De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij,

7 minuten leestijd

Aanvrage Rijksvergoeding.

De aanvrage om Rijksvergoeding voor onze scholen zal in Januari a.s. niet met aan Ged. Staten moeten worden ingezonden, maar aan den Minister van Onderwijs! Dit maar even ter herinnering nu de nieuwe wet 1 Januari 1921 in werking treed;

Het aantal wekelijksche lesuren.

Het aantal wekelijksche lesuren is van 20 op 22 gebracht. In die 22 lesuren is geen plaats voor Bijbelsche-of Kerkgeschiedenis of voor Godsdienstonderwijs. In een normale schoolweek van 26 lesuren (Maandag, Dinsdag, Donderdag en Vrijdag 5 uren per dag en Woensdag en Zaterdag 3 morgen uren) kunnen dus voor deze specifiek Christelijke vakken, die zeer zeker op onze Scholen met den Bijbel een eereplaats moeten blijven innemen, niet meer dan 4 uren worden gereserveerd.

Te veel is dat niet. Wel te weinig. Hier zal dus iets op gevonden moeten worden ; b, om den middagschooltijd te doena anvangen om half twee, hoewel we de bezwaren voelen. Maar 4 uur per week voor Bijbelsch en Kerk-en Zendingsgeschiedenis is te weinig.

Het leerplan.

Het leerplan zal — evenmin als tot nu toe — onderworpen zijn aan de goedkeuring van het Rijksschooltoezicht. Maar de Inspecteur zal er zijn „veto" over kunnen uitspreken. Hij zal dus kunnen verklaren dat hij het niet goedkeurt. Maar hij zal dat alleen mogen doen, indien het leerplan niet beantwoordt aan de wettelijke eische • ; H Daarom zal bij het opmaken van het leerplan gelet moeten worden door de hoofden van scholen — en de besturen — op het geen hieromtrent in art. 90, 1ste lid  is bepaald. Daar lezen we het volgende :

 Het leerplan bedoeld, in arl. 89, 2de lid geeft den omvang van het onderwijs aan en de verdeeling van de leerstof over de klassen. Dit onderwijs moet gedurende niet minder dan 40 normale schoolweken per jaar worden gegeven ; aan scholen voor gewoon lager onderwijs gedurende ten minste 1 uren per week, waarvan aan beide soorte van scholen ten hoogste twee uren in het vak, vermeld in art. 2 onder k. Het leerplan moet voorts voor elke school het aantal uren aanwijzen, dat besteed zal worden aan elk vak afzonderlijk, alsmede het aantal leerjaren voor elk vak en de verdeeling der leerstof over de verschillende leerjaren, opdat een voldoend en regelmatig voortschrijdend onderwijs in die leervakken wordt verkregen. Bovendien kan het leerplan vakken omvatten verband houdende met de richting van het onderwijs." Er moet gedurende ten minste 40 weken

Er moet gedurende ten minste 40 weken per jaar les gegeven worden. De vacanties samen mogen dus niet méér tellen dan 12 weken

Schoolgeldheffing.

Het recht van vrije schoolgeldheffing is voor de schoolbesturen teloor gegaan. Het 10de lid van art. 89 zegt, dat door het schoolbestuur geen ander schoolgeld mag worden geheven dan volgens art. 95, d.w.z. volgens de gemeentelijke verordening. Het aanslaan in de gemeentelijke schoolgeldheffing zal ook voor de leerlingen, die de bizondere scholen bezoeken, door het gemeentebestuur geschieden.

Het schoolbestuur kan het innen van het schoolgeld aan het gemeentebestuur overlaten, maar het mag de penningen ook zelf innen. Het moet zich in elk geval aansprakelijk stellen voor de voldoening der krachtens de gemeentelijke verordening verschuldigde schoolgelden, d.w.z. 't schoolbestuur mag niet eigenmachtig geheel of gedeeltelijke vrijstelling geven, iets, waartoe het onder de oude wet wèl bevoegd was.

Wanbetaling zal evenwel ook wel bij de bezoekers der openbare school voorkomen, zoo (goed als bij de kinderen van de bizondere school.

Afschrijving wegens wanbetaling zal echter alleen mogen geschieden, indien en voor zoover de gemeentelijke verordening dit toelaat.

De practijk zal moeten leeren of het zelf innen van het schoolgeld al dan niet de voor keur verdient boven het overlaten van dit werk aan de gemeente.

Om den band tusschen het bestuur en de ouders van schoolgaande kinderen zooveel mogelijk te bewaren, lijkt het ons 't meest aanbevelenswaardig, dat het bestuur zelf voor de inning van het schoolgeld zorgt.

De door het schoolbestuur geïnde schoolgelden worden verrekend met de gemeentelijke vergoeding der exploitatiekosten.

Gedurende 1921 blijft de Bchoolgeldkwestie nog zooals ze nu is. De nieuwe methode begint pas in 1922.

De vergoeding voor bestaande scholen.

Te rekenen van 1 Januari 1922 zullen de schoolbesturen eene jaarlijksche vergoeding van de gemeente ontvangen voor de schoolgebouwen en terreinen, die eigendom van die besturen en op 1 Jan. a.s. in gebruik of in aanbouw zijn inclusief de schoolmeubelen. Voor gehuurde schoolgebouwen en voor gebouwen in bruikleen wordt dus geen cent vergoeding gegeven.

Onder scholen in aanbouw zullen mede worden verstaan scholen waarvan de bouwkundige stukken overeenkomstig de bestaande voorschriften vóór 1 Januari 1921 bij het schooltoezicht zijn ingediend. Er staat niet dat deze gemeentelijke vergoeding alleen zal worden gegeven voor school gebouwen die voldoen aan de momenteel geldende regelen van het z.g.n. Bouwbesluit. Ook voor scholen die b.v. in een heerenhuis zijn gevestigd zal dus deze vergoeding behooren te worden verleend; indien althans die scholen eigendom zijn van het bestuur. Niet als het een huur-huis is. Dit strookt trouwens geheel met het beginsel, dat ten grondslag ligt aan het daar straks genoemde derde lid van art. 206. n.l. dat ook onder de nieuwe wet Rijksvergoeding zal worden verleend voor het personeel van een reeds gesubsidieerde school, ook al is deze gevestigd in een gebouw, dat niet aan de eischen voldoet.

Voor het bepalen van deze gemeentelijke vergoeding zullen de gebouwen en terreinen met de schoolmeubelen worden geschat door eene commissie van 3 taxateurs, waarvan — volgens art. 85 van de wet — één door het gemeentebestuur, één door den Onderwijsraad en één door het schoolbestuur zal worden benoemd.

Bij deze kwestie is in de wet alleen sprake van schoolmeubelen.

Over leermiddelen wordt niet gesproken.

Een drinkkroesje zal gerekend worden als schoolmeubel en zal worden vergoed.

Een schoolbord zal gerekend worden onder de leermiddelen en zal niet worden vergoed.

Een tang is een schoolmeubel ; een stemvork is een leermiddel.

Kapstokken, matten, gordijnen, kachels, enz., zijn schoolmeubelen.

Muziekborden, pennenbakjes, thermometers, telramen, enz., zijn leermiddelen

Zoek maar uit!

De kosten der taxatie komen voor rekening van het schoolbestuur. Grondslag voor deze schatting zal zijn de waarde op 1 Juli 1914, dus vóór-oorlogsche waarde. Oorlogs winst is alzoo uitgesloten. Gebouwen na dien datum in gebruik genomen , worden getaxeerd op de waarde ten tijde van de opening der school. Is een schoolgebouw, dat op 1 Juli 1914 in gebruik was, na dien datum, — maar natuurlijk onder de oude wet — uitgebreid en vergroot, dan wordt het oude deel geschat naar den toestand op 1 Juli 1914 en het nieuwe op de waarde bij de voltooiing der nieuw aangebouwde lokaliteiten.

De jaarlijksche vergoeding bedraagt zooveel percent als de 3% Nationale Schuld bij den aanvang van het jaar der schatting oplevert, vermeerderd met 1/2%. Er zal dus ongeveer 61/2% 's jaars van de geschatte waarde worden vergoed. Het schoolbestuur blijft eigenaar van het gebouw. Het is verplicht het schoolgebouw overeenkomstig zijne bestemming te gebruiken, het te verzekeren en het behoorlijk ie onderhouden. De kosten van onderhoud en verzekering worden door de gemeente vergoed. Zoolang het gebouw nog voor de school bruikbaar is, kan het schoolbestuur geea aanspraak maken op stichting van een nieuw schoolgebouw op kosten der gemeente. Betrekt de school een ander gebouw, dan houdt de vergoeding op. Het zelfde heeft plaats als de school wordt opgeheven of door een te gering aantal kinderen wordt bezocht. Wan neer het schoolbestuur de gebouwen en terreinen verkoopt, dan moet uit de opbrengst in de eerste plaats worden terugbetaald het geen de .gemeente eventueel aan de verbouwing of vernieuwing daarvan heeft ten koste gelegd, verminderd met 2% voor elk jaar dat sedert de door de gemeente betaalde verbouwing of vernieuwing is verloopen. Zooals reeds werd gezegd, wordt deze

Zooals reeds werd gezegd, wordt deze gemeentelijke vergoeding uitgekeerd, te rekenen van 1 Januari 1922 af. Over het jaar 1921 hebben de schoolbesturen nog aanspraak op de Rijksbijdrage voor de schoollokalen op den ouden voet. Daarna komt deze Rijksbijdrage te vervallen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij,

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's