Te laat!
„Nooit, nimmer heb ik ondervonden wat Ik besprak, nooit ben ik oprecht geweest, altoos heb ik anderen bedrogen !" Zoo klonken de bange klachten uit den mond van een jongeman, die op het sterfbed lag uitgestrekt, wiens levensadem weldra afgesneden en wiens lot voor eeuwig beslist zou worden.
Zijn leven was voorbijgegaan, wijl hij zich wilde voordoen als een Christen. In het oog van de menschen wilde hij wat zijn ; doorgaan als een, voor wien de dood geen verschrikking meer heeft. Maar nu, op het sterf bed uitgestrekt, met den dood voor oogen, werd openbaar dat hij nimmer oprecht was geweest, dat hij nooit die ware droefheid naar God kende, welke een onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt. Nu de dood hem kwam opeischen, baatte al zijn spreken hem niet - , lag hij der vertwijfeling ten prooi neder en klonken zijn laatste woorden tot hen, wie hij zoolang misleidde : „Te laat! te laat I voor eeuwig te laat !"
Weinigen slechts volgden de lijkbaar, waarop het stoffelijk overschot van dien jongen man grafwaarts werd gedragen. Enkelen waren slechts tegenwoordig als het ontzielde lichaam in den kuil werd neergelaten. Onder die enkelen was een grijsaard, wiens .gelaat de sporen droeg van diepe smart, wiens oog vertelde, dat hij een zwaren strijd moest strijden. Eenmaal slechts had hij den overledene ontmoet, doch dien eenen keer had hij, de oude ervaren Christen, bemerkt, dat die jongeman niet oprecht, niet waar was, dat, wat deze sprak nooit beleefd was. Inplaats hem echter te waarschuwen, te vermanen, had hij gezwegen, was hij weer heengegaan zonder een enkel woord van vermaning te spreken.
Den zelfden dag echter waarin hem de doodstijding bereikte, zijn Bijbel openslaande, las hij het 33e hoofdstuk van den profeet Ezechiël. Bij het 8ste vers gekomen zijnde en lezende : „Als ik tot den goddelooze zeg : o goddelooze, gij zult den dood sterven en gij spreekt niet om dien goddelooze van zijn weg af te manen, die goddelooze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eischen" ; dacht hij aan den dag, dat hij dien jongeman ontmoette en hem, alhoewel bemerkende dat deze op een dwaalweg was, niet waarschuwde.
Nu was het te laat voor en waarschuwend woord. Nu was hij in zijn ongerechtigheid gestorven. Wat zou hij nu moeten antwoorden als de Heere dat bloed van zijne hand kwam eischen ?
Dat achtervolgde hem ; dat deed hem achter de lijkbaar gaan, met smart, droefheid en berouw vervuld ; dat deed hem de dagen, welke hij nog mocht leven, voortgaan als gebroken van smart.
Wanneer gij op uw weg iemand ontmoet, die zich op een dwaalweg bevindt, klinkt dan u w waarschuwend woord wel ?
Zal dan tot u gezegd worden : „Die goddelooze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uwe ziel bevrijd" ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's