Stichtelijke overdenking.
„Mijne genade is u genoeg." 2 Corinthe 19 vers 9a.
DRIEMAAL GEBEDEN.
De Heere wordt in Zijn Woord genoemd een Hoorder van het gebed van Zijn volk. Wie van Gods kinderen weet èn uit de Heilige Schrift èn vaak ook uit eigen ervaring geen bewijzen te noemen dat de Heere nog nooit tot den huize Jocobs gezegd heeft: zoek Mij tevergeefs.
Toch kan 't soms schijnen alsof , de Heere gebeden der Zijnen niet hoort. Het kan soms wezen alsof de hemel van koper schijnt, alsof de Heere vergeten heeft genadig te zijn en Hij Zijn barmhartigheden door toorn heeft toegesloten.
Daar zijn ook onverhoorde gebeden.
Denk aan Mozes. Hij heeft veertig jaar het volk Israël geleid door de woestijn en aan het eind van die veertig jaar begeert hij om mede den grond van het heilige land te mogen betreden. Hij bidt, hij smeekt, hij worstelt er om. Maar zijn gebed heeft bij den Heere geen verhooring gevonden.
Het zij u genoeg, spreek niet meer tot mij van deze zaak, zoo luidt het korte, schijnbaar harde antwoord dat hij van den Heere ontvangt.
Denk aan David. Zijn kind dat hem uit Bathseba werd geboren, wordt krank, ernstig krank. Het is er David om te doen dat kind te behouden. Hij bidt, hij smeekt, hij worstelt er om.
Maar ook zijn gebed heeft bij den Heere geen verhooring gevonden, immers niettegenstaande zijn ernstige, zijn aanhoudende smeeking, heeft de Heere toch zijn kind van hem genomen, en weldra merkt hij uit het gemompel zijner knechten dat de.dood de vensteren van zijn koninklijk paleis niet had ontzien.
Zulk een onverhoord gebed is ons ook van Paulus bewaard.
in 2 Corinthe 12 heeft hij ons verhaald van een buitengewone openbaring, die hem ten deel was gevallen.
Of het in het lichaam geschied was of buiten het lichaam wist hij niet eens, maar het stond voor hem vast : Paulus was in den derden hemel geweest, hij had vertoefd in de plaats waar de troon des Almachtigen stond, waar de serafs het driemaal heilig aanhieven en waar de zaligen den lof des Drieëenigen bezongen.
Opdat hij zich echter vanwege de uitnemendheid dier openbaring niet zou verheffen was hem gegeven een scherpe doorn in het vleesch.
Welke die scherpe doorn geweest is, weten we niet. Wel zijn er allerlei gissingen emaakt, maar de Heere heeft Zijn Goddelijke oogmerk gehad, waarin Hij den vorm, waarin die doorn zich openbaarde, voor ons verborgen hield. Paulus zegt alleen dat het een vuistslag van een engel des satans was, en dat die doorn hem daartoe was gegeven, opdat hij voor zelfverheffing zou worden bewaard.
Wij weten echter wat Paulus, toen hij door dien doorn gekweld werd, heeft gedaan. Hij werpt zich neder voor den troon der genade en bidt.
Kostelijk voorrecht, zult gij zeggen, dat Paulus in den lijdensweg, waarop God hem geleid had, zijn toevlucht tot den troon der genade zocht. Immers de Heere wil er door den huize Jacobs om gebeden zijn. En nu moeten we niet meenen. dat dat gebed des apostels maar louter was een vormelijk gebed zooals hij er vroeger eer hij op den weg naar Damascus was nedergeworpen, zoo velen had opgezonden. Neen, wat eenmaal van dezen man tot Annanias gezegd werd : want zie, hij bidt, dat kon ook nu ; weer van hem getuigd worden.
AIs Paulus bidt dan is dat waarlijk bidden geweest. Als Paulus bidt dan is dat een pleiten, een worstelen om genade geweest.
Maar wat is dat ? Paulus bidt, maar daar schijnt geen verhooring te wezen. Paulus roept, maar daar komt geen antwoord. Het schijnt wel of het oor des Heeren voor hem gesloten is. Immers niettegenstaande het vurig en aanhoudend gebed, blijft de doorn steken. De engel des satans wil niet ophouden hem met vuisten te slaan.
Doch andermaal heeft dan de apostel zich tot den troon der genade gewend, andermaal werpt hij zich op de knieën.
Paulus toont te weten dat ons bidden een aanhoudend bidden, een bidden zonder ophouden moet zijn.
Maar ook de tweede maal schijnt de hemel als van koper te wezen. Ook nu blijkt zijn hoop dat de Heere den engel des satans naar den afgrond zal bannen, ijdel te zijn.
Dan werpt hij zich ten derde male neder en weer klinkt uit het diepst zijner ziel de bede tot God. Weer is het : Zie mij Heer', Wien elk moet duchten. Tot U vluchten, o mijn God, verlaat mij niet. Blijf niet wegens mijn gebreken, ver geweken. Toon dat Gij mijn rampen ziet.
O, w'ij kunnen ons voorstellen niet waar, dat vooral die derde maal het gebed van Paulus iets gehad zal hebben van het gebed van Jacob bij Jabbok ; wij kunnen ons indenken dat het vooral die derde maal in zijn ziel geweest zal zijn : ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
Driemaal gebeden O, het is als worden we herinnerd aan een ander gebed dat ook driemaal tot den troon van Gods genade was opgezonden. Het was het gebed van den eenigen Hoogepriester in den hof van Gethsemané. Ook uit Zijn mond was het lot driemaal gehoord : Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan ; doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.
Maar is het gebed van Paulus, dat een vrucht was van het gebed van Christus, dan werkelijk onverhoord gebleven, zoo vraagt ge misschien ? Ach, in zekeren zin wel, maar in anderen zin toch ook weer niet
Neen, Paulus heeft niet gekregen wat hij begeerde. Immers de scherpe doorn schijnt niet weggenomen te wezen; de scherpe punt die zoo pijnlijk stak, schijnt zelfs niet afgestompt te zijn. Integendeel, de doorn bleef steken, de Satans-engel heeft niet opgehouden om met vuisten te slaan.
Maar toch heeft de Heere Zijn knecht een antwoord gegeven en dat vertroostende antwoord dat we hierboven schreven luidt aldus : Mijne genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.
_ Gij begrijpt wat dat beteekent niet waar ? De Heere wil tot Paulus zeggen : de doorn gaat niet weg. Integendeel, de drinkbeker dien Ik u in de hand gaf, moet door u gedronken worden ; het kruis, dat Ik u op den schouder legde, moet door u gedragen worden. Maar Mijne genade is u er borg voor, dat gij onder dat kruis niet zult bezwijken en dat gij onder den last die u opgelegd werd, niet omkomen zult. Integendeel. Juist de smart en de pijn, die die doorn u aandoet, zullen voor den Naam en de zaak die gij voorstaat, bevorderlijk moeten zijn. Immers niet een Paulus die op het punt staat zichzelf vanwege zijn uitnemende openbaring te verheffen, die dus krachtig genoeg is in zichzelf, maar juist zulk een Paulus, die van genade moet leven, die dus zwak is o in zichzelf, zulk een Paulus is het, door wien Mijn Naam verheerlijkt wordt.
Mijne genade is u genoeg. En wat dunkt u ? Is het gansche leven van Paulus geen bevestiging van dat Woord des Heeren geweest ?
Hoort maar wat hij elders van zichzelf k heeft getuigd : in alles verdrukt en toch niet benauwd ; twijfelmoedig en toch niet mismoedig ; vervolgd en toch niet verlaten ; O nedergeworpen en toch niet verdorven ; getuchtigd en toch niet gedood ; droevig en toch altijd blijde ; arm en toch velen rijk makende ; niets hebbende en nochtans alles bezittende.
Ja, dat Paulus dat kon getuigen, dat had de genade des Heeren gedaan. Die genade was hem genoeg. Die genade was de oorzaak dat het water hem niet schaadde, dat de diepte hem niet verzwolg, dat de arbeid hem niet verdroot, dat hij zijn weg met blijdschap kon vervolgen en dat hij zijn hoofd straks onbevreesd op het schavot heeft nedergelegd.
De genade Gods was Paulus genoeg om te leven, genoeg om te arbeiden, genoeg om te strijden, genoeg om te sterven, genoeg om straks in te gaan in het huis des Vaders, waar door diezelfde genade ook voor hem een plaats was bereid.
Wat dunkt u, heeft Gods liefde aan Zijnen knecht niet iets beters geschonken dan wat Gods wijsheid hem onthield ? Heeft de Heere hem, datgene dat Hij hem weigerde, niet ruimschoots vergoed ?
En niet slechts van Paulus, maar is dat niet steeds de ervaring van al Gods kinderen geweest ?
Of was het niet door diezelfde genade dat zondaren aan zichzelf werden ontdekt ? Was het niet door diezelfde genade dat menschenkinderen werden getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in Gods wonderbaar licht ?
Was het niet door diezelfde genade dat hongerenden zijn gevoed, dorstenden zijn gelaafd, naakten zijn gekleed, stervenden zijn verkwikt ? Was het niet door diezelfde genade dat duizenden bij duizenden die de hel hadden verdiend, thans in den hemel met Abraham, Izaak en Jacob aanzitten aan de bruiloft des Lams ?
En niet slechts in het verleden, maar is die genade nog steeds niet genoeg voor een iegelijk, die haar als zondaar begeert ?
O, dat het ook door ons maar recht werd verstaan, dat die genade Gods een onuitputtelijke bron is, die nimmer geledigd kan worden.
Niet waar, in het natuurlijk leven bestaat er niets dat onuitputtelijk is. Stroomen en rivieren zelfs verdrogen; de boomen bloeien niet altijd. Goud-en zilvermijnen worden eenmaal uitgeput. Maar de zee van Gods genade verdroogt in eeuwigheid niet. De boom van Gods genade staat altijd in bloei. De goudmijn van Gods genade kan nimmer uitgeput worden.
Die genade is dus genoeg in al den strijd die door Gods kinderen hier moet doorgemaakt worden. Die genade is hun genoeg bij al de doornen die hen wonden, bij al de vuistslagen van den satan die hen toegebracht worden.
Immers als nu de vijand aankomt als een stroom, dan zegt de genade dat de Geest des Heeren een banier zal oprichten.
Als nu de satan komt om te slaan, dan zegt de genade dat Gods Gemeente door de poorten der hel niet overweldigd zal worden.
Als nu de wereld komt om te verleiden, ook om te haten en te vervolgen, dan komt de genade en zegt: hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen.
Als nu van binnen vaak strijd is, omdat de Heere Zijn aangezicht soms verbergt, zoodat Gods kind soms meent door den Heere verlaten en vergeten te zijn, dan somt de genade en zegt: kan ook een vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars schoots. ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch u niet vergeten. Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd. Uwe muren zijn steeds voor Mij.
Of als daar van buiten soms vreeze bestaat, als daar soms in het natuurlijk leven met armoede of krankheid of andere verdrukkingen geworsteld moet worden, dan komt de genade en zegt: Mijn machtig' arm beschermt de vromen. En redt hun zielen van den dood. Ik zal ze nimmer om doen komen In duren tijd of hongersnood.
Zoo is de genade Gods overal en ten allen tijde genoeg, en zoo is het ook bij het onverhoord blijven onzer gebeden toch altoos waar, wat de dichter van Psalm 147 eens zong :
De Heer' betoont Zijn welbehagen, Aan hen, die ned'rig naar Hem vragen. Hem vreezen, Zijne hulp verbeiden. En door Zijn hand zich laten leiden ; Die, hoe het ook moog' tegenloopen. Gestadig op Zijn goedheid hopen, . O Salem, roem den Heer' der Heeren Wil uwen God, o Sion, eeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's