De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenklng.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenklng.

EEN WEGGELEGD GOED

13 minuten leestijd

O, hoe groot is het goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vreezen, dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen. Psalm 31 vers 20.

EEN WEGGELEGD GOED,

Het maakt een verschil, reusachtig groot, hoe, in welk licht, het leven en zijn uitkomst worden beschouwd.

Tegenwoordig, nietwaar, zoekt men hoe langer hoe meer de meening ingang te doen vinden, dat het leven ophoudt .met den dood. Het graf is het eindpunt. Verder mag niet gerekend. Alleen wat we zien, geldt.

Wanneer zóó het leven wordt beschouwd Is het heel iets anders dan, zooals we allen weten, Gods Woord leert.

Uit de hand van den Eeuwige, met een lichaam uit stof, maar waarin een ziel woont voor een korten tijd op deze aarde temidden van duizend beslommeringen, omgeven door roepstemmen zonder tal, gaande elk ogenblik een stap nader naar de eeuwigheid om daar wederom dienzelfden God te ontmoeten.

Een reusachtig verschil : het leven slechts voor het leven, de tijd slechts voor den tijd, mensch slechts voor zichzelven, of alles ondergeschikt en onderworpen en vastgestrikt aan de eeuwigheid, aan den eeuwig zijnde.

De apostel noemt het zoo : indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hoopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen. Maar plaatst het nu eens, zooals het geplaatst moet worden : een eeuwigleidskind, maar dat van God afviel en daarom aan den dood onderworpen doch door een vrije greep, alleen uit vrijmachtig welbehagen op Christus geworpen hier als mijn Borg en mijn Hope, Die mij, als mijn tijd is uitgediend op aarde, Zelf thuis haalt om eeuwig te roemen in het werk Zijner zaligheen.

Het leven is reusachtig verschillend, maar je dood graaft de klove nog dieper. Wat de jood is voor den een, of wat hij zijn zal voor den ander, neen, voor dat onderscheid weet ik geen naam te vinden.

Wellicht hebt ge het wel eens gezien en anders moet u de verbeelding in dezen maar helpen.

Daar is een schip, dat uit volle zee de haven binnenvalt. De laatste oogenblikken zijn benut, ge kunt het uit alles afleiden. De reizigers staan gereed. Wat ze mee moeten nemen, staat vlak onder hun bereik, ze wachten nog maar het oogenblik af, dat de machine haar laatste slag heeft gedaan, vanuit de verte hebben ze al gezien en gewacht naar de personen, die hen zullen aflossen. En de treeplank is niet uitgeworpen, of daar snelt een kind zijn moeder, een zoon zijn vader, een bruidegom ziijn bruid in de armen. Die reis is volbracht. Wat men zich voorgesteld had, werd verkregen.

Zoo is het sterven van dengene, die den Heere vreest. Als de harteslag de laatste wenteling doet en de treeplank der eeuwigheid wordt uitgeworpen, dan valt de ziel aIs een verlangende bruid haar Bruidegom in de armen. Zij is thuis voor eeuwig.

Zoo is het heengaan van Gods kinderen.

Maar nu — zullen we getrouw zijn, zoo moet ook de uitkomst geteekend die daar tegenover staat.

We houden ons in denzelfden gedachtenring. Daar is op het schip een passagier, die schijnbaar de waarschuwing van den kapitein niet heeft vernomen. Tenminste daar is temidden van al het haastig beweeg : van rondom bij hen een niet te loochenen dralen. Hij schijnt in plaats van blij te zijn, veeleer spijt te hebben dat de reis ten einde spoedt. Als 't kon, zou hij zich versteken. De laatste slag van de machine schijnt zijn bloed te doen stollen. Over de treeplank moet hij gesleurd.

En waarom nu — waar ligt de oorzaak van dit verschil. Och, heel eenvoudig : zijn hart sprak er van en zijne consciëntie beschuldigde hem en zijn oog had hem aanschouwd — hij is een vluchteling, hij heeft een vonnis ten zjijnen laste. Daar bij de plaats van aankomst wacht hem de rechter, hij gaat zijn oordeel tegemoet.

Kan het u niet verbazen, lezers. Of een Geliefde in de armen, óf een Rechter aan den voet. Of de hoogste vreugde óf de diepste smart. Het hangt er maar vanaf, of we voor eigen rekening staan, voor eigen schuld, voor eigen zonde, of dat we het eigendom werden van Christus, of Hij onze liefde won, ons kocht en betaalde. Dan haalt Hij het Zijne ook thuis.

'k Weet, het gevaar is groot; wanneer we telkens den hamer op dezelfde plaats laten nedervallen, is het, alsof de klank van uit die plaats wijkt. Ge wordt er zoo telkens aan herinnerd, aan dood en henengaan. We willen ook nu niet anders. We spreken thans met u over het heerlijk voorrecht van Gods kinderen, beide in leven en sterven. We doen dit aan de hand van de woorden van den Psalmist.

David was koning. Wanneer één spreken kon van voorspoed op zijn wegen, van kennelijke leiding Gods, voorzeker hij was die man. Van zijne broederen de kleinste, van hen allen gansch niet gerekend, had de Heere door Zijne keuze hem naar voren gebracht, hem gezegend en geleid, wonderlijk.

Maar als ge nu meenen mocht, dat hij alleen de hoogten des levens betrad, zoo vergist ge u deerlijk. Ook in de diepten waren zijne gangen, ja, inzonderheid daar. Wat is daar over dat gekroond hoofd wat heengegaan, niet te noemen. En al zal hij de eerste zijn om te belijden: alles om mijne zonde, toch was het vaak moeilijk om in die donkere wegen het hoofd niet te buigen als een bieze. Waar hij zijn kracht vond, bij niemand anders dan bij zijn God. Op U o Heere betrouw ik, zoo vangt de 31ste Psalm aan. Hij was in moeite, in groote verlegenheid. Zijn eigen vleesch stond tegen hem op, trachtte hem van den troon te stooten, ja, als het gekund had, aijn levensadem af te snijden. Hij was vluchtende voor zijn zoon Absalom. Op een enkeling na is hem alles afgevallen. Zijn raadslieden bleven achter voor een deel, van delippen van een zijner knechten werd hem een vloek naar 't hoofd geslingerd. Ja, hoort hij het niet duidelijk, hoe de vreugdekreten opschallen : Absalom is koning.

Denkt het u in : in zulk een benauwdheid zinkt de koning op zïjn knieën met de bede : „help mij uit door Uwe gerechtigheid. Red mij haastelijk, wees mij tot een sterken Rots steen, tot een zeer vast huis om mij te behouden. Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijne sterkte."

Deze Psalm is vergeleken bij den gang van een vluchteling over de bergen. Nu eens stond hij in de diepte, op het punt als weg te zinken in een rotsspleet, dan weer zag hij zich opgetrokken en vastgehouden. Luistert maar, als de bange klacht aan zijne lippen ontvliedt — ge zult haar nogmaals hoofen van de lippen van den grooten Zone Davids — „in Uwe handen beveel ik mijnen geest." Zoo volgt daar onmiddellijk op : „Gij hebt mij verlost, Heere, Gij, God der Waarheid Gij hebt mij niet overgeleverd, Gij hebt mij doen staan in de ruimte."

Is het niet, als of een, die wankelt ten doode, opeens weer vastigheid voelt. Een sterke arm heeft hem gegrepen. Doch het is er onmiddellijk weer noodig. Als de Heere geholpen heeft, moet Hij weer helpen. Hot is niet waar, dat met ééne uitredding kan worden volstaan, des Heeren hand moet telkens grijpen. Die zooeven heeft geroepen : „Gij hebt mijne voeten doen staan in de ruimte", stamelt een oogenblik later : „wees mij genadig, Heere, want mij is bang".

Aan de eene diepte is niet ontkomen, of de andere dreigt. Evenwel geen nood, dezelfde lippen die zuchten : „vreeze is mij rondom, dewijl zij tezamen tegen mij beraadslagen, jubelen een moment later : maar ik vertrouw op U, o Heere, ik zeg „Gij zijt mijn God, - Mijne tijden zijn in Uwe hand."

En nu is het, alsof de Heere in deze groote benauwdheden ook de grootste zegeningen wil verleenen. Hij neemt David, Zijn knecht, gelijk Mozes weleer, met Zich en geeft hem een vergezicht als van een der toppen van leed in het land der heerlijkste beloftenissen. David heeft hier zijn Nebo. Hij mag aanschouwen mét zijn geestelijk oog de voorrechten, de zegeningen, de heils goederen, welke de Heere geven zal hier — dit slaat op de woorden in het slot van onzen tekst — „in de tegenwoordigheid der menschenkinderen", maar ook en niet minder aan wat er wegschuilt aan de overzijde van den Doodsjordaan. Vandaar dat hij als op de knieën voor zijn God komt te liggen en ten aanhoore van heel het volk uitroept: „O hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt."

Wij willen ons in deze oogenblikken waar we dit gedeelte van Gods Woord zullen overdenken, aan den voet van dezen Nebo nederzetten — neen, ik verbeter het onmiddelijk — zoo het kon zijn, met hem inblikken in het beloofde land.

We spreken dan over:

Het weggelegd goed.

Het verrukkelijke dat dit inheeft.

Over degenen voor wie het zijn zal.

„Hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt."

Het gaat hier over „goed." We kennen dit woord ook uit de Schrift Neemt maar eens de gelijkenis van den verloren zoon : „Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt."

We spreken dan ook van goederen.

Evenwel is dit van een ander soort. De tegenstelling schuilt in dat enkele woord, dat er aan voorafgaat: „Uw.""

Het onze heeft weinig waarde, is van geringe beteekenis. Waarin het ook bestaat, het draagt alles het teeken der vergankelijkheid aan het voorhoofd.

De dichter van Psalm 39 teekent het zoo schoon :

Gaat niet de mensch als in een beeld daarheen.

Gelijk een schaduw, die verdwijnt ?

Men woelt vergeefs ; men brengt met zorg bijeen Al wat óp aard begeerlijk schijnt, En niemand is verzekerd, wie eens al Die goed'ren naar zich nemen zal.

Ons goed heeft weinig waarde.

De Heiland zegt dan ook : „vergadert u geen schatten ep de aarde, waar ze de mot en de roest verderft en waar de dieven door graven en stelen, maar vergadert u schatten in den hemel."

Zie, daarheen richt zich hier de wijsvinger „Uw goed", Heere.

En nu moet het ons dadelijk al van de lippen. Daarnaar gaat ons hart nu van nature ganscheljijk niet uit. Het zoekt eerder — en daarin treedt de schrikkelijke breuke in het helderste licht van alles wat uit Adam ontsproot — naar het goed dat vergaat en naar het stof, dat enkel onbestendigheid heet.

Het treedt bij den een uit in meer groveren vorm, de jacht naar dingen van zuiver stoffelijken aard, enkel materie. Men noemde dit in de dagen van voorheen „brood en spelen", daar is ook een zoeken van het goed in meer fijneren vorm. Dit beweegt zich schijnbaar iets hooger, toch behoort het alles tot deze wereld, het komt er niet boven uit.

Zie, daartusschen beweegt zich nu de mensch en al predikt nu alles rondom hem „het bevredigt u niet en zal u niet bevredigen", toch grjijpt hij altijd maar weer met beide hariden daarin. En wat ouder hij wordt, wat moeiliijker het gaat aan die zuigkracht van 'het aardsche zich te ontworstelen. Het heeft hier iets van het beeld, dat ge vindt in den drenkeling in het verre Oosten. In die moerassen is zulk een welige plantengroei, het geheel is met zulk een dichte samenhangende massa overtogen, dat gerust het „verloren" kan worden uitgeroepen over den man, die daarin gevallen, zich zoekt op te werken alleen. Elke poging daar toe schijnt beantwoord te worden met een nieuwe slingering van een grijpende plant, nederzetten — neen, ik verbeter het onmidken. Zonder hulpe van hooger hand is hij gewis verloren.

Zoo is „ons" goed.

Maar nu waarvan de dichter spreekt: „Uw" goed.

Het mag — het spreekt als een boek — niet losgemaakt worden van God Zelf.

Psalm 25 bezingt het zoo heerlijk :

„Wie heeft lust den Heer' te vreezen 't Allerhoogst en eeuwig goed."

Daar hebt ge 't. Hij Zelf is het en Hij Zelf geeft hét. W4e H«m niet heeft leeren liefheibben, zal ook het Zijne niet willen. Wanneer daar door de wondere werking des Heiligen Geestes, door middel van Zijn eigen Woord, uit den hemel niet iets in het harte gewrocht wordt, dat naar God vraagt, het nieuwe leven, dat naar Hem zich keert, zoo zal er nimmer een zoeken zich richten naar dat goed, dat nimmermeer vergaat.

„Uw" goed. Wat dit inheeft: al de zegeningen die Hij gewerkt heeft en al de heils goederen, die Hiij heeft weggelegd. Dat is het werk wat Hij voor de Zijnen deed, wat Hij in hen legt en wat Hij voor hen bewaart. Dat is de gansche weg des heils. In de eeuwigheid ligt de grondslag en tot in der eeuwigheid is zijne voortzetting. Het omspant al de eeuwen. Het is heelemaal van God — hier moet ge goed acht op geven — „Uw" goed, daar is geen mensch, die er iets aan toevoegde. We hopen aanstonds hierop nog meer uw aandacht te vestigen.De Drieëenige God heeft het uitgedacht, uitgewerkt en uitgereikt. Is het plan de raadslag van den Vader, de Zoon heeft het uitgevoerd en de Geest komt het toe te passen. En nu is de gedachte van scheiding ons vreemd, maar toch .zal ondefscheiding strekken tot beter verstaan.

Hier wordt gesproken van goed, dat weggelegd is, verborgen staat er eigenlijk. Er staat in de Schrift op een andere plaats : „het is nog niet geopenbaard wat we zijn zullen, het is nog als in windselen gelaten." De sluier van de eeuwigheid hangt er nog voor; alleen de hoogten van Pisga geven een blik als in den vroegen morgenstond aan iemand die uit een droom ontwaakt. Hij ziet als een Mozes vanaf den woestijnrand in het land der ruste.

En wat is het nu, dat 't oog aanschouwt? Wat heeft die hemel voor heerlijkheid in ? Wat Gods volk hier in beginsel reeds bezit, heeft het daar volkomen. Verlost en bevrijd van alle kwaad. Den Heere kennen in Zijne daden. Zijne handelingen. Zijn wezen ; nooit meer iets misduiden, enkel Hem liefhebben, zich geheel in Hem verliezen. Het eigen-ik, dat zulk een willig bondgenoot had en zooveel voedsel vond in het vleesch, ligt nu in volkomen aanbidding, want in het graf is het reiskleed gebleven, dat zoo zat vol rimpel en smet. In één woord, wat van den Heere was is nu geheel zich in Hem verliezende, het leeft uit Hem, door Hem en tot Hem en wat tegen den Heere inging, is voorgoed achterwege gebleven. De dood, die een laatste vijand was, heeft hier een dienst verricht, zooals van een vriend mag verwacht. Hij, de vijand, moest de ziele den doortocht geven, door zijne poorte heen kwam zij thuis voor eeuwig.

Denkt u dat in : een slaaf, die nooit anders werkte dan in ketenen, voortdurend getuchtigd door een harden heer, te weinig gevoed om te leven, te veel om den, adem te geven, die nooit anders had gekend dan dit, alleen de herinnering bleef hem bij : heel in mijn jeugd is het gekomen door mijn schuld, toen was ik vrij ; maar thans nu zulk een slaaf ontmoet zijn Redder. Deze heeft den losprijs betaald, met zijn bloed werd de vrijbrief onderteekend, alleen de tijd, dat hSj wordt afgehaald, thuis gebracht, ligt bij den Meester.

O, als dat oogenblik aanbreekt en de keten valt af en de zweep van den drijver wordt nog enkel van uit de verte gehoord als een wegstervende klank. Die slaaf komt niet alleen in vrijheid in een hut, maar als kind aan den Disch, als koningszoon in het Paleis.

Kan het u verwonderen, wanneer daarvoor het oog geopend wordt als de Heere achter dien eeuwigheidssluier doet heenblikken, dat dan de mond zich opent als van een kind in verbazing : „o, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt".

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenklng.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's