De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

19 minuten leestijd

De Gereformeerden en de Ethischen.

XV.

In den Bijbel kan men het Woord Gods vinden, zeggen de ethischen. Maar ze zeggen niet: de Bijbel is Gods Woord. Want van dien Bijbel laten ze nogal wat vallen. Ook stellen ze zich den gang van zaken nog al anders voor dan de Bijbel de dingen toch geeft. 

Zij beschouwen dan ook de ingeving der Heilige Schrift principieel anders dan de gereformeerden.

En terwijl de gereformeerden nog altijd belijden, dat geheel de Bijbel, al de canonieke boeken des Ouden en des Nieuwen Testaments tezamen, het ééne, volle, volmaakte Woord van God is, ons voor alle lijden gegeven, en voor alle geslachten en natiën bestemd — daar zeggen de ethischen dat in den Bijbel Gods Woord is, tegelijk van dien Bijbel nogal wat verwerpend, wat den toets der critiek niet doorstaan kan. En terwijl de gereformeerden belijden, dat alle menschen-woord onderworpen moet zijn aan Gods Woord en alle leering en alle wetenschap in de Heilige Schrift de hoogste autoriteit vindt, leert de ethische dat het Woord Gods doorgaat tot nu toe en een woord van Chantepie de la Saussaye, van Gunning, van Beets, of wien ook, even goed het Woord Gods is als de woorden Gods, die we vinden in den Bijbel ; daar de Heilige Geest in de Gemeente woont en in de geloovigen werkt, nu onder 't Nieuwe Testament sterker en beter zelfs dan de profetische geest deed onder de Oude Bedeeling.

Daarom is er ook voor den ethische wat dat betreft geen achterstelling van de Evangelische Gezangen bij de Psalmen. Het „Christelijke" lied — zegt men — heeft zelfs oneindig veel vóór boven de „Joodsche" Psalmen !

De ethischen wilden de gereformeerden dan ook 't liefst er toe èrengen, om toch die verkeerde overlevering van te gelooven in „heilige boeken" los te laten.

Dat is toch eigenlijk iets heidensch.

En wat komt het er ook eigenlijk op aan, hoe iemand over de Schrift, over haar samenstelling denkt, als hij slechts op haar inhoud leeft en sterft — zegt de ethische.

Dr. Gerritsen zegt, dat „als het Gode behaagd had ons een Bijbel te geven waar we zonder Schriftcritiek op konden vertrouwen, dan had Hij ons wel een ander Boek gegeen. Want uitwendig staat de Bijbel heel onvast. Er komen tal van historische onjuistheden voor in den Bijbel én gedurig spreekt de Bijbel zichzelf in allerlei bizonderheden tegen." Wat overeenkomt met de woorden van dr. Cramer die, zooals we reeds zagen, van oordeel is : „dat wij van een enkel woord en van geen enkele daad van Jezus met volkomen zekerheid kunnen zeggen : zóó heeft Jezus gesproken, dat heeft hij gedaan."

Zoo moet men er natuurlijk toe komen om de Schriften des Ouden en des Nieuwen'' Verbonds onder het glas der wetenschap te nemen, met het ontleedmes der critiek in de hand, en naar het oordeel van dr. Cramer zijn er vooral in het Oude Testament zooveel verhalen, die onze kinderen zoo mooi vinden, doch die niets anders zijn dan oude volksverhalen, „waaraan men moeilijk onzen maatstaf van historiciteit kan aanleggen."

Natuurlijk staan volgens de ethischen al die gereformeerden met hun strenge opvatting aangaande de heiligheid der Schrift een heel stuk lager dan zij zelf staan met hun vrije opvatting in deze.

De gereformeerden zijn letterknechten.

Eigenlijk in den grond der zaak roomsch of heidensch. Zooals de Mohammedanen den zwarten steen te Mekka aangapen, als uit de lucht gevallen zijnde, zoo zitten de gereformeerden den Bijbel aan te kijken als een bovenaardsch ding.

En zij, de ethischen, staan in deze dan op een veel hooger, veel geestelijker standpunt. Hun ziel is meer werkzaam in deze. Ze leven niet bij redeneering, maar bij ervaring. Hun mond brabbelt maar niet wat, dat van de vaderen zoo maar is overgenomen.

Neen hun innerlijk-wezen laten ze, als echte mystieke menschen, aan 't woord komen ; en waar de Heilige Geest hun ziele in ervaring van het echt-goddelijke onderwijst, daar laten ze o ! zoo gemakkelijk het waardeloos omhulsel los, om het geestelijk kleinood, waar het op aankomt, te bewaren, om daarbij te leven en te sterven.

Dit lijkt zoo mooi ; zoo geestelijk ; zoo echt-geloovig.

Maar het addertje dat hier en elders onder het gras schuilt is, dat de ethische de autoriteit van Gods Woord dan niet erkent en de ervaring des menschen boven het Woord der Schrift stelt. Wat hij veel geestelijker vindt, dan om met de gereformeerden te belijden, „dat dit Woord Gods niet is gezonden noch voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods hebben het gesproken, gedreven zijnde door den Heiligen Geest, gelijk de Heilige Petrus zegt, 2 Petr. 1 vers 21. Daarna heeft God, door eene bizondere zorg die Hij voor ons en onze zaligheid draagt, Zijnen knechten den profeten en apostelen geboden. Zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen ; en Hij zelf heeft met Zijn vinger de twee tafelen der wet geschreven. Hierom noemen wij zulke schriften : heilige en Goddelijke Schrifturen." „Alle deze Boeken alleen ontvangen wij voor heiig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen." „Zoo is 't den menschen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd anders te leeren, dan ons nu geleerd is door de heilige Schriften ; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de apostel Paulus zegt Gal. 1 vers 8. Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen (Deut. 4 vers 2 ; 12 vers 32 ; 30 vers 6; Openb. 22 vers 19) zoo blijkt daaruit wel, dat de leer daarvan zéér volmaakt en in alle manieren volkomen is. Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen bij de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte bij de waarheid Gods (want de waarheid is bovenal) noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten ; want alle menschen zijn uit zichzichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdel held zelve. Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeiibaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de apostelen geleerd hebben, zeggende : Beproeft de geesten of zij uit God zijn (1 Joh. 4:1). Insgelijks : Indien iemand tot u heden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, 2 Joh. vers 10." (Art. 7 Ned. Geloofsbelijdenis).

Hier kunnen de ethischen niet mee instemmen. In dit stuk onderschrijven ze onze confessie niet.

Want onze Gereformeerde belijdenis stelt de besliste, onwedersprekelijke autoriteit (gezag) der Heilige Schrift; wat dan berust op haar ingeving door God den Heiligen Geest.

Wordt 'die Goddelijke ingeving geloochend, dan valt de autoriteit der Schrift. Dan is het niet meer het Woord des Heeren. Dan heeft de Bijbel even veel of even weinig zeggenschap over ons als ieder ander boek, dat maar „de geest van Christus ademt", als dat maar door een „geloovige" geschreven is, en als de ziele van den ethische er maar wat aan heeft, omdat zijn ziele-leven correspondeert met het leven dat zulk een boek uitademt.

En ja, dan willen de ethischen aan den Bijbel wel een eereplaats geven, omdat in den Bijbel de zuivere uitdrukking der Christelijk idee gevonden wordt. In dien Bijbel blijkt, dat igevoeld is bij de Oud-Testamentische heilsgedachte, wat voor den mensch het hoogste goed is. En het Nieuwe Testament is doorademd van het waarachtige leven. Dat maakt dat in de Schrift de Godsopenbaring in Christus gevoeld en gevonden wordt. En zóó wil men den Bijbel eeren.

„Als bezield door den Geest Gods, heeft de Heilige Schrift gezag" heeft prof. dr. D. Chantepie de la Saussaye gezegd. „Dit gezag is een gezag zedelijk van aard", liet hij er op volgen. „De waarheid heeft gezag" zegt hij dan verder. Alles héél mooi. Maar wij gereformeerden spreken toch heel ónders. Wij zeggen : „wij gelooven, dat de Heilige Schrift de Waarheid is, wijl zij het Woord Gods is." En de ethischen zeggen : „waarheid is voor ons, wat onze conscientie (geweten) voor waar houdt en onze ziel als waarheid ervaart, welke waarheid we óók vinden in de Schrift."

Het zwaartepunt wordt door den ethische verlegd van God naar den mensch ; van de Heilige Schrift naar de conscientie.

Het is bij den gereformeerde : God — de Heilige Schrift — de mensch. Maar bij den ethische : God — de mensch — de Heilige Schrift.

„Het is dan ook" - aldus prof. Bavinck - „altijd het streven van de la Saussaye geweest, om de waarheden des heils onafhankelijk te maken van het gezag der Heilige Schrift en als in zichzelve waar te bewijzen."

Men wilde de waardheden wel — zooals men zei.

Maar men wilde ze niet op grond en op gezag der Heilige Schrift.

Men stelde eigen conscientie als rechter.

En wat de conscientie aangaf geloofde men — wat dan in doorsnee ook wel oveieenkomt met hetgeen de Schrift leert.

Maar waardoor óók komt, dat men vee! van de Schrift laat vallen.

En waardoor ook de feiten, de historische verhalen, op losse schroeven komen staan.

Men gelooft de geschiedenis van Genesis III niet, omdat het in den Bijbel staat.

Want dat het in den Bijbel staat, is volstrekt nog geen bewijs, dat het ook waai gebeurd is.

Toch wil men hetgeen daar meegedeeld is wel aannemen — al is het niet als historisch feit — omdat eigen conscientie zegt, dat er wat .gebeurd is met den mensch ; dat de mensch, die goed geschapen is door God, een zondaar is geworden. Wat de Schrift daarvan zegt, heeft geen gezag.

't Kan best anders toegegaan zijn.

Maar toch gelooft men er aan, omdat de conscientie zegt: zoo iets moet er gebeurd ijn.

Zoo ook met de Evangelisten.

Die geven de geschiedenis van Jezus.

Maar 't kan best zijn, dat het héél anders is toegegaan. Men heeft dan ook den Bijbel in deze niet in alles te gelooven. De Schriftcritiek is hier geoorloofd, zelfs gebiedend noodzakelijk, omdat de Schrift ook maar een boek is ; zij 't dan een bizonder boek.

Toch gelooft de ethische wat daar zoowat verteld wordt, omdat de conscientie zegt: zóó is het met Christus gegaan ; dat voel, dat ervaar ik aan eigen ziel.

En dat vindt de ethische een veel hooger standpunt dan hetgeen door den gereformeerde wordt ingenomen : de gereformeerde gelooft dan op .gezag, op gezag van den Bijbel, op gezag van een Evangelist, op gezag van een Kerk — maar de ethische verkeert in de gelukkige conditie, dat hij gelooft, echt gelooft; gelooft op gezag van Christus zelven ; gelooft, omdat zijn ziele heeft ervaren, wat hij gelooft en belijdt. 

Zoo wordt bij den ethische — zooals hij ten minste gaarne voorgeeft — de diepste grond des geloofs : Christus. 

En van den gereformeerde is dan de diepste grond des geloofs —' zooals de ethische zegt — de Bijbel. 

En triomfantelijk wordt dan gezegd: Christus is toch méér dan de Bijbel ! En zooveel hóóger Christus staat boven den Bijbel, zooveel hóóger staat het ethische standpunt boven het gereformeerde !

(Wordt vervolgd).

Min.

Men ziet het meer, dat menschen die tot een ander „geloof" overgaan fel en heftig zijn in het bestrijden van 't geen door vroegere geestverwanten wordt geloofd en beleden.

Ds. Deetman, modern predikant te Oudshoorn (Alphen aan den Rijn) is daar een wandelend voorbeeld van. Vroeger was hij, gesproten uit een rechtzinnig huisgezin, orthodox. Nu is hij vrijzinnig. En fel en heftig vaart hij telkens uit tegen de rechtzinnige belijdenis. Geweldig kan hij tegen die orthodoxen nu te keer gaan.

Uit een discussie van hem met het orthodoxe Rotterdamsche maandblad „Onze Vaan" nemen we ten bewijze een klein stukske. Men kan 't uitvoeriger lezen in „De Hoeksteen" van 13 Nov. 1920.

Ds. Deetman schrijft daar :

„We zouden in 't hiernamaals niet eens gaarne in uwe nabijheid zijn en zeggen : „als .gij in den Hemel komt, zijn wij liever met mannen als Michael, Servet, Tagore, ds. Netelenbos, Bakels, e.a. in de hel ! Want daar zal 't dan heel wat lichter en zonniger zijn dan in uw hemel 1 Bah, ik walg van uw hemel, van uw prediking, van uw God."

Bah ! we walgen van zulke taal. 't Is in één woord „min" !

Synode en publiciteit.

Over dit onderwerp schrijft „De Nederlander." Is het ook de hand van prof. Slotemaker de Bruine, welke we daarin opmerken ?

We leven in een tijd, dat openbaarheid der dingen gevraagd wordt, ook in kerkelijke zaken, 't Moet niet zoo in „Klein Comité" gebeuren, zonder eenige publiciteit. De leden der Kerk, de leden der gemeente hebben er recht op te weten, wat er zooal gebeurt in het kerkelijk leven. En nu is het opmerkelijk, dat de Gereformeerde Kerken graag bekend willen staan als de Kerken die de dingen in het openbaar behandelen en van de Hervormde Kerk wordt dan gezegd, dat het daar zoo gesloten is. In de Herv. Kerk wordt alles maar van boven af klaar gemaakt en opgelegd, maar in de Geref. Kerken gaat het in degezonde democratische lijn, alles met medev^eten van de gemeente.

Wat treft nu evenwel ?

„De Nederlander" zegt, dat dezer dagen de Handelingen van de Herv. Synode (Den Haag) en de Handelingen van de Geref. Synode (Leeuwarden) verschenen zijn. Onwillekeurig gaat men nu aan het vergelijken. Waar zijn de belangrijkste onderwerpen behandeld en hoe zijn ze behandeld ?

„De Nederlander" zegt er van :

Op dit punt voert nu de vergelijking der beide Acta tot een weinig verwacht resultaat : de Acta der Hervormden zeggen zeer veel, die der Gereformeerden zeer weinig.

Natuurlijk vormen zij niet het eenig middel, waardoor de buitenwereld kan ingelicht worden omtrent hetgeen ter Synode is behandeld. Daarnaast kunnen de courantenverslagen komen, hetzij van leden der Synode, hetzij van buitenstaanders;

Reeds hier echter eenzelfde ongedachte tegenstelling.

De Hervormde Synode is een besloten kring ; maar elk der groote bladen heeft onder de leden een correspondent, die naar eigen smaak en naar eigen verantwoordelijkheid verslagen voor hunne bladen schrijven. De Gereformeerde Synode is openbaar, doch de verslagen voor de gansche pers worden geleverd door een officiëele perscommissie van twee personen. Het Is zonder meer duidelijk, dat de meerdere openbaarheid hier aan de zijde der Hervormden is.

Maar het publiek dan, dat bij de Gereformeerden aanwezig mag zijn en bij de Hervormden is uitgesloten?

Men schijnt ook op dit punt voorzichtig te worden. De netelige Synode van 1892, die o.a. handelen moest over de vereeniging der vroegere Afgescheidenen en Doleerenden, was geheel publiek en ons is een niet-Gereformeerde bekend, die toen een zeer onverkwikkelijk debat tusschen vooraanstaande mannen heeft meegemaakt en —, als hij onkiesch was — zou kunnen navertellen. Thans, in 1920, werden alleen Gereformeerden toegelaten en tijdens de behandeling der kwestie-Netelenbos zelfs alleen belijdende leden van 'n Gereformeerde Kerk. De kieschheid en fijnheid van behandeling der teere zaken wint ongetwijfeld langs dezen weg ; maar de openbaarheid wordt er door tot een leus zonder inhoud.

In de kwestie-Netelenbos is het gebleken, Toen is over de Synode in één der bladen een verslag verschenen naast het officiëele persverslag ; wat tot groote ontstemming geleid heeft. Maar dr. V. Hepp heeft in de Reformatie meer juist opgemerkt, dat daar­ mee de zaak niet afgedaan is. Hij vroeg mèèr dan de „officiëele Korte Verslagen" en acht, dat de Gereformeerden dit onderwerp onder het oog moeten zien : het hartelijk mee-levend publiek moet snel en uitvoerig ingelicht worden en mag niet op de Acta moeten wachten.

Voorziening zal hier zeker noodig zijn. De tweeërlei verslagen van uit den Hervorm den en den Gereformeerden ki'ing herinneren al te zeer aan de bovenomschreven geheime en openbare diplomatie. Van wat er waarlijk is geschied, verschaffen de Hervormden ons wel een veel meer levend beeld dan de Gereformeerden.

Doch nu de officiëele Handelingen !

Hier brengt de vergelijking een nog veel zonderlinger resultaat. De Acta der Gereformeerden geven in het geheel geen beeld van het gebeurde. Het onderwerp, het rapport, de naam van .den rapporteur, het besluit : ziedaar alles. Louter formeel. Wie de Handelingen der Hervormden leest, vindt de discussie, de argumenten voor en tegen, de namen der sprekers, dikwijls de namen der voor-en tegenstemmers. Een levend, groeiend beeld. Een publicatie van bijzonderheden met naam en toenaam. Niet eens altijd prettig voor de betrokkenen. 

Toch is het mogelijk, dat de Acta der Gereformeerden vrijwel"^olledig zijn. Indien er namelijk in de zittingen der Synode weinig gebeurt, omdat alles in geheime commissievergaderingen is gereedgemaakt. De lezing van de Acta 1920 drong deze gedachte zeer sterk ons op ; het is eenvoudig onmogelijk, dat niet Jiieer gebeurd is dan v/at hier wordt verhaald.

Neem nog eens de kv/estie-Netelenbos. Wij nemen haar, omdat zij toch zeker de gewichtigste was : een predikant afzetten, is geen kleinigheid! Een later geslacht zal willen weten, wat er geschied is ; het zal dit uit de Acta niet leeren. Hier zijn twee en twintig pagina's bijlagen behelzende brieven, een verhoor van ds. Netelenbos, een rapport, een voorgestelde conclusie. Hier is de behandeling in de Synode, verhaald in weinig regels. Het rapport wordt gelezen, niemand vraagt het woord ; ds. Netelenbos spreekt, wat hij zegt wordt niet medegedeeld ; de conclusies komen in stemming en worden aangenomen met algemeene stem men ; de voorzitter spreekt ds. Netelenbos toe, de toespraak wordt woordelijk medegedeeld ; ds. Netelenbos wordt uitgeleide gedaan. Dat is alles.

Dat kan natuurlijk niet alles zijn.

En niet slechts hier stellen de Acta teleur ; zij doen het telkens. Wij komen als buitenstaanden, als Nederlandsch volk omtrent niets te v/eten van wat er geschied, gegroeid, geworsteld is.

De Hervormden zeggen meer dan de Gereformeerden. Het resultaat verrast ons zelf. En wij herhalen met breeder zin dan waarin hij ze schreef de woorden van dr. Hepp : „In elk geval beruste men in den bestaanden toestand niet."

Ontevreden.

In de Hervormde gemeente te Leeuwarden schijnen de orthodox-Hervormden bijna even sterk te zijn In aantal als de modernen en Evangelischen (Groninger-richting) te saam. Althans wat betreft het aantal stemmen uitgebracht bij de kerkelijke verkiezingen. Wat het aantal kerkgangers aangaat, winnen de orthodoxen het van de vrijzinnigen. Toch is er, zooals men weet, maar één orthodox predikant, terwijl er zes Evangelischen en Modernen saam zijn (één vacature, door het overlijden van ds. P. de Buck, Evangelische richting). Of deze verhouding héél eerlijk is, van het standpunt van evenredige vertegenwoordiging .bezien, betwijfelen we. Alaar doordat de Modernen en de Evangelischen trouw saam voor het wagentje loopen, kunnen die saam het zoo houden. Zij vormen saam een meerderheid. En de minderheid, die op het standpunt van onze kerkelijke belijdenis staat, mag in de Herv. Kerk van Leeuwarden toezien.

Onder de Evangelischen schijnt evenwel ontevredenheid te komen over die samenwerking met de Modernen, wat een tegenwerking is van de Orthodoxen. Men schijnt zich te gaan afvragen, of dat van Evangelisch standpunt wel eerlijk is, om met hen, die de Godheid van Christus loochenen, saam op te trekken en zoo fel tegen te werken die het Evangelie der verzoening prediken ter rechterzijde.

We maken dit op uit een „ingezonden stuk" in het „Evangelisch Zondagsblad", waar een inzender zegt, in opvatting hierin te verschillen met de redactie.

Deze zegt dan : .......dat zéér velen niet gestemd hebben, weet ik ; en dat komt, omdat zij met de Moderne kiesvereeniging niet willen samenwerken."

Een verder : „Het is den bedoelden Evangelischen leden geneel onverschillig of vacatures, welke niet door „Evangelische predikanten" kunnen worden bezet, vervallen aan Modernen of Orthodoxen. Zij gevoelen zich niet gedrongen voor een der beide partijen te strijden, zij komen enkel en alleen voor hun Evangelische richting op. Kan u dat niet goedkeuren? Ik redeneer, als de Evangelische leiders het toch zoo eens zijn mét een bepaalde groep, waarom worden beide groepen dan niet één ? "

In Leeuwarden schijnen dus Evangelischen te zijn, die eenvoudig niet meer naar de stemming gaan, als de Evangelische voor­mannen onder één hoedje spelen met de Modernen.

Dat is consequent.

Want de Evangelischen zeggen altijd, dat zij dogmatisch rechts van de Modernen staan. In de prediking verschillen ze — zeggen ze - principieel van de Modernen. Maar toevallig gaan ze, als 't er op aankomt, altijd links staan naast de Modernen, tegenover .de Orthodoxen die rechts staan. Dat is nu al zóó dikwijls gebleken, dat wij dan ook zonder conscientiebezwaar de Evangelischen links rekenen inzake het kerkelijk vraagstuk. Zij en de Modernen zijn als broederen één. Wat hen scheidt achten ze een beuzeling ; wat hen vereent achten ze het voornaamste. Welnu, dan ook maar saam links ! Dan weten we wat we aan de Modernen en Evangelischen hebben.

Maar nu die ontevredenheid in Leeuwarden. Welke de Evangelische voormannen (predikanten) willen sussen.

Hoort maar. Want de inzender gaat verder en zegt :

„Verder schrijft u dat wij allen toch moeten erkennen dat ook de Modernen enkel en alleen op grond van hun geloofsbelijdenis stemgerechtigd lidmaat zijn in onze Kerk. (Ook ds. Heesen maakte ons hier reeds eerder op attent). Ja juist, dit brengt mij en veten onzer steeds verder van de fviodemen af. Ook die predikanten die ons in de door mij bedoelde vacature ringbeurten voorgaan hebben dus ook eenmaal voor God en de gemeente beleden, dat zij gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des Hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest. Ook hebben zij misschien al menigmaal deze belijdenis aan hun nieuw aangenomen lidmaten voorgehouden. Dit is dus louter theorie. Want diezelfde predikant ontkent, ja verwerpt toch practisch (wij weten dit allen) Jezus' Goddelijke afkomst en hiermede ook de wonderen die Hij gedaan heeft, ons in het Nieuwe Testament verhaald.

U vraagt of het nu wel Evangelisch is, zulke predikanten uit ons midden te weren en of de kudde loopt waar zij gedreven wordt. Neen, de Evangelische kudde loopt gaarne vrij daarheen, waar hun overtuiging geëerbiedigd wordt en zoo niet, blijven zij liever thuis.

Of werd dit o.a. bedoelden Zondagmorgen (17 October) niet voldoende bevestigd is. Slechts weinig, ja, zeer weinig Evangelische leden stelden belang in deze beurt. Dat er eventueel bij volgende gelegenheden op het predikbeurtenbriefje even de richting van zoo'n predikant wordt vermeld, is de wensch van

Een lid .der Evangelische Vereeniging."

Men is dus ontevreden. En wel op grond van de oneerlijkheid der Modernen, die zeggen dezelfde belijdenis te hebben, welke .de Kerk heeft. Maar in de practijk ontkennen en verwerpen zij die belijdenis.

De Evangelischen willen dan ook bij zulke Moderne leeraars niet kerken, blijkbaar.

Heel veel verwachten we van deze dingen niet.

Men is en blijft onder de Evangelischen veel te halfslachtig.

Maar het is toch typeerend, dat men ook daar voelt en uitspreekt (tegenover de voormannen, predikanten) dat men de houding van de modernen, die feitelijk ontkennen en verwerpen wat ze theoretisch nog een oogenbiik zeggen te gelooven, verachtelijk vinden.

Zulke menschen begeert men niet I

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's