Feuilleton.
Mogen wij de Herv. kerk verlaten?
Mogen wij de Herv. kerk verlaten?
Een antwoord op deze vraag gegeven door ds. A. VAN VEELO, destijds 1881 Ned. Herv. predikant te Waarder, later (1887 tot 1910) predikant bij de Geref. Kerk te Rotterdam.
15)
Zien wij op de gevolgen dier scheuring, zoo zullen wij, onpartijdig oordeelende, moeten erkennen, dat zij de vruchtbare baar moeder is geweest van een massa andere scheuringen, die bij den dag als het ware toenemen. Het eene genootschap ontstaat na het andere, en elke wind van leer, die dagelijks wordt ter markt gebracht, vindt overal gereede koopers, en wel ook bij dezulken, die even dierbaar geloof van Boven hebben ontvangen. Geven wij acht op vele afgescheidene broeders, dan heeft de ervaring ons geleerd, dat verre weg de meesten niet uit overtuiging van de rechtheid en Gode-welgevalligheid der scheiding de Kerk hebben verlaten, terwijl er velen bij zijn, die onder de prediking van een der leeraren in de Ned. Herv. Kerk, door God wedergeboren zijn, en vervolgens zich tot een ander genootschap hebben begeven, om voedsel voor hunne zielen te vinden, en zich maar onvoorwaardelijk daaraan hebben verbonden, om daarna de wettigheid van hun gedrag te bewijzen. Wij zouden nog meer bewijzen kunnen bijbrengen, maar laat dit ons genoeg zijn ter overtuiging, dat het ongenoegen Gods rust op het verlaten van de Ned. Herv. Kerk. Beschouwen wij nu den toestand van de Herv. Kerk, dan willen wij volmondig erkennen, dat zij in de meest mogelijke ellende verkeert. Wie zal daarvan eene juiste beschrijving kunnen geven. Wij zouden het bijna toestemmen, wat door velen wordt gezegd : Zij is van den Heere verlaten, ja, een dood lichaam gelijk ? — Maar neen, dat kunnen wij toch niet toegeven, want de Heere, de getrouwe Verbonds-God, is nog niet geheel met Zijne genade en gunst van haar geweken. Getuigen vooral die getrouwe leeraren; die nog versche sporen vertoonen van Gods opzoekende liefde, die in korten tijd van vijanden vrienden, van vervolgers belijders, van Saulussen Paulussen zijn geworden. Kan dat geschieden zoo de Heere die Kerk voor goed heeft verlaten ? Immers neen. Daarom geeft de Heere hun ook in het harte om bij hunne gevallene moeder : de kerk, te blijven en aan haar herstel te arbeiden. — Geven wij acht op hare levende leden, dan moge het getal klein zijn, dat zich aan de Kerk nog verbonden gevoelt, maar toch zijn er, op wier harten de breuke Sions steeds weegt, en bij wie dit eene gedurige werkzaamheid achterlaat, om haar te beweenen en te betreuren, zich zelven schuldig kennende aan de verbreking Jozefs ; die een welgevallen hebben aan de steenen Sions en medelijden met haar gruis.
Uit dit alles blijkt immers, dat de Heere de Hervormde Kerk nog niet verlaten heeft, waar Hij in de harten van leeraren en leden met Zijn Geest en genade werkt. Mochten wij meer en meer inzien, dat het onze dure roeping is, om in die Kerk te blijven, en aan haar te arbeiden, daar het verzuim hiervan zeer zeker in den dag aller dagen tegen ons zal getuigen !
O ! igij allen die God vreest, mochten wij als één éénig man den Heere aanloopen als een waterstroom, tot heeling van de breuke Sions. Zijt gij van de Kerk gescheiden, hebt gij uwe wettige, maar afgewekene moeder verlaten, ooh ! mocht gij tot haar wederkeeren, uwe eigene redmiddelen prijsgeven en ook op kerkelijk gebied, als een redaelooze in de armen des Heeren vallen, opdat Hij zich als een reddend God over u en ons ontferme. Bij Hem toch is geen ding te wonderlijk. Hij die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er, heeft toch nimmer Zijne goedkeuring gegeven, als Zijn volk zich zelf had zoeken te redden. Maar dén, wanneer zij uit de diepte tot Hem riepen, verhoorde Hij hen, en werden zij gered, niet om hunnentwil, maar om Zijns grooten en heiligen Naams wil. —• Of hebben wij aan onze moeder nog geen scheldbrief kunnen geven, och dat wij haar dan niet verlaten, maar veeleer voor God léeren nedervallen en bukken voor Zijne luchtende roede. Dat wij als Jeremia's en Daniel's mochten blijven weenen op de puinhoopen van het vervallen Jeruzalem, en met 't aangezicht naar Sion gekeerd, onze en onzer vaderen overtredingen belijden en betreuren, alles in de mogendheid des Heeren aanwendende naar ons vermogen, om de vervallene muren te herbouwen. Vraagt men ons, of wij hoop hebben op herstel der Kerk, o, dan moeten wij antwoorden, dat dit niet voor onze rekening ligt. Mochten wij maar als getrouwe getuigen doen wat onze hand vindt om te doen, den Heere biddende om, daar de oogst groot is en de arbeiders weinigen zijn, meerdere arbeiders in Zijnen wijngaard uit te stooten. Dat geve de Heere, om Zijns Zoons wil, door den Heiligen Geest.
Zoo zij het!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's