De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Toen zeide ik : Zie ik kom ; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ps. 40 vers 8.

ZÏE, IK KOM.

Wij hebben hier te doen met een Messianschen psalm. Zeer duidelijk wordt daarn geprofeteerd van de komst van Christus, maar ook van Zijn bitter en geduldig lijden. Versta dit echter niet zóó, alsof David hier louter van zichzelf gesproken heeft en dit nu toevallig op Christus van toepassing is. Zeker, Koning David is door lijden heen tot grootheid gekomen, en uit dat lijden heeft hij zijn klacht tot God opgezonden. Maar dat móést zoo zijn, naar den Raad Gods, opdat het beeld van Christus in zijn leven geteekend zou zijn. Israels koning is in dat lijden gevoerd, heeft die nooden gekend en heeft die woorden leerenuitspreken, opdat uit dat alles zou voortkomen het beeld van den Grootsten Koning. De Heilige Schrift laat alles voortkomen uit den Raad-Gods. De historie is aflezing van wat in Gods Raad van eeuwigheid staat.

Zoo is ook heel onze psalm een beeld van Christus. Maar het is zooals met een schilderij of photographie. Het geheel geeft ons een schoon beeld, maar op een bijzonder gedeelte valt alle aandacht. Dat is 't sterkst belicht. En alles groepeert zich om dat ééne. Zoo is heel onze psalm Messiaansch. Maar de bovengeplaatste woorden zijn het sterkst belicht. Zij spreken ons van de komst van den Messias.

Het zou ons kunnen bevreemden wat wij in het voorafgaande vers lezen. Daar staat toch dat de Heere geen lust heeft gehad aan slachtoffer en spijsoffer ; dat Hij brandoffer en zondoffer niet geëischt heeft. Hoe nu ? ... En de wetten van Mozes zijn er vol van ? Neen, zoek hier geen tegenstrijdigheid in ie openbaring Gods. Wij hebben hier te doen met de machtige profetische taal van den heiligen zanger, een levendige voorstelling van dien tijd dat er geen slachtoffer en brandoffer meer noodig zal zijn, van dien tijd dat „Hij het eerste wegneemt, om het tweede te stellen." Eens zal Christus, in Zijn weg vanaf de kribbe tot het Kruis zeggen : Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, o God" De God Israels is niet als de goden der heidenen, die slachtoffers eischten en daarmee uit! Maar Israels God geeft het offer der eeuwige liefde. Hij geeft Zijn eenig geboren Zoon, door Wiens komst naar deze wereld alle schaduwdienst der wet zijn rijke vervulling kreeg.

Zoo wordt ons door deze levendige, profetische voorstelling de gansch éénige beteekenis van Christus' komst gepredikt. „Hij heeft met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden." Alléén Hij heeft genoeggedaan. en dat als Plaatsbekleeder Zijner Gemeente. Zijn gerechtigheid en heiligheid is de eenige rijkdom van Gods volk. Door Zijn voldoening is de schuld tot op den laatsten penning toe betaald. Ten volle heeft Hij de straf gedragen ! Inderdaad, de offerande van Christus is het één en het al voor Zijn gemeente. „Zie, Ik kom." Zoo stelde Hij zichzelf als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker van zondaren aan den Vader voor.

Als de Heere dan ook met Zijn Geest in onze harten werkt, blijft er ten slotte niets anders over dan alleen achter dien Eénige te schuilen. Zijn werk alleen kan voor God bestaan. En welgelukzalig is de mensch die enkel en alleen wil steunen op de genoegdoening van Christus.

Daar is heel wat toe noodig ! Klaar en duidelijk hebben wij dan te verstaan dat wij midden in den dood liggen en dat wij onbekwaam zijn om eenig geestelijk goed te doen, al zouden wij daarvoor ook alle krachten inspannen. Alle valsche steunsels vallen dan weg ! Wij waren eerst nog al godsdienstig in eigen oog. Maar als wij geestelijk worden, en de wet ons geestelijk wordt, worden alle onze werken zóó nietig en overdekt met zonden, dat wij er ons over verwonderen dat wij ons er ooit op hebben durven verheffen Het is ook zoo moeilijk om met niets in de handen tot God te komen, en als een zondaar voor Hem neer te knielen, dragende het vervloekende oordeel van de wet des Heeren. Toch wordt een ieder die in de leerschool des Geestes is er onwederstandelijk heen gedreven. Hij werpt ten slotte al zijn gerechtigheden weg als een wegwerpelijk kleed. Wat heb ik er aan ? Zij kunnen mijn schuld niet bedekken, zij kunnen mij niet beveiligen voor dood en eeuwigheid. Wat is een stroohalm ? Wat beteekent hij om een kloof te overbruggen ?

Als ons eigen werk is een stroohalm. Zuilen wij er de klove mee overbruggen die er is tusschen God en onze ziel? Wat is een enkele druppel water bij een oplaaiend vuur ? Onze werken zijn als een druppel water bij het vuur van Gods heiigheid. Dwaas mensch, die ik ben, meenende met m'n eigen werk te kunnen bestaan voor iiet eeuwig, geestelijk, heerlijk Wezen des Heeren ! Een zondaar voor God te zijn. Daarop komt het aan. Niets meer dan een goddelooze. Maar wat is het dan heerlijk dat Christus eens zeide : „Ik kom, om Uwen wil te doen, o God." Door Zijn werk is de klove overbrugd. En het is zalig zich zonder wantrouwen op dat volkomen werk van Christus te verlaten.

Niet minder beluisteren wij uit de bovengeplaatste woorden de bereidwilligheid van Christus, die zich in Zijn komst openbaarde. Vrijwillig heeft Hij de heerlijkheid verlaten, die Hij bij den Vader had eer de wereld was. Vrijwillig daalde Hij neder in de diepste vernedering. Hij was rijk en is vrijwillig arm geworden. „Zie, Ik kom" heeft Hij uitgesproken, met eene volkomen overgave aan den wil Zijns Vaders. Dit is ook een kenmerk van heel Zijn leven op aarde. Bereidwillig was Hij om de ellendigen te helpen, om de kranken te genezen, om de dooden te doen verrijzen ; om verzocht te worden van den satan, om den drinkbeker des lijdens te drinken dien de Vader Hem te drinken gaf. Altijd zeide Hij : „Zie, Ik kom, om Uwen wil te doen, o God", ook toen Hij door Gethsémané en over Golgotha heenging in de diepste versmading van hel en dood.

Hierin ligt veel vertroosting voor in het heilige schuchtere zielen. Het is toch voor iemand die het woelen der zonde in eigen hart kent vaak moeilijk te gelooven dat er ook voor hem vergiffenis bij God is. Hij ziet zich ver verwijderd om 's Heeren gunst, omdat hij zoo ver verwijderd is van wat de Heere van hem vraagt. Wijl hij nauw leerde leven met de geestelijke wet van zijn God, is hij ook in alles 'n overtreder. Gedurig is daar een aanklacht, die hem brengt in de diepte van schuldgevoel. Mocht hij wel eens hopen op Gods genade, die hoop wordt hem wreed afgebroken door de vrees, die zijn hart bekruipt. Hij mocht zich eens aan onvergeeflijke zonden hebben schuldig gemaakt. Wat al zorgen drukken zijn ziel ! Somber gaat hij zijn weg. "Hij smeekt om licht, en 't wordt steeds meer donker. Hij roept om uitkomst, maar het schijnt alsof zijn weg van alle kanten toegemuurd wordt.

Hier moet de Geest des Heeren zelf den weg banen. God Zelf moet Zijn zoekend kind bij.de hand nemen, en rust geven aan het hart dat moegepeinsd, moegestreden en moegebeden dreigt weg te zinken in een zee van smart Maar zie, dit doet de Heere vaak door voor oogen te stellen de gulle bereidwilligheid van Christus, die het kenmerk is van al Zijn zaligend en reddend werk. Daarom moet elk zoekend hart alleen op Christus gewezen worden.

Blijf niet wroeten in uw eigen zielsgestalten, want gij werkt u hoe langer hoe vaster. Maar uw blik moet gevestigd op den Christus der Schriften. Op Hem alleen, zooals de doodsbenauwde Israëlieten in de woestijn moesten opzien naar de koperen slang. 

Ga eerlijk de Evangeliën na en vraag u dan af of er iemand tevergeefs tot Christus toevlucht zocht, of Hij niet altijd bereidwillig was om een Redder te zijn uit benauwdheden. Ja, Hij was het tot in den dood des Kruises. Zou er dan ook voor u geen genade zijn? „Zie, Ik kom." Zóó sprak Hij. ; Zóó spreekt Hij nog. Van dien kant alleen ' komt het lichtschijnsel der genade in de duisternis onzer zonde ; een teug water voor den dorstige ; hoop voor den moedelooze ; sterkte in en door het gebed, en ten slotte ook de verzekerdheid des geloofs : al klaagt mij mijne conscientie aan, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd heb, nochtans schenkt God mij uit loutere genade de volkomene gerechtigheid en heiligheid van Christus.

De hierboven geplaatste woorden spreken ook van de n o o d z a k e 1 ij k h e i d van Christus' komst. „In de rol des boeks is van mij geschreven". Eigenlijk staat er : is mij een voorschrift gegeven ! De gezegende komst is Hem voorgeschreven. Hij kan er niet meer aan ontkomen. Voorgeschreven in de gansche openbaring der Heilige Schrift, die aan Zijn komst voorafging. En wij denken aan de gedurige herhaling in de Evangeliën : „opdat de Schrift vervuld zou worden". Zelfs bij de kleinste dingen werd dit nog vermeld, bij het spreken over de medekruiselingen, bij het verraden om dertig zilverlingen, bij het niet gebroken worden der beenen, bij het koopen van den akker des bloeds. Ja zelfs in zulk een machtig oogenblik als dat Zijner overlevering, zegt de Heere tot Petrus : „het zwaard weg! Hoe zal anders de Schrift vervuld worden."

Eerst is daar het woord, en dan komt de zaak. Het was toch ook zoo bij de Schepping. En God zeide : „er zij licht", en toen kwam het licht. En zoo is het nu ook bij de komst van den Heere Jezus. Er was een levenswoord uit den mond des Heeren uitgegaan : daar zij een Messias. Zoo is de Messiaansche profetie, als één geheel genomen, niet anders dan één machtig scheppingswoord van Jehova : „de Messias kome." En als het antwoord daarop spreekt de Christus zelf : zie, ik kom ; in de rol des boeks is het mij voorgeschreven.

Hieruit mag zeker de Gemeente des Heeren in onze dagen sterkte putten in de overtuiging van de vastheid van Gods Woord. Dit sta echter steeds voorop dat er geen andere Christus is dan Die der Schriften. Maar dan is altijd het woord voorafgegaan en de zaak volgde. Wij moeten ook in onze dagen bij het Woord Gods leven. Daarmede moeten wij het doen. En wij stemmen toe dat dit vaak zeer moeilijk is. Het wil wat zeggen, voor eigen zieleleven vast te houden aan wat de Heere den Zijnen belooft, Als b.v. de Heere zegt : „Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten" : „in de benauwdheid ben ik bij u" ; en nog zoovele andere rijke toezeggingen. Daarvan niets te zien, niets als een zaak die voor oogen is, en het toch te gelooven.  Verwonder u niet over den twijfel, die vaak den allerheiligste kan doen schudden. Maar het moet er bij een ieder om gaan in Christus te zijn. Dan gaat de Schrift voor ons leven. Dan is 't ook voor ons 't levende scheppings woord. Wat geschreven is in de rol des boeks gaat aan de ontwikkeling van de daad vooraf. Het Woord Gods blijft in der eeuwigheid ; en dit is het Woord dat onder ons verkondigd is. Het hangt er maar van af of wij deel aan Christus hebben ! Dan leeft het Evangelie in ons als een sprake Gods, het Evangelie met al zijn beloften. ' „Er zal eenmaal een nieuwe hemel zijn en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid : wonen zal". Het schijnt in onze dagen op heel iets anders uit te loopen. Een aarde, ; waarop ongerechtigheid wonen zal. Maar zoo zeker als Christus eens naar deze were!d kwam, wijl in de rol des boeks van . Hem geschreven was, zoo zeker zal Hij ook eenmaal wederkomen. „Zie ik kom, in de rol des boeks is van mij geschreven".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's