Stichtelijke overdenking
Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt! Jesaja 64 vers la.
ZIELE-HEIMWEE.
Onrust en gejaagdheid hebban heur stempel zichtbaar gedrukt op het leven van den mensch. Daar is een koortsachtig woelen en zoeken nu hier, dan daar, maar het vinden blijft uit. '
Wie zal ons het goede doen zien ? Het ; een vraag die geschreven staat in de rustelooze trekken van 't gelaat der menschheid. Mogelijk meent ge, dit zal aandacht trekken voor de roepstem des Evangelies, dat zich toch immer wendt tot een verloren geslacht. Maar ach, hoe stelt de werkelijkheid teleur.
't Is nog precies als in de dagen van des Heilands omwandeling op aarde ; toen was er ook zulk een reikhalzend uitzien naar wat anders en beters dan men had; met graagte loopt de schare uit, om Jezus zien en te hooren. Maar als straks tot haar doordringt wat de profeet van Nazareth eigenlijk bedoelt, dan keert zij zich af en zegt: deze rede is hard.
Dit staat vast: de rechte heilbegeerte ontbreekt in het onherboren menschenhart, dat dikwijls als begraven is onder zijn eigen begeerten.
De rechte Godsbehoefte, het ware Godsverlangen, is een werk van den Heiligen Geest. Het menschenhart moge tot berstens toe vol zijn van onvrede en onrust en heimwee ; het moge zich als door eindelooze eenzaamheid ingesloten gevoelen, maar er is hulpe van Boven noodig, opdat het zal Ieren dorsten naar de Fontein des levens.
Och, dat Gij de hemelen scheurdet! Hier is dat rechte Godsverlangen, dat zuchten van het heimwee der ziele naar den Eeuwige : Geen weeldezucht noopt en drijft tot deze smeeking om God ; geen weeldezucht, die doet vragen om den troost Zijner nabijheid, Och, dat Gij de hemelen scheurdet! Het klinkt u immers in de ooren als het opschreien uit den nood der verlatenheid ; Hier trilt het roepen uit diepe afgronden. Wie zóó smeekt en bedelt en worstelt als Jakob bij den Jabbok, dien is het niet het zelfde of zijn beê verhoord wordt of niet. Uit de diepte roep ik tot U, o God, Heere hoor mijne stem !
Dat wordt u duidelijk, als gij de moeite wilt nemen om een oog te slaan op de omgeving van onzen tekst. Het lijdt geen twijfel : bange, donkere tijden waren voor Israël aangebroken ; de profeet schetst den somberen toestand der ballingschap : de heilige plaatsen liggen in puin ; de roerdomp der woestijn laat zijn klagend roepen hooren ; tusschen de puinhoopen woont het gedierte der wildernis, 't Waren bange dagen,
Maar de nood begon winste af te werpen ; onze tekst getuigt er van ; daar komt een vragen naar God, een smachten naar troost, een zuchten om wederkeer, keer weder, Heere, tot hoelange ? en het berouwe U over Uwe knechten !
Voorheen, als de zon van den voorspoed het volk bescheen, was er altijd weer dat afglijden ; daar was geen vastheid van Ievensgang ; telkens weer dat hinken op twee gedachten, dat immer weer eindigde in bezwijken voor de stem der verleiding, dat hinkte op paden van-God-weg.
Nu wordt gezien, waarheen dat voert. Maar in den nood der ellende zint het afkeerige volk op wederkeer tot den Heere. O, het is of een eindelooze verlatenheid dat volk van ballingen omvademt ; de nood dooft de laatste sprank van levensvreugde ; als een stalen koepel, als een steenen gewelf, dat geen lichtstraal van Boven en geen zucht van beneden doorlaat, zóó omspant hen de koperen hemel. Alles is beproefd en alles is ook mislukt ; wat blijft anders nog over, dan tegen dien stalen hemelkoepel de smeeking van het ziele-heimwee uit te roepen : Och, dat Gij de hemelen scheurdet !
Dat zien wij wel : het zuchten naar God wordt uit den nood geboren.
Zoo was het bij het oude Israël, en niet anders is het bij de enkele menschenzielen in den huldigen tijd. ;
Bange, eindeloos bange eenzaamheid omspant de ziel ; de zon van geluk is weggezonken achter de kim van teleurstelling en onvrede en schuldgevoel. Van nature zoekt de mensch het altijd weer bij het schepsel, bij de wereld, bij de eigen dingen, totdat; God hem in de ziel grijpt, tot staan brengt, alles bij de handen afbreekt, en hem toont, dat 't al vruchteloos en vergeefs was. Bange ontdekking ! Ge moet er niet licht over denken, lezer, als God het eenzaam maakt, als u ontzinken gaat waarop gij tevoren "üw valsche hope bouwdet, als gij al uw brieven om hulp als onbestelbaar terug krijgt, ongeopend en ongelezen, dan wordt het u bang te moede.
Maar de Engelen schouwen vol belangstellende aandacht neer ; want God is bezig een zondaar te redden ; God legt allen valschen helpers en leiders en troosters 't zwijgen op, opdat het oor der ziel de roepstem der genade zal opvangen : Kom herwaarts tot Mij ! In het druischend wereldgewoel was die stemme verloren gegaan, maar nu is de aandacht geboren ; wat afleidde werd afgenomen, het werd donker en eenzaam, "maar dan klinkt het noodgeschrei op, dan is er ruimte voor eeuwige dingen. .
Och, dat Gij de hemelen scheurdet! Het ligt dan op ons als een ondoordringbare nevel, die neerdrukt en afsnijdt, maar Eén is machtig dien nevel open te scheuren.
O, ziet ge het wel, van beneden uit is er geen doortocht te banen, het moet van de andere zijde uit geschieden : Och, dat Gij, o Heere, toch doorbreken woudt naar ons, want wij kunnen tot U niet doordringen ; voor U, den Machtige, bestaan toch geen scheidsmuren en geen hinderpalen.
Let er op, lezer, deze ziel heeft noodig, niet maar dat God de vensteren des hemels ontsluite, opdat Zijne gaven afdalen zullen, neen. Hij Zelf moet nederkomen, d a t Gij nederkwaamt!
Maar hoe kan hierom gevraagd ? Is dan God niet de Alomtegenwoordige ? Zeker, maar hier spreekt de taal van het zielsbesef, Wij kunnen door onze afkeerigheid Gods alomtegenwoordigheid niet teniet doen : bedde ik mij in de hel, zie. Gij zijt daar !
Maar dan is Hij voor ons besef weg. Wij zijn dan blind voor Zijn tegenwoordigheid,
Het is een ontzaglijke gewaarwording, als het tot ons doordringt, dat God bij ons is. Dat wekt aanvankelijk schrik en angst, Maar dan gaat het troosten, bemoedigen. Want het bewijst ons, dat onze zonden vergeven zijn en het begint ons te gaan als Hiskia : Gij hebt mijne ziele Refelijk omhelsd, want Gij hebt mijne zonde achter Uwen rug geworpen,
Gelukkig wie dat prangen van den nood. dat schreien van het ziele-heimwee mag kennen. Want daar is antwoord op die bede. Dat is de wondere beittfSènss van de komst van Christus in het vleesch.
Toen heeft God de hemelen gescheurd, toen is Hij nedergekomen.
Werd Christus niet reeds onder den ouden dag aangeduid als Immanuël God met ons ?
Zonder Christus geen gemeenschap met ; den Eeuwige. Buiten den Middelaar is God een verterend vuur ; zóó — buiten Christus — kan het besef van Gods tegenwoordigheid nooit verkwikken, wel verschrikken : en met duizend vreezen vervullen,
Om die komst van Immanuël bedelt ons tekstwoord.
Het geeft duidelijk te kennen, dat voor den mensch alle hope is vervlogen ; 't is hem in den volsten zin van het woord een afgesneden zaak geworden; Heere, zoo Gij U onttrekt, dan zijn wij voor eeuwig weg ; zoo Gij U afwendt, dan wordt het eeuwig nacht. Alle menschenhulp is ijdelheid gebleken, maar Gij zijt die God, die d' ooren wond'ren doet op wond'ren hooren ; verbreek den scheidsmuur, demp de kloof en kom over de bergen onzer schuld heen !
Zoo hebben de Simeon's en de Anna's, zóó hebben Zacharias en Elisabeth, zóó hebben de herders van Eiratha Christus' komst verbeid ; gebedeld en gesmeekt om hulpe van Boven, om den wederkeer van God tot Zijn volk, en van Zijn volk tot God.
En wijl zij Hem zoo ingewacht hebben, smachtend en smeekend, met machtig verlangen en trillend heimwee, daarom hebben zij zich over Zijn komst v e r b 1 ij d.
De groote massa kon zich slechts verwonderen over het Kerstverhaal.
Die verwondering behoeft ons niet te verwonderen, want zij waren niet voorbereid ; zij hadden geen oog voor de beteekenis Zijner komst, en zoo ontgingen hun zin en zegen daarvan gelijkelijk. Als gij nog nooit om God gesmeekt hebt en geworsteld, dan verstaat ge niet, wat Immanuël komt doen. In die verwondering ligt eigenlijk de afwijzing opgesloten : ik heb U niet. geroepen. ' ik heb U niet noodig.
Het gaat den natuurlijken mensch bij het kloppen, dat van Jezus' komst getuigt, als den gezonde, die bij het binnentreden van den arts in zijne woning verwonderd opziet met oogen, die zeggen : ik heb u niet geroepen ; ik heb uw hulp niet noodig.
O, dat Gods Geest er ons voor beware, dat wij zoo, met kwalijk verholen verbazing zouden toezien bij Christus' komst in Bethlehem's kribbe.
Deze koele verbazing moet wel onderscheiden worden van de innige verrassing, die komt over het hart, dat werkelijk de he-melen ziet scheuren en God ziet nederdalen als een God van genade en ontferming, van trouw en mogendheid. Dat is geen koele verwondering die weigert het wonder van genade biddend en bevend te aanvaarden, maar de kinderlijke verrassing en de onuit-sprekelijke zieleblijdschap' van den psalmist van den ouden dag : als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij als degenen, die droomen. Het blijft een eeuwig-onbegrepen wonder dat de Hooge en Verhevene Zich wil inlaten met den diepgezonkene. Terecht wordt u hier dan ook gevraagd om een nederkomen van God. Zoo vraagt wie bekend is met zijn diepen val, en hulpe van Boven omdat hij overtuigd is : 's menschen heil is ijdelheid.
En als het komt, dan is er heilige, teedere zielsverrassing, die uitroept: Heere, wie ben ik 1
Dat blijft, dat groeit, immers Hij moet wassen en ik minder worden.
Steeds grooter wordt de spanning tusschen Gods geduld en onze schuld, 's Heeren trouw en onze ontrouw. Wonderen zijn er, niet om begrepen, maar om aangebeden te worden, opdat wij Gods Naam zullen prijzen.
O, daar is in dit smeeken 'n heilige driestheid, die niet heilig doch misplaatst zou zijn, ware het niet, dat God Zelf vrijheid ver-leende, om uit de diepte te roepen tot Hem. 't Wordt bijkans een onbegrijpelijk-drieste bede, ais ik, arme, diepgezonken zondeslaaf mijn stem durf opheffen tot den hoogen God en van Hem smeek, dat Hij bij mij wil zijn, om mij te helpen en op te richten, om mijn God te zijn : Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt ! Och. dat Gij, die de hemelen vervult met den glans Uwer majesteit, dat Gij, Hooge, Verhevene God, woudt afdalen in mijn diepen, allerdiepsten ellendekuil om Uw heilige hand te leggen op mij, onreine.
En toch, lezer, zoo heeft God het gewild en daartoe zendt Hij Zijn Geest uit : doet uw mond wijd open, en Ik zal dien vervullen.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden !
O, laat ons dan met ziele-heimwee opgaan naar Bethlehem ! Dat geve God !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's