeenten met minder dan 100 leden.
Art. 4,
Ter verkrijging van tweejaarlijksche verhoogingen wordt in rekening gebracht de geheele diensttijd van den predikant.
De jaren, die een predikant als hulpprediker heeft gediend, tellen mede bij de berekening van zijn recht op verhooging.
Art. 6.
De gemeenten verstrekken het minimumaanvangstractement met vrije woning of vergoeding daarvoor, bedoeld in art. la en b. Zij vinden dit door het rijkstractement, de inkomsten uit pastoriegoederen en andere bezittingen en rechten, bepaaldelijk bestemd voor het predikantstractement, de inkomsten uit de kerkegoederen en verder door die middelen, die zij zelf het meest verkiesdtjk achten.
Eerst wanneer eene gemeente niet bij machte is het minimum-aanvangstractement met vrije woning, of vergoeding daarvoor bijeen te brengen, kan eene toelage worden verkregen uit de kas voor de predikants tractementen.
Art. 7.
Uit de kas voor de predikantstractementen worden de verhoogingen en de kindergelden genoemd in art. Ie en d betaald.
Wat blijkt dus ?
Dat elke gemeente vanaf 15 Jan. 1921 zorgen moet minstens voor het minimumtractement benevens vrije woning of vergoeding daarvoor. (Hooger tractement dan het minimum mag wél ; lager niet.)
Dat moet dadelijk ingaan nu ; en door eigen geiüeente worden uitbetaald.
Maar dan volgt nog iets anders ; en dat begint pas over een jaar, en wel 15 Januarit 1922.
Vanaf dien datum (15 Jan. 1922) beginnen de tweejaarlijksche verhoogingen en kindergelden van kracht te zijn. Die worden dan niet door de plaatselijke kerkvoogdijen betaald, maar vanwege de Synode, die daar toe in 1922 een „kas voor de predikantstractementen" zal stichten ; welke kas gevuld zal moeten worden door bijdragen uit de gemeenten, die daartoe elk door een Raad van Beheer zullen worden aangeslagen voor een bedrag, evenredig aan haar draagkrachten en het aantal predikantsplaat sen, dat in elke gemeente bestaat.
Er zal dus niet vanwege de Synode een hoofdelijke aanslag over alle Hervormde leden in den lande komen, zooals de eerste opzet van het Reglement was. Nu zal er een aanslag komen over de afzonderlijke gemeenten ; en hoe Amsterdam, Garderen, Balk, Onstwedde, Heerlen, Middelburg, enz. enz. het bedrag, waarvoor ze aangeslagen zijn, bijeen willen brengen, zullen zij zelven te beslissen hebben, als het er maar komt!
Het Reglement zegt daarvan :
De kas voor de predikantstractementen.
Art. 8.
De kas voor de predikantstractementen wordt gevormd door :
a. Bijdragen van de gemeenten ;
b. Andere middelen.
Art. 9,
De bijdragen der gemeenten worden bepaald naar hare draagkracht. Hierbij wordt rekening gehouden met de inkomsten uit kerkegoederen en pastoriegoederen, en de inkomsten van de leden der gemeente, maar ook met hetgeen de gemeenteleden voor de behoeften van de eigen gemeente moeten opbrengen.
Gemeenten, die bezwaar hebben tegen de van haar geëischte bijdrage, kunnen zich beroepen op den Raad van Beroep.
Art, 10.
De vaststelling en de inning van de bij dragen voor de kas van de predikantstractementen wordt geregeld in een afzonderlijk reglement, door den Raad van Beheer te ontwerpen en door de Synode goed te keuren.
De Raad van Beheer moet dus nu aan het werk. Deze zal 3 Dec. worden geïnstalleerd en bestaat uit de h.h. ds. Eilers de Haan, predikant te Heiloo ; N. Koomans, te 's Gravenhage ; C. W. E. van Voorst van Beest te Maarssen ; mr. J. W. Koppius te Arnhem ; Joh. de Breuk te Haarlem ; D. Bloemers te Zwolle en mr. J. H. Bybau te Roermond.
Deze Raad van Beheer, die voor een groot deel uit onbekende personen bestaat en voor een belangrijk deel uit moderne menschen, zal spoedig een directeur moeten benoemen (zie art. 13), om dan aan het werk te gaan.
Wat het resultaat zal wezen ?
We weten het niet. Maar nu het Reglement er eenmaal is, moeten kerke'raden en kerkvoogdijen alles doen wat mogelijk is, om deze zaak goed te laten marcheeren.
Want de gemeente moet zelf voor haar herder en leeraar zorgen, dikwijls beter dan tot nu toe I
En uit de algemeene kas moeten dan de twaalf tweejaarlijksche verhoogingen van ƒ 160.—, benevens de kindergelden worden betaald.
Die algemeene kas moet dus geld hebben.
En het hangt nu van de kerkvoogdijen en kerkeraden af, of dat geld — ook voor eigen predikant(en) noodig — er komen zal
In menige pastorie is de nood op het hoogst geklommen. Niet zelden wordt gebrek geleden.
En waar de geestelijke leidslieden slecht worden bezoldigd, keert dit terug op de gemeenten, tot groote en onberekenbare schade !
Gebiede de Heere nog het goede over ons volk en over onze Herv. (Geref.) Kerk 1 en geve Hij, dat de gemeenten hoe langs hoe meer mogen gaan beseffen, wat hooge roeping ze ook in deze hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's