Uit het kerkelijk leven.
Het ontstaan van het Kerstfeest.
Het Kerstfeest is het eerste feest dat de Christelijke Kerk jaarlijks viert. Daarna volgen in rij de andere feesten.
Dit eerste feest onzer Christelijke feesten is het laatst door de Kerk ingesteld. De eerste sporen van het Kerstfeest vinden we in Rome, onder Keizer Tiberius 352—366.
Van den beginne af werd met blijdschap en veelplechtigheid Christus' dood en verrijzenis uit het graf herdacht, en de herinneringsdagen aan Zijn verheerlijking (Hemelvaartsdag) en de vrucht daarvan in de uitstorting des Heiligen Geestes (Pinksteren) sloten zich geleidelijk bij Paschen aan. Maar het heeft tot het midden der 4de eeuw geduurd eer men Kerstmis ging vieren. En toen geschiedde deze uitbreiding van den feestkring minder omdat men behoefte gevoelde aan een opzettelijke herdenking van 's Heilands geboorte, dan wel omdat men gaarne de heidensche feesten door betere wilde vervangen. Men hoopte n.l. aldus de z.g.n. Saturnalia te doen plaats maken voor een 'blijdschap van beter en hooger aard.
Van 17—24 December werd door de heidenen met groote uitgelatenheid en in veel losbandigheid feest gehouden ter eere van de zon, die nu wederom toonde, dat de duisternis haar niet kon overwinnen. Deze volkeren leefden bij de natuur en maakten elk jaar met spanning den strijd mee, die eindigt op den kortsten dag. Als dón het zonlicht weder ging winnen, was er telkens weer groote vreugde, en op allerlei wijze werd dit feit gevierd. Daarmede verbond zich de blijdschap over het nieuwe leven, dat in de natuur weldra zou worden gezien, maar ook leefde dan de hope op een gouden eeuw weer op, waaraan het menschelijk hart steeds blijft vasthouden. De ellende, de smart, de ongerechtigheid, de dood zullen niet altoos duren. Eens komt een keer ten goede, houdt alles wat verdrietig en grievend is op, en zal er niet anders dan aangenaamheid en vreugde zijn. Begint nu het licht in de natuur weer in kracht toe te nemen, dan leeft ook die oude verwachting weer op en dit werd met veel luidruchtigheid gevierd en in een uitgieting van allerlei ongerechtigheid.
Aangezien nu de Kerk altoos zich beijverde om langs den meest geleidelijken weg zulke volkszonden uit te roeien, heeft zij getracht door het invoeren van het Kerst feest dit kwaad te breken. En dan werd gesproken over het Licht der wereld, over den Levensvorst Jezus Christus, die op aarde is gekomen om het leven te geven inplaats van den dood, het licht inplaats van de duisternis ; de ontsluiting van het hemelsch paradijs voor een arm zondaarsvolk.
Omdat volgens den Juliaanschen Kalender de winter-zonnestand viel op 25 December koos men dien datum ook voor het Kerstfeest.
Gods grootheid.
God wil bewonderd worden — want alles wat God doet is groot.
Groot is Hij in den hemel, waar Hij zit op Zijn eeuwigen troon. Waar de engelen staan voor Zijn aangezicht en met heilig beven roepen : heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen.
Waar Hij satan en de booze engelen uitwerpt om voor eeuwig te branden in het onuitblusschelijk vuur der hel. Waar Hij voor een arm zondaarsvolk, in eeuwige liefde bewogen, plaatse bereidt, opdat gansch Sion daar zal zitten op stoelen van onvergankelijke heerlijkheid.
Groot is de Heere daar boven. Groot is de Heere hier op aarde, waar Hij het werk der schepping voltooide en met het werk der onderhouding en regeering niet ophoudt. Groot is Hij des morgens, als de zon op Zijn bevel te voorschijn treedt uit de zalen des lichts — groot als des avonds op Zijn wenk de maan lachend verschijnt om der zonne plaats in te nemen.
Des daags strooit Hij goud op aarde, van den Koninklijken zonnewagen nedervallend op mensch en beest — 's nachts doet Hij rivier en meer glanzen onder het zilverlioht van maan en sterren.
Groot is Hij in de stilte van den zomeravond, waarbij de vogels vroolijk zingen — groot is Hij bij het loeien van de herfststormwinden, waarbij de woudreuzen het hoofd buigen en vallen in het stof. Groot is Hij wanneer het water stijft tot ijs en de rivieren daar liggen als kristal — groot als de sneeuw, de aarde bedekt met een wit, smetteloos kleed, waaronder akker en weiland zoet sluimert. Groot, groot is God ! Altijd groot, daar boven en hier beneden.
De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde. Gij, die Uwe majesteit gesteld hebt in de hemelen.
Onze God is toch in den hemel en Hij doet groote wonderen.
Groot is de Heere, groot boven alle goden Hij is God — ja, Hij alleen.
Groot is de Heere als Hij zich beweegt onder de menschenkinderen.
Groote wonderen verricht Hij, als Hij de trotsche, halsstarrige dienstmaagd van Abram bezoekt in de woestijn, als zij, Hagar, daar eenzaam ronddwaalt.
En als Hij nadert met Zijn woorden en beloften, dan voelt zij en bekent zij, dat het een groote daad Gods is en zij noemt de plaats : Lachaï-Roï. Want de Heere is de God des aanziens en des ontfermens. Die omziet naar haar, die niet omzag naar Hem. (Gen. 16 vers 5, 7, 13, 14).
Groote daden verricht God onder Zijn oude bondsvolk, als Hij komt wonen in hun midden boven het verzoendeksel.
De Cherubim weten het, dat God groote wonderen dan wil verrichten en zij staan nacht en dag nederwaarts te blikken als om in te zien in de dingen, die nog verborgen zijn. Hoe het mogelijk is, dat daar naast den vloek der wet nog hemelsbrood ligt; hoe het aanschouwd zal worden, dat een dorre amandelstok bloesemt en rijke vrucht zal afwerpen.
Groot is God als Hij Zich wendt tot David, den herdersknaap, om hem van achter de schapen te roepen en hem te plaatsen op een koningstroon, vol heerlijkheid.
En grooter nog is Hij, wanneer Hij David een Zoon belooft, die eeuwig zal regeeren en Zijn volk zal zaligmaken van hunne zonden.
Ja, daar trekt zich al Gods grootheid saam in Davids grooten Zoon, die de ellendigen zal richten en de verdrukten zal verlossen.
En Hij beveelt den profeten om groote dingen van Hem te zeggen.
Een volk, dat in duisternis zit, zal een licht zien.
En de profeten moeten er bij zeggen, dat et een groot licht zal zijn.
O ! wanneer zal die heerlijke dag aanreken, dat dat groote licht zal verschijnen? Daar gaat de Heere in tot den godzaligen Zacharias, in den tempel. Daar zet God, door Zijn grooten engel Gabriel, Zijn voeten in de nederige woning van de maagd Maria. En de Heere zegt : het groote wonder zal nu geopenbaard worden.
Nu is de dag daar, dat de groote verborgenheid zal gehoord worden : God is geopenbaard in het vleesch
En de engelen zullen spreken van groote blijdschap.
De dag van de groote zaligheid is aangebroken.
En ieder die er in deelen mag, zal grooten vrede genieten.
Ieder die deze groote zaligheid veracht, zal den toorn Gods nooit ontvlieden.
't Is een dag van groote dingen, nu de dag van de geboorte van Christus is aangebroken.
En God de Heere noodigt ons bij vernieuwing uit, om er acht op te geven.
En niemand komt van deze groote dingen vrij.
Want het is óf een dag, die ons tot groote blijdschap zal zijn.
Of een dag, die ons onder den .grooten toorn Gods zal werpen.
Tot groote blijdschap — als we de groote genade Gods mogen leeren bekennen.
Tot grooten toorn — als we op deze groote zaligheid geen acht slaan.
Komt nadert met ons dan tot het groote wonder van Bethlehem.
En de God die groote wonderen doet, begenadige ons om met smaak voor onze eigene ziel, te mogen uitroepen : ziet, hoe groote liefde Jezus Christus heeft voor Zijn Sion en hoe grootelijks de Vader zich ontfermt over Zijn erfvolk.
Hij begenadige ons, om dien grooten Koning ook in óns harte te doen geboren worden, dat groote licht over ónze ziele te doen opgaan, die groote zaligheid ook aan óns te openbaren.
En o ! Zijn arm is toch niet verkort.
Hij die Hagar opzocht in de woestijn, als de God die omziet naar degenen, die niet omzien naar Hem, Hij kan onverschilligen nog bekeeren en bevend doen naderen tot de kribbe, om een verbeurden zegen te schenken.
Hij die gesproken heeft van een groot licht voor een volk, dat nederzit in schaduwen des doods, Hij kan van de kribbe doen uitgaan een verrassende zegen voor hen, die het niet hadden durven hopen en moeten bekennen : ik wist niet, dat de Heere voor mij aan deze plaats zou zijn.
Hij die Zijn volk zoo grootelijks bemint en van groote blijdschap wil spreken. Hij kan Zijn gunstvolk beweldadigen en verblijden, dat zij juichen, ja, ook dat zij zingen.
O ! dat ons aller harte dan tot den Heere mocht roepen om Zijn gunst.
Opdat deze dag niet zegge : gij zult den toorn Gods niet ontvlieden, omdat gij op deze groote zaligheid geen acht geslagen hebt.
Maar dat deze dag getuige : de Heere is groot in schuldvergeven —• Hij is een groot God, die naar een arm zondaarsvolk wil omzien, om hen grootelijks te verblijden.
Christus' grootheid.
„Deze zal groot zijn."
Van uitwendige grootheid is bij Christus geen sprake en kan er geen sprake zijn, omdat Hij, nedergedaald uit een hoogere wereld, zelfs geen blijvend rustpunt in een gevallen wereld kon vinden, naar het diepzinnige woord : „de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des Menschen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge."
Innerlijk was echter alles majesteit aan Hem.
Denk eens aan de zeldzame oogenblikken, waarin Zijn goddelijke heerlijkheid naar buiten uitstraalde, zooals op den berg der verheerlijking, waar Zijn aangezicht blonk als de zon en Zijne kleederen zelfs van Zijn innerlijken glans doorlicht werden, zoodat zij witter werden dan de zuivere sneeuw.
Denk eens aan de macht, waarmede Hij kranken genas, melaatschen reinigde, dooden uit de vallei der schaduwen terugriep.
Denk eens aan de heerschappij over het rijk der natuur, die Hem op de golven deed wandelen en den storm het zwijgen deed opleggen, zoodat er een groote stilte ontstond.
Denk eens aan het gezag, waarmede Hij over de booze geesten gebood en de duivelen uitwierp, of ook aan Zijn uitspraak, dat de engelenlegioenen gereed stonden, om op Zijn wenk van achter het wolkengordijn te voorschijn te treden.
Koning over het rijk der engelen, zoo goeden als boozen.
Koning over het rijk der natuur.
Koning over de wereld der menschen.
Maar bovenal Koning in het rijk der genade.
In dit laatste Koningschap ligt bij uitstek Zijne grootheid, want er is geen hooger majesteit dan de majesteit der ontferming, die Hem drong Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen.
En 't is omdat Hij zich zóó diep heeft willen vernederen, dat God Hem na Zijn opstanding uitermate verhoogd heeft en Hem plaats gegeven heeft op den Troon des heelals, vanwaar de Almachtige door Hem alle dingen regeert.
De hemelsche majesteit van Christus gaat alle beschrijving te boven.
Hij heeft er Zelf met een enkel woord tot Nathanaël van gesproken, toen Hij zich vergeleek bij de ladder die Jacob in zijn droom zag' , , van nu aan zult gij de hemel geopend zien en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen."
De engelen zijn de machten, waardoor Hij 'alles regeert, alle machten klimmen van Hem op en dalen op Hem neder, ze gaan van Hem uit en keeren tot Hem terug, zoodat Christus als Heerscher in het midden van het gansche heelal staat!
Die heerschappij duurt in eeuwigheid.
Zijns Koninkrijks is geen einde.
Aan alle koninkrijken op aarde komt eenmaal een einde. Opgaan, blinken en verzinken — dat is de droeve loop der wereldgeschiedenls.
Maar Christus Jezus is Koning in eeuwigheid ; zoolang er een zon aan den hemel straalt, zal Zijn schitterende Troon bevestigd worden en als de zon eenmaal uitgedoofd wordt, verschijnt Hij Zelf in verblindende majesteit op de wolken des hemels, zoodat aller oog de grootheid van Christus zal aanschouwen.
Zalig het volk, dat Hem mag kennen als hun Koning en God.
Waarbij straks de wereld, die van de ware grootheid niets bemerkt en zich met valsche schatten verblijdt, uit den mond van Sions grooten Koning zal moeten hooren . gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend, gij, die de ongerechtigheid liefhebt."
Dan zal Zijn grootheid schitteren in den hemel, op den berg der heerlijkheid, waar al Gods kinderen zullen vergaderd worden.
Dan zal Zijn majesteit blinken in de hel, waar al Zijn vijanden zullen worden gebonden, als loon hunner ongerechtigheden.
Een blij Kerstfeest.
Het Kerstfeest is een tijd, die door kleinen en grooten met verlangen wordt tegemoet gezien en met vreugde doorleefd. Doch er is in datverlangen en die vreugde ontzaglijk groot verschil. Dat ziet ieder, die slechts een blik rondom zich slaat.
Daar zijn er, helaas o zoo velen voor wie het Christusfeest niets anders beduidt, dan een tijd van rust, van vrijaf, van bezoek en huiselijk leven, van geven en ontvangen, van blij maken en blij zijn.
Dit alles nu kan kostelijk wezen. Het Kerstfeest is het feest van Gods liefde ; van het groote Godsgeschenk ; van groote blijdschap, welke voor al de volkeren is bereid. En daarom is het heerlijk op dat feest thuis te zijn, blij te zijn, weldadigheid en liefde te bewijzen. Maar ieder gevoelt toch wel, dat 't niet de ware Kerstvreugde is als Christus niet het middelpunt van alles is en als Hij niet gekend en geëerd wordt als de genadegifte Gods bij uitnemendheid.
Wie zal ooit een geboortedag vieren, zonder allereerst den geborene te gedenken ! En is de geborene niet het middelpunt van alles ?
Daarom zöu het toch dwaas zijn om van „Vrede op aarde" te spreken, als men daar onder alleen wil verstaan de rust, die het Kerstfeest enkele dagen lang over heel de wereld pleegt te brengen. Even dwaas zou het zijn, om, wat gelukkig bij ons nog niet gewoonte is, van het „Christuskindje" een soort St. Nicolaas te maken, die stilletjes in den nacht geschenken brengt.
Neen, de ware Kerstvreugde is alleen daar te vinden, waar Christus, het Kindeke in de Kribbe, de Eenige is om Wien alles draait en Gods onuitsprekelijke gave in Hem de eerste stof tot blijdschap ! Het Kerstfeest zegt ons toch, dat de wereld zonder Christus verloren ligt, reddeloos verloren ; maar dat de Heere gedachten des ontfermens en des vredes heeft gehad over een zondig, verloren menschengeslacht. Waarbij de Apostel jubelt: „alzóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen éeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."
Die dat geloof mist, die mist alles.
Die dat voorbij ziet, die ziet het voornaamste voorbij.
Die dat niet beseft, heeft geen Kerstfeest.
„Was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren.
En niet in u, zoo waart gij toch verloren".
En neen ! dan moet Christus niet alleen geroemd worden als een dief mensch ; als een goed man ; als een groot leeraar; als een mooi voorbeeld.
Dan moet niet maar alleen verteld worden, dat wij nu God beter hebben leeren kennen, en dat Jezus gekomen is om ons waar geluk te bevorderen, als we Hem nu maar volgen als onzen leermeester en vriend Dat Jezus gekomen is om ons de ware deugd te leeren en ons zoo op te voeden tot kinderen Gods, kinderen van onzen hemelschen Vader.
Er moet maar niet geleeraard worden, dat Hij gekomen is om ons een anderen kijk op het leven te geven en ons de raadselen des levens op te lossen.
Er moet maar niet verteld worden, dat Hij is gekomen om de volkeren uit onwetendheid en uit barbaarschheid te verlossen en te brengen tot een hoógeren trap van beschaving en cultuur, van wetenschap en deugd.
Want als de Schrift Jezus noemt het Licht der wereld dan wordt daarmee nog iets anders gezegd.
Iets anders, dat we voor alles moeten leeren verstaan, n.l. dat Jezus Christus is, wat l. Da Costa zong :
„Mijn Redder, mijn Goël, mijn zondenvernieler. il
Mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer' en mijn God!"
Het is een zegen, óok op 't Kerstfeest, als men weldadigheid mag bewijzen. Als de Heere ons daartoe verwaardigt en genade geeft.
Het is een zegen, óok op 't Kerstfeest, als we thuis mogen verkeeren in den kring van onze familie. Ais de Heere ons de onzen nog liet. ü
Het is een zegen, óok op 't Kerstfeest, ie als we mogen gedenken dat de Heere in Zijn algemeene liefde wil geven op een hoogeren trap van beschaving en ontwikkeling en wetenschap te staan dan de geslachten die ons voorgingen en de volkeren die ons omringen. En in deze hebben we, met Gods Woord in de hand, een roeping voor onzen naaste, ook voor de wildste volkeren. Maar waar het op Kerstfeest voor ons en voor ieder allereerst op aankomt, is, dat we in Jezus Christus mogen kennen ook ónzen Heiland en Zaligmaker, van God gegeven om in Hem te mogen spreken van : „God met ons".
Dan zingen we op 't Kerstfeest, dan zingen we blij : • „Wij voegen juichend onze stem
Bij 't englenheir van Bethlehem". En dan zingen we, met de Kerk van Christus van de eerste eeuwen :
Geloofd zij 's Vaders een'ge Zoon ! Hij bracht ons van Zijns Vaders troon De rijkste zegeningen :
De rijkste zegeningen : Hem onzen helper in den nood, Hem, onzen redder van den dood, Moet al wat ademt zingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's