Nieuwjaars-Overdenking.
Wie zal ons het goede doen zien ? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere ! Psalm 4 vers 7b.
Onze Verwachting.
AIweer een jaar voorbij. Wat gaat alles vlug ! Ook den christen kan de snelheid des tijds pijnlijk treffen. De jaren vliegen daar heen. 't Is alles als een schaduw, als een droom. En wie weet hoe weinig jaren nog volgen. Weinig in aantal en kort van duur.
Een oogenblik, kan ook de christen met weemoed zich stille neer zetten om de kortheid zijner dagen te overpeinzen. Waar dient ook eigenlijk alles voor ? 't Gaat alles zoo snel voorbij, gelijk de wolkengevaarten door den stormwind voortgedreven. En ach, als dan de balans opgemaakt wordt, wat menigte van zonden, wat veelheid van tekortkoming ; wat groot, ja, zéér groot is de schuld bij God en de menschen gemaakt ! Waar dient het leven eigenlijk voor ? Het leven, te midden van zooveel rumoer der tijden ; zoo vol van strijd en moeite. Wat denkkracht ? Wat is werkkracht ? Wat zal alles ?
Maar dan schiet de ziele van den christen vleugelen aan. Dan heft de christen het hoofd omhoog. En hij of zij die waarachtig geleerd heeft, om bij Betlehems kribbe de knieën te buigen, staat op te midden van en levensstrijd en neemt het woord van Jesaja over : „Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde noch moede noch mat wordt ? " En als God niet moede noch mat wordt, dan is er ook voor Gods volk geen nood. Want laat 't maar zijn, dat geld en goed ten slotte ijdelheid is; dat denkkracht en werkkracht tenslotte gebroken neerzinkt ; dat jeugd en manlijke kracht op de vleugelen van den wind voorbij gaat. Die bij Bethlehems kribbe den Heere vond, om verzoening van-zijn zonden schuld te mogen ontvangen, diens ziele wordt vervuld met sterkte en blijde hope, om het geloovig te mogen nazeggen : „Hij geeft den moede kracht en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien die geene krachten heeft; de jongen zullen moede en mat worden en de jongelingen zullen gewisselijk vallen ; maar die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden" (Jes.40)•
Kniel dan voor den Heere, o mensch ! niel voor Hem in het stof, juist in dezen crisis-tijd ; juist in deze dagen van reuzenkrachten ; juist in deze tijden waarin geld, groot kapitaal, bond en organisatie alles, alles meent te kunnen dwingen en regeeren. Kniel voor den Heere, om in Jezus Christus te mogen opstaan tot vrede en zaligheid, dan kan uwe ziele zioh verblijden, want het heden en de toekomst hoort Hem, die alles schiep en sinds bewaarde, om het alles te richten naar Zijn Raad, tot eere Zijns Naams tot zaligheid en blijdschap van Zijn volk.
Alles kraakt, alles wankelt. Men zegt dat de grootste crisis nu weldra komt. Men spreekt er van, dat we wandelen als op vuur dat de vulcaan op openbarsten staat. En vreeselijke tijden zijn aanstaande. Wie, wie zal ons 't goede doen zien ?
Wie ? Wel, zoo antwoordt de christen : Onze tijden zijn in Gods hand. En omdat ze in Gods hand zijn, zijn ze veilig, voor allen die Hem vreezen.
Neen, natuurlijk ! de christen weet óók niet precies wat er komen zal. En waar vreeselijke tijden wel eens voor de deur kunnen staan, omdat de ongerechtigheden zoo vele zijn, daar kan ook zijn harte van angst in een krimpen. Wie huivert niet tegen donkerheid, lijden, nood en dood in ? Ook de christen is mensch !
Nochtans staat de christen, die zijn God vinden mocht in Hem, die op aarde kwam om zondaren zalig te maken, weer anders tegen de toekomst over, dan degenen die geen hope hebben. De toekomst is des Heeren. En daarom is de toekomst voor Gods kinderen veilig. De toekomst in déze bedeeling, ook de toekomst in de eeuwigheid. — Ja, heerlijke toekomst voor Christus' Kerk, als straks een nieuwe hemel en een nieuwe aarde er zijn zal, waarop gerechtigheid woont. O, „gouden eeuw", voor Christus' bruidskerk weggelegd !"
Maar dan gaat het ook hierom : „verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere !"
't Gaat om Gods nabijheid ; om Zijn gunst ; om Zijn alles vervullende genade. Dat geeft rust, vrede, rijkdom, vreugd. Dat geeft moed, denkkracht, werkkracht. Neen, de toekomst staat niet hopeloos. De toekomst is des Heeren. Ja, de wereld zal met de toekomst verkeerd uitkomen, 't Zal tegen loopen. 't Zal een groot en vreeselijk debacle worden. En we vliegen er heen, naar die ontzettende catastrophe. Maar de christen is idealist Zijn ziele schiet vleugelen aan. Als 's Heeren aangezichte maar over hem licht in vriendelijkheid. Als Hij maar in gunste tegenwoordig is.
De stammen zijn gelegerd in de woestijn. En de woestijn is zoo groot, zoo wijd, zoo breed, zoo lang. Voort, voort moet het door die woestijn. Maar de tabernakel staat in het midden des volks. God, geopenbaard in het vleesch, is met hen ; Jezus Christus. En nu mogen de pinnen niet te vast in den grond geslagen, 't Moet voort, steeds voort. Werken, strijden, van dag tot dag. De luiaard zal gescheurde kleederen dragen en die niet werkt, zal ook niet eten, spreekt de Heere. Maar de Heere is met ons. Ook als de weg door de zee gaat Hij zorgt voor al de Zijnen ook door water uit de rotssteenen en brood uit den hemel te geven in Jezus Christus.
Wilt ge dan Uw toekomst verzekeren ? Wilt ge dan het goede zien? Wilt ge dan vrede en vreugd genieten nu en tot in alle eeuwigheid ?
Bouw dan geen toren van Babel ; wandel niet in des boozen weg ; zit niet neder in het gestoelte der spotters ; roem niet met den Pharizeer ; redeneer niet als de rijke jongeling ; maak u geen vrienden uit den mammondienst en jaag niet naar de gunst der wereld. Kniel, kniel voor den Heere. Buig u voor Hem neder. En die mag opstaan voor Zijn aangezicht, om Christus te 'bezitten als zijn Borg en Zaligmaker, diens ziele mag worden getroost, met de blijde verzekering : „de Heere zorgt voor u". Waarbij de bede dagelijks worde opgezonden : „verhef gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere".
Zoo gaat het door de woestijn, bij het licht van de vuurkolom des nachts.
Zoo gaat het naar het hemelsch Jeruzalem, waar het enkel licht zal wezen.
Ja, des christens ziele schiet vleugelen aan, als het harte mag worden vervuld, met de blijde ervaring van Gods gunst en genade in Christus. Dan is de christen idealist en hij gaat de toekomst tegen, zingende : „de Heer is bij mij, 'k zal niet vreezen ; wat zal een nietig mensch mij doen ? "
En anders ? Het ergste zal nog door veel ergere dingen overtroffen worden. Nu reeds. Maar straks in de eeuwigheid vreeselijker nog.
Dat is het loon van den zondedienst, voor hem of haar die onverzoend leeft en onverzoend sterft
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 december 1920
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's