Feuilleton.
Mogen wij de Herv. kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door ds. A. VAN VEELO, destijds ±1881 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam.
14)
De .godvruchtige Thomas Watson zegt in zijne „Verzameling van uitmuntende leerdenen", in de eerste verhandeling, blz. 68, ': „Eene scheur in Gods Kerk te maken is erger dan de afgoden te offeren.
Het was niet vreemd als de hoer zeide : Laat het kind gedeeld worden", maar zulks van de moeder te hooren is droevig. Dat de wolf het lam verslindt is gemeen, maar dat het eene lam het andere ombrengt, is zoo onnatuurlijk als beklagelijk. Dat Christus ene lelie onder de doornen is, dat is gebeurlijk ; maar dat deze lelie zelve een doorn wordt om zichzelve te prikkelen en te verwonden, is vreemd. Hoe zal Christus dit van onze hand opnemen ? Wil Hij niet dat Zijn leed gescheurd wordt, hoe zal Hij dan het scheuren van Zijn lichaam verdragen.
De voorzichtige en oordeelkundige Schrift verklaarder Jacobus Durham zegt in zijne , , Uitlegging van de Openbaring van Johannes", Ie deel, blz. 180, 181, in zijne verhandeling over Openb. 2 vers 27 : „Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen", nadat hij den ellendigen staat der gemeente had voorgesteld, het volgende : „Nochtans gelooven wij ook dat het in de zaak klaar is : 1. Dat velen, welke vrij geweest zijn, in die gemeente, desniettegenstaande met dezen Engel in kerkgemeenschap gebleven zijn ; gelijk de woorden tot ulieden en tot de anderen, als zijnde van het zelfde lidmaatschap te kennen geven, zijnde zij beide maar ééne gemeente. 2. Dat de Heere Jezus hun niet bestraft wegens hun blijven in de gemeente, zelfs wanneer Hij den engel bestraft wegens zijn verzuim in , het censureeren van Jezabel. 3. Door de , goedkeuring van de gansche koers hunner ; gedragingen, zoo approbeert Hij hun niet ; afscheiden van de gemeente, hetwelk Hij ; anders niet zou kunnen goedkeuren (dewijl ' deze zaak zoo openbaar was). Indien dezelve in hen eene fout geweest was, of indien zij daardoor deelgenooten van hare zonden geworden waren. 4. Dat de Heere Jezus hun gebiedt en recht geeft zoo te blijven, en hun die vroom waren, geenen last om af te scheiden oplegt. Alleenlijk zegt Hij : „Hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen." Dat is : houdt uzelven bij den regel, dien Ik u gegeven heb en bij uwe tegenwoordige praktijk." Verder zegt hij blz. 182, 183 : „Indien de separatie een andere last is, dan die Christus op Thyatire, Pergamus enz. gelegd heeft, wanneer hunne leeraren in de uitvoering der discipline gebrekkig waren, dan moet dezelve in dergelijke gevallen in de Kerk van Christus naderhand nog toegelaten worden."
Deze zoo krachtige, korte en zakelijke woorden van zulke voorname godgeleerden, achten wij genoeg ten bewijze van den afkeer, dien onze vaderen van scheiding hadden, en hoe zij hebben aangedrongen, om, niettegenstaande de zeer groote verdorvenheid, de Kerk niet te verlaten, maar veeleer hare breuke met tranen te beweenen.
c. De ervaring in onze dagen op kerkelijk gebied, en de nuttigheid van het gegeven antwoord zal nog meer in onze schatting toenemen. Beschouwen wij toch onpartijdig den toestand der gemeente des Heeren, van het oogenblik af dat een separatiegeest onder haar gekomen is, dan zien wij dat zij zich kenm.erkt door verdeeldheid en verbittering. Dierbare betrekkingen, voorheen tusschen Gods kinderen gevoeld, zijn verdwenen ! Een stroom van verdeeldheid en verbittering heeft doen verwelken en afvallen de bloem der liefde, die ten allen tijde gezien werd in aangename gezelschappen, door geestelijk leven en gemeenschap der heiligen ontstaan. De stengel der verbinding ligt geknakt ter neder, en men kent en vindt hare standplaats zelfs niet meer ! Het geestelijk leven is van dien tijd afgeweken, om plaats te maken voor eenen strijd over vormen. De breuke van Gods Kerk, weleer door velen van Gods volk gevoeld, de persoonlijke schuld daaraan gekend, en dikwerf met tranen beleden en betreurd, is van dat oogenblik af, waarop men zichzelf begon te redden, in vergetelheid geraakt. En zou dit alles den Heere aangenaam kunnen zijn, Hem, die Zelf gezegd heeft: „Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander." Zou dat de van God verordende weg tot herstel zijn, de breuke van Sion te vergeten, waar Hij Israël, in Babel zuchtende en treurende doet zeggen: „Indien Ik u vergete, o Jeruzalem ! zoo vergete Mijne rechterhand zichzelve. (Ps. 137 vers 15).
Letten wij op den toestand der gescheiden broeders (door wie wij verstaan allen die de Hervormde Kerk hebben verlaten) het ongenoegen Gods wordt kennelijk in hunne vergaderingen openbaar. Getuige hiervan sommige van hunne eerste leeraars, die, de Kerk verlaten hebbende, nu reeds tot grove dwalingen zijn vervallen, en wel tot den geest van Armenius, Pelagius, enz. Anderen hebben zelfs hun beginsel geheel prijs gegeven. Er zijn ja nog wel eenige predikanten, die met recht godzaligen mogen heeten, maar deze heeft de Heere spoedig door den dood weggenomen, en hen alzoo belet de scheiding verder voort te zetten. Enkelen zijn slechts overgebleven die, wij zijn er van overtuigd, het verderfelijke der scheiding leeren inzien.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's