De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

22 minuten leestijd

Advent.

De donkere dagen voor Kerstmis !

De uren der nachten zijn zoo lang. Zoo kort de uren des daags. En alles is zoo somber, nu de zon wegschuilt achter de dichte nevelen; nu de sneeuwvlokken dwarrelen door de lucht; nu de scherpe wind waait in het gezicht. 

Alle leven is als weggestorven. De boomen zijn zoo kaal. De laatste bloem is verflenst. Het is alsof de natuur zoo moe is en zuchtend sterven gaat

Daar klinken blijde klanken.

De adventsklokken luiden. Het voorspel van den Kerstzang.

De Koning komt. De Vorst des levens. •

God heeft een welbehagen in menschen. Hij gaat zenden Zijn eigen Zoon. En het ^even dat van Boven is, het Eeuwige leven wordt geopenbaard in Hem, die het leven Hem die het leven heeft en geeft aan llen die Hem vreezen.

De natuur sterft, sterft zuchtend weg.

En al de volkeren ervaren, dat het leven hier beneden niet is. Het is gebroken, geknakt gevloekt. Vervloekt is ook een iegelijk, die vleesch tot zijn arm strekt. 

Maar waar uit den schoot der vervloekte aarde in der eeuwigheid geen leven komt, dat menschen kan brengen het heil en de vreugd voor leven en sterven, 'daar is naar Gods genadig bestel een weg ontsloten voor arme zondaren in Hem, die straks zal zeggen "Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven, De levensvorst Jezus Christus komt. Daar spreken de adventsklokken van, de klokken der beloften, die zeggen : Jezus komt! Sions Borg en Goel is in aantocht.

Een iegelijk die in Hem gelooft zal niet sterven, maar leven tot in eeuwigheid, Nu zal het er op aan komen, dat wij de adventsklokken verstaan en dat wij ons leeren voorbereiden, om den Gezondene des Vaders, Verlosser den Zaligmaker en Koning. der wereld, straks te mogen ontvangen, als onzen Verlosser en Koning. In de verte wenkt de stal van Bethlehem. En 't is het broodhuis der wereld, waar hemelsche spijze wordt geboden voor een ten doode opgeschreven menschengeslacht. on niet.

Daar daalt de hemel op aarde, om der wereld hulpe te bïen, waar de ellende zoo groot is voor allen

Daar staat het schoonste vredespaleis, dat ooit in deze wereld verrees, door welks vensteren het licht van den eeuwigen vrede uitstraalt, te midden van de natiën, die door de zonde gansch verloren liggen en zoo diep ongelukkig zijn.

Eere zij God, die een welbehagen in menschen toont 1

Hier is geen vrede van dien God Die geen lust heeft in den dood des zondaars, maar daarin, dat de goddelooze zich bekeere en leve. ^o^t hier niet worden uitgejubeld : Gozegend is Hij, die daar komt in 's Heeren

Moet hier niet worden gezongen : Hij heeft gedacht aan Zijn genade. Zijn trouw aan Israel nooit gekrenkt ; dit slaan al 's aardrijks einden gade, nu onze God Zijn heil ons schenkt ?

Zal er acht op worden gegeven ? Laat men het toch leeren verstaan ! Want anders gaat het, zooals te Rome in de volheid des tijds ; zooals in Israël, toen  Jezus geboren werd. Diep, diep religieus verval was er overal en men ging gebukt onder een zwaren last. Wel voedde men zich in het groote keizerrijk, waar Caesar als god zich eeren liet, in weelde met zingenot. Maar de tempels waren leeg en het harte kende geen vrede. In massa keerde men zich af van den godsdienst en riep om brood en spelen. .Waar men zonk dieper weg in goddeloosheid ; men kwam tot allerlei zedelijk bederf en het maatschappelijk leven ontzonk al meer en meer het ideaal, waarbij de tegenstellingen tusschen de verschillende klassen des volks zich hoe langs hoe meer onrustbarend scherper toespitsten. De ellende was zóó groot, dat, zooals gezegd is, „niet één hart meer hoopte ; alle menschen waren óf beulen óf slachtoffers ; de oude wereld lag te sterven."

En toen werd Hij geboren, die zeggen kon : Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast 2ijt, en Ik zal u ruste geven,

Maar de wereld heeft Hem niet aangenomen.

De heidenwereld heeft Hem gesmaad ; en Zijne volgelingen heeft men uitgelachen, uitgeworpen, vermoord.

De waarachtige vrijheid heeft Jezus den volkeren verkondigd. Maar de volkeren zijn gebleven in banden.

Ook Israël, dat met de lippen tot den Heere naakte en Hem offeranden bracht, met roemen van eigen deugd en braafheid, kwijnde alzoo weg in het midden van de werken der duisternis.

De Goddelijke profetieën verstond men niet.

En toen de Messias kwam tot het huis Israels, heeft men Hem niet aangenomen.

Gelijk de heidenen, hebben ook Abrahams kinderen Hem uitgeworpen en Zijn discipelen vervolgd ; hun zonde zwaarder makend voor den Heere, dewijl hun de woorden des levens waren toebetrouwd.

En zoo is de oude wereld weggezonken In den dood.

Zuchtend sleepte zij zich voort van ellende tot ellende en toen zijn de oordeelen Gods zwaarder geworden en de oude wereld met heidendom en Jodendom is bezweken. De ondergang was finaal.

Een nieuw geslacht is opgestaan.

Gesproten uit het oude, dat God vreesde en den Heiland eerde.

Hij de ware Wijnstok, zij de ranken.

De stillen in den lande waren als leliën der dalen ; als Sarons rozen.

Zacharias, Simeon, Anna zijn de voorloopers. En de herders volgden. Ook kwamen de Wijzen uit het Oosten. Jezus kwam als de Redder, ais de Levensvorst.

En de adventsklokken luiden, om de wereld, die ook nu zich bezondigt aan religieusen afval ; en die leeft een immoreel leven en de maatschappelijke toestanden al donkerder ziet worden — om die wereld toe : te roepen : Ontwaakt gij die slaapt en laat Christus over u lichten,

De adventsklokken zeggen, dat de Heere  trouwe houdt tot in eeuwigheid. De adventsklokken vertolken het heil van Sion, Het heil in Christus. In Christus — die gekomen is, die komt en die komen zal.

En Sion, dat welgesteld is, mag den Koning begroeten en zeggen : gezegend is Hij, die daar komt in 's Heeren Naam !

Van schemering tot licht.

„God, voortijds, veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbend door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken óhf}r den Zoon", schrijft de apostel in Hebreen 1.

Dat is een jubeltoon.

Want de apostel wil blijde getuigen : „wat zijn de dagen van de nieuwe bedeeling heerlijker dan die der schaduwen. Hierdoor, omdat het eertijds schemering was, terwijl nu in Christus de zonne des heils is opgegaan in schoonen glans."

En ja, dat is .de weg geweest.

Eerst schaduwen en schemering. Toen schemering en licht. Maar dan mag ook in Bethlehem gezongen worden : „Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht en verlossing te weeg gebracht zijnen volke — — om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods ; om onze voeten te richten op den weg des vredes." (Luc. 1 vers 68 en 79).

Eerst heeft de Heere veelmaal en op veleriei wijze tot de vaderen gesproken van het heil dat komen zou.

De mensch had God veriaten en naar het rechtvaardig oordeel, over de zonde uitgesproken, was de mensch het waardig dat hij met al zijn nakomelingen vèr van God voor eeuwig ellendig omkwam. Maar daar heeft de Heere geen lust in, naar Zijn eeuwigen vrederaad. En was er dus een breukè tusschen het schepsel en den Schepper, daar wilde de Heere nog een brug slaan over die onpeilbare klove ; welke in de volheid des tijds zou geopenbaard worden, maar waar de Heere vanaf ide eerste dagen van het paradijs over begint te handelen met den mensch.

Zoo komt aanstonds een schemering te midden van de duisternis. Naar Zijn vrijmachtig welbehagen wil de Heere aanstonds spreken van een weg van verzoening, verlossing en heil.

Denk maar aan Gen. 3 : 15 : „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad, datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen."

Een schemering van verlossing dus van uit de verte ! 't Eerste stuk voor de brug wordt aanstonds aangedragen door den Heere ! De eerste steen voor het Godshuis van Sion door den God aller genade getoond !

En neen ! lang niet al de grootheid en al de heeriijkheid van het werk der veriossing schittert dan aanstonds voor het oog van den mensch.

Want wie die Veriosser zijn zou, waar en wanneer Hij zou geboren worden, blijkt nog uii niets.

Maar de Heere gaat dan voort met Zijn toezeggingen van heil en zaligheid. Want weldra zegt Hij in Noachs dagen dat uit Sems geslacht de zegen zaal uitgaan. Daar na dat de Verlosser uit Abrahams zaad zal voortkomen — toen uit Juda's stam, uit Davids huis, uit eene maagd — en eindelijk, dat Sions Goël in Bethlehem Efratha zou worden geboren !

Zoo draagt de Heere door de hand van de profeten steen voor steen aan, die tezamen getuigen van den weg des heils.

En als dan de tijd der schaduwen en dfe dagen der voorbereiding voorbij zijn, dan staat de Heere op om als een Almachtige Bouwmeester Zijn volk te toonen welk huis van vrijheid en zaligheid Hij Zijn Sion bereid heeft en Hij doet geboren worden Zijn eeniggeboren Zoon uit de maagd Maria in Davids vaderstad zeggende : „dat is Uw Heiland, verheug u zeer, u is vrede en zaligheid geworden !"

Wat een werk is dus aan Bethlehems groote gebeurtenis voorafgegaan. Wat vele beloften ; wat een menigte van profetieën ; wat een schat van vertroostingen !

Maar naar Gods gemaakt bestek zouden de steenen niet eerder worden saamgebracht en opgebouwd tot Sions vredepaleis, vóórdat een maagd was zwanger geworden en in Bethlehem een Zoon ter wereld bracht geboren uit den H, Geest.

Dan zou Sions vredepaleis verrijzen, dan zou de weg des levens sieriijk en vast liggen voor eeuwig.

Daar had Adam van gehoord — Jacob stelde er zijn hope op — Jesaja zag door 't geloof de voltooiing. Maar 't was er nog niet. 't Moest nog komen.

En ziet, nu mag in Augustus' dagen de hemel worden gescheurd; en de ladder daalt neder waarvan Jacob in Bethel had gedroomd. De zalige gemeenschap tusschen den hemel en de aarde is voor een arm en ellendig volk hersteld in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, die uit Maria geboren wordt! Halleluja I

Zeker ! de ongeloovige wereld kan heden vragen, staande bij de kribbe in Bethlehem's stal : „is dat nu die groote gebeurtenis, waarover de Heere 40 eeuwen van te voren reeds gesproken heeft en waarover Zijn mond sinds dien tijd niet heeft gezwegen ? " Zeker ! de wereld kan lachen en spotten bij dat kleine wicht, dat omwikkeld is met doeken. En toch ja! dat is dat groote werk, waar de Heere van eeuwigheid over gedacht heeft en waarvoor de eeuwigheid noodig zal wezen om het recht te verstaan.

En de ziele, die waarlijk iets kennen mag van den ontzettenden last der zonde, van de ontroerende zwaarte van schuld, van de diepgaande klove en breuke tusschen den mensch en den Heere — die ziele moet het andermaal in Bethlehem getuigen : ja, dat is de schoonste brug, die ooit gebouwd is, de schoonste weg, die ooit is gereed' gemaakt ; v/ant dat is de gemeenschap met God, de verzoening en de zaligheid voor al Gods volk door Jezus Christus, hunnen Heere, die rijk zijnde arm is geworden om armen rijk te maken."'

Zoo is Bethlehem tot blijde vreugd, vol licht en zaligheid.

God zou komen ; Hij had het voorspeld.

Nu is Hij gekomen, in Jezus Christus, wiens naam Immanuël is.

Mijn broeder en zuster, gevoelt gij er iets van, dat gij heden bij een brug staat, door den Heere van eeuwigheid uitgedacht, en nu, in Christus, na eeuwen van voorbereiding, voltooid ? , ..

Die brug hebt gij noodig.

Omdat er een breuke ligt tusschen u en den Heere. Een breuke om der zonden wil. En een breuke die alleen door dit middel kan genezen worden.

Indien gij geen zonden kent, dan hebt gij ook Christus niet noodig.

Maar indien gij schuld en droefenis moogt hebben vanwege uwe overtreding tegen den Heiligen God, dat u in dood en rouwe doet verkeeren, dan wil de Heere nu spreken van hulpe en heil in Zijnen eigen Zoon, die mensch is geworden om zondaren te redden en zalig te maken.

Geen zondaar zijnde, heeft Bethlehem geen waardij.

Maar zondaar u wetend voor God met een verbroken hart en verslagen geest is er geen gebeurtenis die heerlijker is dan de geboorte van Jezus. Want die Jezus draagt den naam Immanuël. God wil komen tot den mensch om den mensch te behouden en zalig te maken.

O ! als onze ziele daar iets van verstaan mag, dan zij er vreugd.

De schemering is weg — de zonne is opgegaan!

Een gevoel van onrust.

Een gevoel van onrust komt er over velen in de Geref. Kerken,

Er gebeurt ook wel veel den laatsten tijd, wat ook de aandacht trekt buiten die Kerken. Jaren achtereen bestaat al die kwestie van de N.C.S.V. (de Christen-Studenten-Vereeniging), waarbij mannen als dr, Rutgers CS., een eigen standpunt innamen, vrijer dan van een lid van de Geref. Kerken en een zoon van prof. Rutgers verwacht werd. Daarnaast kwam er een beweging van „de jongeren." De kwestie-Netelenbos hield daarmee verband. Daarop volgde de stoute daad van dr. Geelkerken, van Overtoom, (Amsterdam). Nu de kwestie-ds. Wisse, die naar de Chr. Geref. Gemeente is overgegaan.

Geen wonder dat ook „De Heraut" er een artikeltje aan wijdt ; waarvan we een stuk overnemen hier.

Dr. H. H. Kuyper schrijft :

„Er is in onze Kerken eenige ongerustheid gekomen door verschillende feiten, die in den laatsten tijd zich hebben voorgedaan. Eerst kwam de uittreding van dr. Jansen, die, na jaren lang onze Kerken te hebben gediend, zijn ambt prijs gaf en tot de Hervormde Kerk overging en nu als „modern" te boek staat. Daarna volgde de geruchtmakende procedure van ds. Netelenbos, die eindigde met zijne afzetting, omdat hij bleek op het punt van het Schriftgezag afwijkende gevoelens te koesteren. Toen volgde de geruchtmakende predikatie van dr. Geelkerken, die op weinig kiesche manier een predicatie hield tegen het Getuigenis van de Synode door hem aan de gemeente voorgelezen, waarop prof. Ridderbos hem een strenge, maar niet onverdiende bestraffing toediende, waarbij hij niet onduidelijk te kennen gaf, dat hij dr. Geelkerken niet geheel vrij achtte van ethische tendenzen. Daarop kwam het overgaan van ds. Wisse te Driebergen maar de Chr. Geref. Kerk, omdat hij zich in onze Kerken niet meer thuis voelde. En nu komt de mededeeling in de Pers, dat ds. Netelenbos zou verklaard hebben van wel dertien predikanten in onze Kerken brieven te hebben ontvangen, dat zij het met hem eens waren, en die zich thans alleen schuil hielden, omdat de Synode hem had afgezet.

Is het wonder, dat door dit alles zekere ongerustheid, ja nog sterker, wantrouwen is ontstaan ? Men vraagt zich al af, wie deze dertien dan zijn zouden. En men vreest, dat ons kerkelijk leven tot in den wortel toe krank is, waar zulke verdachte verschijnselen zich openbaren.

Nu willen we niet vrede, vrede roepen, waar gevaar is, en den kerkelijken toestand beter voorstellen dan hij werkelijk is. Maar aan de andere zijde mag toch evenmin vergeten, dat het niet aangaat den toestand van het kerkelijk leven te beoordeelen naar zulke op zichzelf staande gevallen."

Natuurlijk wordt ook in ónze kringen over deze dingen gesproken, waarbij verschillende meeningen openbaar worden en waarbij ook gewezen wordt op de herhaalde opvoering van het tooneelstuk „Tante Charley" door de studenten van de Vrije Universiteit, die zich ook in de kwestie-Netelenbos hebben uitgesproken indertijd,

Ev. Vertegenwoordiging = de Vrijzinnigen.

In een stukje over Eibergen, waar de orthodoxe candidaten met ruim 250 stemmen gekozen zijn en de vrijzinnige candidaten met ongeveer 160 stemmen vielen, spreekt dr. Niemeyer in het Vrijz, Weekblad ook over evenredige vertegenwoordiging. Hij zegt daar dit van :

„Tot de voorstanders van evenredige vertegenwoordiging zullen daar ook wel eenige orthodoxen behooren. Maar zooals overal zijn het toch ongetwijfeld in hoofdzaak de vrijzinnigen, van wie de stemmen voor evenredige vertegenwoordiging moeten komen."

't Is dus overal dat de voorstanders van evenredige vertegenwoordiging de modernen zijn.

Dr. Niemeyer kan 't weten. En we zijn hem dankbaar, dat hij het nog maar eens publiekelijk gezegd heeft,

Neen ! evenredige vertegenwoordiging is niets voor orthodoxe menschen.

De vruchten van het modernisme.

In het jaarverslag der Vereeniging voor Inwendige Zending in Noord-Holland komt de volgende beschouwing voor over den toestand der Ned. Herv. Kerk in deze provincie :

„Wie met den toestand der Ned. Herv Kerk in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal bekend is, zal toestemmen, dal deze daar in het algemeen niet zoo rooskleurig is.

In de vrijzinnige gemeenten neemt 't aantal predikantsvacaturen onrustbarend toe. Wij hooren van een ring, waar het aantal vacaturen grooter is dan de helft.

En waarlijk, de verwachting is niet, dat hét in de naaste toekomst beter zal worden. Integendeel, het ziet er naar uit alsof het nog veel erger zal worden.

Meer dan één gemeente doet zelfs geen moeite meer om nog een predikant te verkrijgen, omdat zij dit toch voor onmogelijk houdt.

Andere gemeenten zoeken haar heil in combinatie.

Men tracht van een 'i^inkend schip nog te redden, wat te redden valt.

Een zelfde beeld vertoont het kerkbezoek.

Zonder vrees voor tegenspraak durf ik zeggen, dat het daarmee in het algemeen genomen, treurig gesteld is.

De groote massa denkt er zelfs niet aan om ooit een voet in het kerkgebouw te zetten. Telkens hoort men klagen dat de onverschilligheid hoe langer hoe meer toeneemt.

Nu zal ik niet zeggen, dat in alle gemeenten, waar een positief Christelijke prediking wordt gehoord, de toestand altijd even roos kleurig is.

Degenen, die in Noord-Holland arbeiden, weten wel met welke eigenaardige moei lijkheden wij te kampen hebben.

Maar toch tegenover die inzinking op kerkelijk gebied, heeft het mij bij de lezing dei versla.a; en van de verschillende Evangelisaties getroffen, dat daarin zulk een opgewekte toon de doorloopende is.

Wanneer slechts een enkele verslaggever zulk een opgewekten toon aansloeg, dan zou men dit nog aan persoonlijk optimisme kunnen toeschrijven, maar waar zonder uitzondering door allen die toon wordt aange slagen, daar is dit toch wel een bewijs, dai alleen de prediking van den levenden Christus beslag op de harten kan leggen en ée nooden van een menschenziel kan bevredigen."

Wat toestanden toch!

We lezen in het Orgaan van den Bond van Ned. Predikanten onderstaande twee berichten inzake het beheer der kerkelijke goederen. Zonder commentaar nemen we die twee stukjes, die genoegzaam voor zich zelf spreken, over.

Het eerste bericht was :

Een Hervormde tuin. Kerkvoogden der Ned. Herv. gemeente vain Eelde (Dr.) hebben ƒ 2000.— besteed aan den aanleg van een plantsoen. Zij motiveeren dat met de redeneering : als het de burgerlijke gemeente goed gaat, gaat het ons ook goed, ten slotte is daar zooveel verschil niet in. Zij hebben vervolgens dit plantsoen royaal aan de burgerlijke gemeente aangeboden. Deze vindt dit alles heel mooi, maar wenscht nu ook nog dat de kerk zich zal verbinden voor de helft van het jaarlijksche onderhoud, dat wordt geschat op ƒ 500.—.

Hier staat tegenover, dat kerkvoogden voor kerkelijke belangen geen geld hebben. Voor een kerstboom is geen cent van hen los te krijgen ; in het onderhoud voor kerk en pastorie zijn zij zeer laks ; verzoeken van den kerkeraad, uit wier inwilliging kosten zouden voortvloeien, blijven onbeantwoord.

Kerkvoogden van Eelde staan onder Toezicht.

Het tweede bericht luidde :

De kerkvoogdij van Oudkarspel (N.-H.) heeft een jaarlijksch inkomen van circa ƒ 10.000.—. De predikant dier gemeente bereist stad en land om te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin. Wat doen zij daar met het kerkegeld ? Oudkarspel heeft

Pensioenen voor emeriti en predikantsweduwen.

Het blijkt ons telkens, dat men in onze Herv. Kerk volstrekt niet weet hoe in-treurig het staat met de pensioenen van emeritipredikanten en de pensioenen van de predikantsweduwen-en - weezen

Als een onderwijzer eener lagere school zijn diensttijd heeft volbracht, zeg van zijn 18de tot zijn 60ste jaar, dan verkrijgt hij, als hij rustend-onderwijzer gaat worden, een pensioen van twee-derde van het tractement, dat hij het laatst genoten heeft.

En komt hij te overlijden, dan geniet zijn weduwe een pensioen, v/aardoor zij tenminste voor armoe is gevrijwaard.

Dat gunnen we onzen onderwijzers van harte 1

Maar als een predikant die eerst een zeer kostbaren studietijd van 10 of 11 jaar heeft doorgemaakt en daarna 40 jaren de Kerk gediend heeft, emeritaat aanvraagt — intusschen zoo ongeveer 65 jaar oud zijnde — dan geeft de gemeente, welke hij diende... niets. Geen cent pensioen krijgt hij dan van de Kerk.

Het Rijk geeft dan wat.

Ook niet veel. Maar toch wat. Want het rijk geeft een jaarlijksch pensioen van ƒ 600 minimum, tot een maximum van ƒ 2000.— voor de Amsterdamsche predikanten.

In het algemeen is het Rijkspensioen gelijk aan het bedrag dat door den predikant aan Rijkstractement ontvangen wordt, (met minimum ƒ 600 en met maximum ƒ 2000.)

Er zijn dus predikanten die b.v. ƒ 3000 tractement hebben, benevens vrij gebruik van de pastorie. Hebben ze nu de Kerk 40 jaren gediend, dan laat de Kerk ze gaan en zegt ; „ga heen en word warm."

Het Rijk geeft dan ƒ 600 of meer, al naar mate het rijkstractement was.

Gaat de Kerk hier vrij uit ?

Weet de Kerk niet, dat zij zoo niet in de lijn van Gods Woord handelt ?

Weet de Kerk niet, dat er door emeritipredikanten armoe geleden wordt ? Dat er honger geleden is ?

't Zijn vreeselijke dingen.

Te meer, als er tal van Kerkvoogden en tal van Gemeenten zijn, die meenen, dat ze al héél wat doen, als ze het tractement in deze ontzettend dure tijden met een honderd of een paar honderd gulden hebben verhoogd.

En dan de predikants weduwen en weezen!

Dat is zoo vreeselijk, dat het bijna niet onder woorden is te brengen.

Laten we er eens iets van vertellen. Misschien helpt het.

Bij verschillende Kon, Besluiten is het rijkspensioen voor weduwen van predikanten, behoorende tot de Ned. Herv. Kerk, bepaald op ƒ 100 's jaars.

Zegge één honderd gulden per jaar van drie honderd vijf en zestig dagen.

Voor weduwen van predikanten te Alkmaar, Amersfoort, Arnhem (Assen ? ) Breda Delft. Deventer, Gouda, Harlingen, 's-Hertogenbosch. Hoorn, Kampen, Maastricht, Nijmegen, Schiedam, Sneek, Vlissingen, Zie rikzee, Zutphen en Zwolle is het pensioen bepaald op ƒ200.

Voor die te Dordrecht, Groningen. Haarlem, Leiden, Leeuwarden, Middelburg en Utrecht op ƒ 300.

Voor die te Amsterdam, 's-Gravenhage en Rotterdam op ƒ 400.

De weduwen van Herv. predikanten in de provincie Friesland ontvangen pensioen uit de Friesche Predikants-weduwen-en Weezenbeurs, welke daartoe van Rijkswege jaar lijks een toelage ontvangt.

Als we deze dingen'nu hooren en lezen, voelen we dan niet dat het in deze niet gaat naar Gods Woord ?

En hier moet dan ook zonder talmen radicaal verandering en verbetering komen ; verbetering door de Kerk aangebracht, omdat zij voelt, dat zij hierin nalatig is geweest, in strijd handelend met Gods Woord, dat over Weduwen en Weezen wel anders spreekt!

Dat weet men toch in Christus' Kerk ?

Volledigheidshalve moeten we hier nog iets bijvoegen.

Er is nog een Synodale Weduwen-en Weezenbeurs.

Alle predikanten der Ned. Herv. Kerk zijn tot het lidmaatschap van de Algem. Weduwen-en Weezenbeurs, staande onder beheer van de Algemeene Synode, verplicht en betalen jaarlijks ƒ20 contributie, door het Rijk afgehouden van het Rijkstractement 1ste kwartaal-

Bij elke wisseling van standplaats moet ƒ 20 betaald worden, te voldoen binnen een maand na de bevestiging.

Bij trouwen of hertrouwen hebben ze ƒ 25 te betalen.

Het bedrag der uitkeering aan weduwen is, zoo mogelijk, ten minste ƒ 180.— De laatste jaren was het ± 230 gulden.

De ongehuwde predikantskinderen, die den leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt, treden gezamenlijk op voor het aan deel, als hun vader en moeder overleden is.

Zie zoo, nu weet men hoe de dingen officieel geregeld zijn in onze Kerk.

Gelukkig dat men hier en daar plaatselm . is gaan gevoelen, dat er een pensioen-rege, ling voor emeriti-predikanten komen moest' ook een pensioenregeling voor de predikantsweduwen en - weezen. Het verblljtit ons steeds grootelijks, als we hooren dal hier of daar ook over deze zaak wordt gedacht en gesproken, om daarna dan een regeling te treffen. We weten het, hier zijn groote en vele moeilijkheden. Maar gelukkig, als men dan toch maar probeert het in orde te maken ; want de nood dringt. Uezi zaak kan en mag niet langer wachten.

Een ontdekking.

Ook wij lazen het en in het Orgaan van den Bond van Ned. Predikanten wordt uitvoerig medegedeeld en toegelicht, dat een Raadscommissie te Amsterdam (zegge gemeenteraadsleden van de hoofdstad van ons land)-tot de ontdekking zijn gekomen, dat er aan Zondagsschoolarbeid niets verdiend wordt en dat het werk is-van philantropischen aard („menschlievend" werk).

Dat is aldus toegegaan. Er was een verzoekschrift bij den raad ingekomen „omde vergoeding welke voor 't gebruik der openbare scholen voor het houden van Zondagsschool moet worden betaald, niet te verhoogen."

Dit verzoekschrift werd in handen gesteld van een commissie. En de commissie, die adressanten hoorde, vernam toen — zoo lezen we in de pers — „dat de Vereenigingen die Zondagsscholen houden, uitsluitend philantropischen arbeid verrichten Fondsen bezitten deze vereenigingen niet ; het onderwijs wordt gegeven, zonder dat daarvoor eenige vergoeding wordt genoten ; en de noodzakelijk te maken kosten worden bestreden uit collecten der kinderen en de bijdragen der onderwijzers. Voor de viering van een feest op de Kerstdagen en soms het organiseeren van een enkelen uitgaansdag in den zomer vragen de onderwijzers giften en bestrijden daaruit de onkosten. Op grond hiervan geeft de commissie in overweging geen hoogere vergoeding te vorderen."

't Blijft heeriijk, dat de Kerk zoovéél in stilte doet, zonder het te trompetten in de straten. ;

't Blijft heerlijk, dat er zooveel personei en zooveel vereenigingen geheel belangeloos in stilte werken onder jongeren en ouderen onder armen, zieken, gevallenen, enz. 

De Christelijke godsdienst werkt als zuurdeeg en verlangt om stil te doortrekken al de maten meels.

Maar het doet intusschen toch verbaasd, staan, dat leden van den raad te Amsterdam nu pas tot de curieuse ontdekking komen, dat Zondagsschoolonderwijzer! en onderwijzeressen aan het werk op de Zondagsscholen niets verdienen. Dat Zondagsschoolarbeid een werk van philantropisch karakter is.

Dat men intusschen met dezen stillen en heerlijken arbeid vol ijverig mag voortgaat in stad en dorp !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's