Staat en Maatschappij.
Miskend.
Het nieuwe ontwerp-Zondagswet heef blijkens het Voorloopig Verslag, dat een paar dagen geleden verscheen, bij heel wat leden der Kamer bezwaren ontmoet.
Nieuwe gezichtspunten leverde het afdeelingsonderzoek van het wetsontwerp intusschen niet op.
Een ieder weet het, dat een groot gedeelte der bevolking den Zondag besteedt voor vermaken en voor ontspanning, dat er op dien dag sportfeesten plaats hebben, landdagen worden gehouden en zangersfeesten worden georganiseerd. Ook behoeft 't Verslag dit niet nog eens afzonderlijk te melden, dat op Zondag vele menschen op reis gaan, schouwburgen worden bezocht en wedstrijden worden bijgewoond. Dit is alles overbekend.
Maar wat iets geheel nieuws is, is wat het Staatsstuk meldt, dat aan dit alles niemand aanstoot neemt en dat het een ijdele verwachting zal zijn als men hoopt dat zij die door het wetsontwerp in hunne ontspanning worden belemmerd, den daardoor vrijkomenden tijd aan kerkbezoek zullen besteden. De leden, die deze opmerkingen maakten, lijken ons van naïviteit niet vrij te pleiten. Hetzelfde geldt ook van die leden, die van oordeel waren, dat vermakelijkheden den zondag niet ontheiligen.
Hoe zouden wij willen vragen, kunnen zuIke opmerkingen in een ernstig stuk een plaats vinden.
Er schijnt geheel over het hoofd te zijn gezien, welke beteekenis de nieuwe Zondagswet heeft. Het ontwerp heeft tweeërlei strekking, n.l. vordering van Zondagsrust in maatsohapïlijk opzicht en het scheppen der mogelijkheid om den Zondag te heiligen. Nu geven we onmiddellijk toe, dat het niet op den weg der Overheid ligt om aan 't volk voor te schrijven, dat de Zondag moet worden geheiligd, maar wèl behoort 't tot de taak der Overheid om de beletselen van publieken aard, welke aan heiliging van den Zondag in den weg zouden staan, op te ruimen. Het ligt buiten het terin der Overheid, hoe iemand zijn Zondag wil besteden, mits hij door zijn handelingen een ander in zijn recht op een rustigen Zondag niet aantast. Want dit is juist het eigenaardige van hen, die er voor ijveren vrij te zijn, om zich naar eigen lust op den Zondag te vermaken, dat zij het recht van anderen op een vrijen Zondag niet eerbiedigen, want voor de vermaken van den een is een ander verplicht arbeid op Zondag te verrichten.
Deze laatste beschouwing, die door het A.R. Kamerlid, den heer Van der Molen, op de vergadering van den Bond van A.R. Gemeenteraadsleden op 13 December gegeven werd, lijkt ons meer de bedoeling van het wetsontwerp weer te geven, dan de opmerkingen, die in het Voorloopig Verslag blijkbaar uit de linkergroepen der Kamer voorkomen.
Van den kant der laatsten heeft men den aard en de strekking van het nieuwe ontwerp-Zondagswet miskend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's