Uit het kerkelijk leven.
Het Mormonisme.
Het Mormonisme is grof bedrog. (1 Johannes 4 vers 1). We willen dat maar aanstonds zeggen, om dat onze einduitspraak toch niet anders zijn mag. Laten we er saam maar eens over spreken
De Mormonen willen zoo niet genoemd worden. Ze wiijzen dien naam altijd af; ze willen niet genoemd worden naar een mensch ; ook willen ze niet als „secte" te boek staan.
Ze noemen zichzelf „de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste dagen."
In dien naam gluurt dadelijk u testen die zelfgenoegzaamheid, aan-sectaristen eigen. Z ij zijn de Kerk van Jezus Christus. Anderen zijn dat niet. Z ij zijn de heiligen. Anderen mogen toezien. Z ij leven bij de wederkomst van Christus. Anderen leven daar los van. Jammer, dat bij dat alles niet Gods Woord, maar eigen meening het middelpunt is.
Hoe de secte ontstaan is ? Door bedrog en uit geestelijken hoogmoed
We gaan dat bewijzen en we zullen daar bij zien, dat bij deze secte alles gemist wordt wat haar nog eenigszins zou kunnen adelen en verheffen. En we moeten eigenlijk huiveren van het bedenkelijk, bedriegelijk, onzedelijk geknoei, dat hier schering en inslag is.
Toch is het Mormonisme een machtig ver schijnsel in de wereld geworden. Zijn organisatie, zijn actie, zijn Zendingswerk onder schier alle beschaafde volken spreekt luide van grootheid, ijver en kracht, zoodat ieder die een oog heeft voor de „geestelijke stroomingen" onzer dagen goed zal doen ook met het Mormonisme te rekenen en zich eenigszins op de hoogte te stellen van deze secte.
Ga maar naar Utah in N.-Amerika, een stad aan het Zoutmeer gelegen, waar de hoofdzetel der Mormonen is en als ge daar dan den schitterenden Mormoonschen tempel ziet, voelt ge, dat de secte „der Heiligen der laatste dagen" wat beteekent.
'n Prachtgebouw van graniet is 't. 't Heeft meer dan 10 miljoen gekost. En de tabernakel, niet ver van daar staande, biedt zitplaatsen voor 9000 personen.
Dét geeft u een indruk van de macht van het Mormonisme. Ook van den invloed op ons Nederlandsche volk, als ge hoort, dat daar in Utah niet minder dan 600 Hollandsche families wonen, waarvan gelukkig even wel weer enkelen van de dwaling huns wegs zijn teruggekomen.
Groot en machtig !
Dat blijkt ook uit 't feit, dat wel een paar duizend zendelingen alle beschaafde volken afreizen om proselieten voor het Mormonisme te maken.
Te Amsterdam werkten toen wij onze opgaven verzamelden, 18 zendelingen en 58 hulppredikers ; te Rotterdam met zijn drukke vaart op Amerika werken niet minder dan 22 zendelingen en 67 hulppredikers ; in Arnhem 13 zendelingen en 21 hulppredikers.
In 1910 zijn er alleen te Rotterdam 948 bijeenkomsten gehouden. Men heeft 22948 bezoeken gebracht en bij 3075 personen ds men méér dan ééns geweest. Er zijn 15997 boeken verspreid, 103942 traktaatjes uitgegeven, enz. enz. Cijfers die spreken en ons toeroepen waakzaam te zijn en het zwaard des Geestes, d.i. Gods Woord te gebruiken tegen deze indringers, die Gods Woord verdraaien en zielen misleiden met schijn-schoone en gemaakt-vrome redeneeringen. (1 Joh. 4 vers 1).
Vooral vrouwen, jongedochters en dienstboden zijn in gevaar, want bij voorkeur wer ken de zendelingen onder kinderen en vrouwwen, om ze te lokken tot het Mormonisme over te komen en straks mee te gaan naar Amerika ; hoewel ze daar nooit dadelijk mee voor den dag komen, doch dat voor later bewaren.
't Mormonisme is nog geen eeuw oud. (Georganiseerd in April 1830).
Jozef Smith is de stichter van „de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste dagen."
Uit eenvoudige ouders geboren in de stad Sharon in N.-Amerika in den jare 1805, was hij spoedig een voornaam man. Hij had gezichten en openbaringen van zijn 15de jaar af. Zijn ouders stonden bekend als bedriegers en oplichters ; hij zelf muntte niet uit door verstandelijke ontwikkeling en lust om met werken zijn brood te verdienen, maar rijk in gezichten, visioenen en openbaringen wist hij spoedig naam te maken ; waarbij hij zich beriep op Jac. 1 vers 5 : „indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die een iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden" ; een woord, dat natuurlijk vol strekt niet doelt op wondere gezichten, visioenen en bovennatuurlijke openbaringen.
Zielkundig is Jozef Smith een even groot raadsel als Mohammed, de stichter van den Islam. Maar evenals deze wist hij zich naam te maken en zijn roem ging uit wijd in den omtrek.
't Was een geestelooze tijd in 't begin van de 19e eeuw, ook in Amerika. Toch begon er beweging in de dorre doodsbeenderen te komen hier en daar. En Jozef Smith wist daar partij van te trekken met zijn openbaringen, visioenen, profetieën en wonderen.
Hij leerde, dat alle Kerken en alle secten even slecht, verdorven en verwerpelijk waren. Er was niets goeds in en men mocht zich ook bij geen van deze aansluiten. De Geest had hem dat duidelijk geopenbaard en het lag klaar voor hem.
Zulke menschen zijn er meer ; die zichzelf dan heel gewichtig wanen, die sterke inbeeldingen hebben. Van die wonderlijke menschen, die niet uitmunten door gezond verstand, maar die groot zijn in eigen oog, door wondere gezichten en ideeën, waarover ze altijd spreken. Het tikje eigen waarde, dat ieder mensch heeft, is hij zulken wat groot uitgevallen en ze trachten altijd anderen te beïnvloeden en mee te sleepen, om zoo het middelpunt van een kring, het hoofd van een groep, partij of secte te worden.
Zoo groeien soms de kerkjes, de kringetjes, de secten als paddestoelen uit den grond en de verdeeldheid wordt hoe langer hoe grooter, waarbij het bestaan van zulke secten of kringen dikwijls bizonder taai is.
Jozef Smith vertelde, dat 21 Sept. 1823 hem de engel Moroni verschenen was ; welke Godsgezant hem kwam zeggen, dat ergens op een bepaalde plaats, op een heuvel, in den grond verborgen, een steenen kist te vinden was, waarin zich gouden platen bevonden, waarop een zekere profeet Mormon en zijn zoon Moroni in de 4de Ie eeuw né Christus het Evangelie Gods geschreven had.
Dat wijst dus dadelijk op een eigen Bijbel een eigen evangelie van Mormon. En daar gaat het dan ook tenslotte om bij de Mormonen. Zij hebben een eigen profeet, een eigen Bijbel, een eigen Evangelie en Gods Woord komt daarbij achter te staan.
Die profeet Mormon had geleefd onder de z. g. n. Nephieten, een zonderling slag menschen, nauw verwant met de Amerikaansche Roodhuiden. Van deze Nephieten wordt verhaald, dat zij eigenlijk het ware Israël waren, nakomelingen van de 10 verloren graakte stammen Israels — nakomelingen dus van Éfraïm, waar de Heere Jezus na Zijn opstanding zich levend vertoond heeft en aldaar heeft gewerkt met wonderen en teekenen.
Terwijl ónze Bijbel dus spreekt van de geschiedenis van Juda en deze tot middelpunt der historie maakt, neemt het Boek van Mormon het óp voor de verloren geraakte en vergeten 10 stammen, als nakomelingen van Efraïni, die in Amerika ergens gewoond hebben ; en het Boek van Mormon zegt dan, dat de Heiland juist aan die Nephieten in Amerika Zijn apostelen en profeten heeft gegeven en beloofd heeft, als Hij weer op aarde komt, zich dan in Amerika te zullen vestigen, om daór het nieuwe Jeruzalem te bouwen.
En nu was M o r m o n een van de profeten der Nephieten geweest, die het evangelie hun had bekend te maken. Maar om de wille van de zonden, waarin de Nephieten gevallen waren en geleefd hadden, had de Heere de apostelen en profeten van hen genomen en de Nephieten waren door de Roodhuiden uitgeroeid.
God liet zich nu voor een tijd met die Nephieten niet in.
Die straf moesten ze dragen om de wille van hun ongehoorzaamheid en gruwelbedrijf.
Maar nu had God er voor gezorgd, dat Mormon en zijn zoon Moroni, dat alles hadden opgeschreven en op Gods bevel had den ze toen in 420 dat wondere gouden boek met vreemde letterteekens in den grond begraven, waar het op den berg C u-m o r r a h in Ontaria 1400 jaar verborgen bleef, zonder dat iemand iets van het bestaan ervan wist, totdat het in den nacht van den 21 sten en 22sten Sept. 1823-door Jozef Smith werd opgegraven, na een openbaring van den engel Moroni of Nephi. 1)
De Mormonen wijzen bij deze geschiedenis gewoonlijk op Jes. 29 : 4 „dan zult gij vernederd worden en gij zult uit de aarde spreken en uwe spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen ; en uwe stem zal zijn uit de aarde als van eenen toovenaar en uwe spraak zal uit het stof piepen" en op Ps. 85 : 12 „de waarheid zal uit de aarde voortspruiten en de gerechtigheid zal van den hemel nederzien."
Zoo wil men de domme bedriegerijen dek ken met bijbelteksten, geljijk dat van alle secten, maar bizonder van het Mormonisme, 'n eigenaard gheid is, om voor alles 'n bijbeltekst aan te halen, maar natuurlijk die tekst dan uit z'n verband gerukt en niet zelden geheel en al verdraaid en verknoeid. Men heeft er speciale boekjes voor om alles met bijbelwoorden te kunnen staven, waarom we bij onze gesprekken met zulke lieden ook wel terdege op de hoogte moeten zijn van allerlei, van onze christelijke geloofsleer, maar vooral zullen we thuis imoeten zijn in de Schrift, opdat We niet handig direct onderstboven gepraat worden, door dé volgelingen van Mormon.
In een wonder licht verschijnt Jozef Smith dus, door goddeljijke openbaringen onderricht. Hij was toen nog jong, pas 18 jaar Maar hij was toen al een persoon van gewicht, daar hij kon verhalen van allerlei visioenen en ten slotte van die vondst van gouden platen met geheimschrift, waarbij twee heldere steenen waren opgegraven, die de Urim en Thummim bleken te zijn.
Aan niemand mocht hij die gouden platen laten zien. De hemel zelf had hem daar ernstig voor gewaarschuwd. En natuurlijk dat Jozef Smith zich daar ook streng aan hield. Het bedrog was daardoor heel wat gemakkelijker gemaakt. En wel toonde hij later, toen sommigen aan zjijn vondst begonnen te twijfelen, een onderteekend bewijs van enkele mannen, waarin dezen verklaarden de gouden platen met het hemelsch schrift gezien te hebben. Maar toen die mannen, eerst volgelingen van Smith, later in vijanden verkeerd waren, hebben ze verzekerd door Smith te zijn omgekocht, om een valsch getuigenis in deze te geven, daar zij in werkelijkheid nooit of tenimmer iets van Smith's wonder boek hadden aanschouwd
De Mormonen intusschen gelooven even stellig, dat het boek Mormon bestaat, als wij gelooven, dat de Bijbel er is. En ze zijn er van overtuigd, dat God Jozef Smith gebruikt heeft om ^ijn oude en echte Evangelie weer bekend te maken, waarbij het ware Israël, zijnde de nakomelingen van Efraïm, weer naar voren is gekomen. En zij zijn het echte volk des Heeren. Want de andere Christenen, de nakomelingen van Juda, zijn verbasterd en gelijk aan heidenen geworden. Ze hebben de ware, volle Godsopenbaring niet, en dolen met den Christennaam op goddelooze, eigengemaakte, valsche wegen. Maar de Mormonen zijn de ware Christenen, in rechte lijn afstammend van het echte, oude volk van God ; en hun evangelie is het oude, echte evangelie, dat om der zonde wil lang in 4e aarde is verborgen geweest, maar nu door goddelijke openbaring aan Jozef Smith wederom is bekend gemaakt, gelijk het door Mormon, den grooten profeet, is geschreven. Het gaat tegen de wederkomst van Christus. We leven in de laatste dagen. En daarom is de Heere aan Zijn knecht Jozef Smith verschenen om het ware evangelie weer bekend te maken en temidden van de valsche Kerken de ware Kerk van Christus van de heiligen der laatste dagen te stichten, en aller oog weer te richten op het echte heilige land, Amerika, waar Jezus staat te verschijnen straks om daar het nieuwe Jeruzalem te bouwen ; waarom ook alle ware aanhangers van Mormon voor Amerika bizonder veel moeten voelen en daarheen te trekken, waar straks de Heiland zal gezien worden en het Vrederijk. .
Het boek van Mormon, dat Jozef Smith in 1829 in 't Engelsch vertaald heeft, is verdeeld in 15 hoofdstukken, terwijl er stukken van Jesaja, de Evangeliën (vooral de Bergrede) en de brieven van Paulus in voor komen ; van deze laatste 't minst. Voorts is het doorspekt met meer en minder letterlijke aanhalingen uitjden Bijbel, waarbij het merkwaardig is, dat drukfouten uit de Engelsche Bijbels van 1820 reeds voorkwamen in het oude boek van Mormon, die 400 jaar na Christus leefde. Een bewijs natuurlijk, dat wat in Mormons boek staat kladwerk is van Smith en zijn handlangers, die het voor Mormons werk uitgaven.
Ook hier groote overeenkomst tusschen Smith en Mohammed, die óók beweerde al lerlei gezichten en openbaringen te hebben gehad, om daarna een boek, de Koran genaamd, saam te stellen, in 144 hoofdstukken verdeeld, waarin heidensche, joodsche en christelijke leeringen dooreengewerkt zijn
Jozef Smith heeft succes gehad met z'n vondst. Velen beschouwden hem spoedig als een rijk bevoorrecht man Gods. Waarbij weer hetzelfde uitkomt als zoo dikwijls té voren, dat de mensch uit en van zichzelf dwaas is en tot alleriei dwaling en leugen zich voelt aangetrokken, vooral op godsdienstig gebied; waarom de Heere Jezus bij Zijn omwandeling op aarde zoo ernstig gezegd heeft: de dagen komen, dat men zal zeggen hier is de Christus of zie, Hij is daar; gelooft het niet, want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan en zullen teekenen en wonderen doen, om te verieiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen."
Waarbij Paulus getuigt: ze zullen zichzelf zoeken en niet Christus", „van dewelke ik u weenende zeg, dat zij vijanden van het kruis van Christus zijn, welker God is de buik en welker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aardsche dingen bedenken" (Fil 3). „Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie en ijdele verieiding, naar de overlevering der menschen, naar de eerste beginselen der wereld en niet naar Christus." (Col. 2). „Staat dan en doet aan de geheele wapenrusting Gods, waarbij Gods Woord nuttig is tot leering, tot wederiegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is." (1 Tim. 6 : 3 ; 2 Tim. 1 : 13, 14 ; 2 Tim. 3 : 16, 17).
In den nacht van den 21sten en 22sten Sept. de hemelsche aanwijzing.
Den volgenden morgen begaf Jozef zich naar den hem aangewezen heuvel, gewoonlijk „de Mormoonsche heuvel" genoemd. Daar vond hij de platen, benevens den sleutel ter verklaring. Maar toen hij op 't punt stond het gevondene weg te nemen, verscheen Moroni hem wederom en verbood hem zulks te doen, terwijl hij hem beval van jaar tot jaar deze plaats te bezoeken. Eindelijk, in Sept. 1827, werden de stukken hem ter hand gesteld. Jozef zette zich tot de vertaling in 't Engelsch en in 1829 verscheen het verslag als: „het Boek van Morm o n."
(Wordt vervolgd).
De „nieuwe" Verbondsleer.
Door het uittreden van ds. Wisse, van Driebergen, uit „de Geref. Kerken" is weer aan de orde gekomen de kwestie van de Verbondsleer, en wel van de „nieuwe" Verbondsleer. Want immers, dat wordt door ds. Wisse als hoofdoorzaak van zijn heengaan aangegeven, dat die „nieuwe" Verbondsleer heel de kerkelijke atmosfeer heeft bedorven, zoodat het er voor hem niet meer is uit te houden.
Dezer dagen vonden we een artikeltje in het sinds verdwenen maandschrift „Ons Tijdschrift." 't Is van de hand van A. Drost en dateert uit 1910 ; dus een jaar of tien oud. Toen schreef de heer D., lidmaat der Geref. Kerk te X. het volgende, dat we zonder commentaar hier overnemen :
„Wij moeten de oorzaak van het versterven van het frissche geloofsleven, van de loome mist die het bontgesmukte veld met kille ^grifsheid dekt, niet zoeken buiten ons (on2: e kringen), maar in ons. Indien ons dook. het catechetisch onderwijs enz. een levens-en wereldbeschouwing wordt gegeven, die ons tenslotte moet blijken met de werkelijkheid in strijd te zijn — dan moet wel de akker onzes harten hoe langer hoe meer dor en onvruchtbaar worden. Wel verre dus van voor de inzinking waarover zooveel wordt geklaagd, naar allerlei oorzaken te zoeken, moest zij ons allereerst doen vragen of zij niet een gevolg is van de wijze, waarop wij in de Waarh e i d onderwezen zijn.
't Zal nu van lieverlede de tijd worden de vruchten te gaan oogsten van den geforceerden arbeid, waardoor de nieuwere — volgens sommigen de oudere — Verbondsbeschouwing ons Gereformeerd kerkelijk en godsdienstig leven is ingedragen. Het zal nu zoetjes aan gaan blijken, of die voorstelling inderdaad heeft geleid tot opbloei van het geloofsleven, dan wel of zij voert tot starre dogmatische godsdienstigheid, die voor een wezenlijke godsvrucht evenmin plaats laat als het moderne Christendom zonder Verlosser.
Over hetgeen er omgaat tusschen God en onze ziel kunnen wi] aan elkaar geen woorden kwijt. Laat ons het erkennen: datgene waarover onze oude vromen zoo gaarne met elkander spraken, toekoort ons niet meer ; van die innerlijke zielswerkzaamheden verstaan wij nauwelijks iets meer, ja, veelal is het ons een „voorrecht" aan dat naïve, kinderlijke leven ontgroeid te zijn. 't Welk ons ernstig moet doen vragen of het niet hoog noodig is, onze plastische voorstelling van de leer des genadeverbonds eens met deze kille practijk te vergelijken.
Want hoewel er inderdaad in theorie telkens weer op gewezen wordt, dat „genade geen erfgoed" is, indepractijk gaat men tewerkalswasditwèlzoo. Er zijn velen onder ons die het nauwelijks hebben kunnen dat de predikant onder zijn gehoor onderscheid maakt; hij moet tot „de gemeente van Christus" spreken en — daarmee uit
Onze kinderen zijn „bondelingen" en moe ten worden opgevoed als waren zij „wedergeboren." Wat komt er in de practijk van terecht onze kinderen er op te wijzen, dat zij „zonder wedergeboorte het Koninkrijk Gods niet kunnen ingaan ? "
De heilige onrust : zou het met mij wel goed staan voor de eeuwigheid ? heeft daar daar in bijna ons gansche opkomend geslacht plaats gemaakt voor een zekerheid ? Och neen, voor een eenvoudig zich laten neerkomen op hetgeen hunne ouders nog maar heeten te veronderstellen.
Daardoor komt het, dat zoodra de kracht des geloofs in beproevingen zou moeten blijken, deze niet aanwezig is en de jeugdige geloovige ervaart dat er zoo weinig, zoo héél weinig positiefs voor hem ligt in hetgeen hij geleerd heeft van de dingen die Boven zijn.
Daarbij komt, dat er ook bijna niemand behoefte gevoelt daarover met hen te spreken en wie zou het ook, wijl het besef dier hoogere behoefte langzamerhand uitsterft.
De noodzakelijkheid der bewuste bekeering wordt weggenomen door de wedergeboorte als r e g e 1 bij de geboorte te stellen, waarop dan weer min of meer gegronde „veronderstelde wedergeboorte" bij den Doop berust.
Nu spreekt het wel vanzelf, dat bij de meer gezond mystiek aangelegden deze vrij oppervlakkige voorstelling vooral wanneer zij, wat helaas dikwerf geschiedt, zeer bruut en eenzijdig voorgedragen wordt, protest . uitlokt.
Het is geen wonder dat hij, die bij ervaring weet, wat er in zijne ziele is omgegaan, eer hij zich de gemeenschap aan de goederen van het Genadeverbond toeëigenen durf de, eer hij zich rekenen durfde onder degenen die in oprechtheid God vreezen, onmogelijk zich bij die voorstelling neerleggen kan.
Daartoe weet hij te goed, hoe hij aan zichzelf is ontdekt, te goed hoe God hém ge leerd heeft, dat hij arm, jammeriijk, blind en naakt was en hoe hij als „vertreden lag in zijn bloed: " Daartoe weet hij te goed, hoc er een stonde der minne in zijn leven is geweest, waarin de Heiland Jezus Christus aan hem werd geopenbaard als z ij n Middelaar, als z ij n Zaligmaker, als z ij n Heere en Heiland. Daartoe weet hij te goed, dat hij te voren blind was, hoe goed ook onderwezen in de Schrift en dat hij nu, n u ziet door het licht, dat de Heilige Geest Zélf in zijn hart ontsteekt.
Hoe kan hij zijn kind leeren, dat het !n dien zin een kind des Verbonds is, dat het d i e goederen des Genadeverbonds krachtens zijn geboorte deelachtig is ? Zou hij geen verraad plegen aan de ziel van zijn kind, als hij het niet leerde wat hij als noodzakelijk heeft leeren kennen ?
O, mocht deze overweging bij vele onz'ér leeraars wat zwaarder wegen, hoe geheel anders zouden zij tegenover hunne gemeenten staan, dan nu, nu zij die beschouwen als de compacte massa geloovigen, waartusschen zich — maar dan toch sporadisch ! — óók een enkele hypocriet bevindt".
Staat en Kerk.
Vreemde verhoudingen toch ! Daar krijgen de Waalsche Kerken, 16 in getal, per jaai zoo ongeveer 36 duizend gulden Rijkstractement, Arnhem, tellende 162 leden, f 1050 per jaar; Middelburg, tellende 83 leden, f 1200 per jaar ; Zwolle, tellende 57 leden, f 400 per jaar (en nog f 600 van de burgerlijke gemeente per jaar) ; Groningen met 58 leden, f 1300 per jaar ; Breda met 84 leden, f 1000 per jaar; 's Hertogenbosch met 44 leden, f 1200 per jaar ; Maastricht met 48 leden, f 1600 per jaar.
Waarom moeten toch een 23-tal Waalsche predikanten 36000 gulden Rijkstractement hebben ? En dat voor zoo'n bespotte lijk gering getal „Walen !
Zotter nog is 't dat de Remonstrantscfan gemeente te Woerden (die niet meer be staat) nog f 300 per jaar van het Rijk om vangt. In naam voor den predikant vj Zwammerdam — die nooit in Woerde komt.
Hoe eerder aan deze zotte verhouding een eind komt, hoe beter dat zou het zijn. Trouwens het moet tot een losmaking van den financiëelen band komen over hééle linie. En liefst spoedig, vóórdat de tijd is aangebroken, dat men eenvoudig een streep haalt door wat nu aan de Kerken, bizonder aan de Herv. Kerk, wordt uitbetaald
't Is nu nog tijd dat kalm en zakelijk over deze dingen kan gesproken worden. Men wil nu nog hooren van een „billijke schikking" waarbij de Kerken zullen komen in het bezit van haar „wettig eigendom."
En als dan de Kerk haar eigen bezit heeft en beheeren mag, dan moeten alle financiëele uitkeeringen van den Staat aan de Kerken ophouden ; waarbij de Kerk(en) de taak hebben te aanvaarden en te vervullen, om in eigen onderhoud te voorzien,
Zou dat niet meer naar 't Woord zijn dan de toestanden, waaronder wij nu leven ? Politieke colleges als Ministeries, Eerste en Tweede Kamer moeten spoedig buiten de kerkelijke zaken komen te staan en de Kerk heeft zichzelf, onder Jezus Christus haar Koning, te regeeren.
Bedenkelijk verschijnsel.
Bedenkelijk verschijnsel. In een referaat, door ds. O. Groenewoud van Ee, op de Predikantenvergadering te Leeuwarden gehouden (October j.l.), lezen we, dat hij over „de opstanding van Jezus Christus en de mensch" gesproken heeft. Hij heeft dit onderwerp gekozen, omdat er aldus ds. Groenewoud — voor den zelfden kring pas prof. De Zwaan, van Groningen was opgetreden, die „ons omtrent de lichamelijke opstanding van Christus in twii]fel liet."
Waarvan dan nog nader wordt gemeld dat een vraag dienomtrent aan het licht bracht, dat prof. De Zwaan „de lichamelijke opstanding indien al niet ontkend dan toch als bezwaariijk aanneembaar achtte, blijkende uit de ten onrechte aangehaalde woorden van Paulus : „vleesch en bloed kunnen het Koninkrjijk Gods niet beërven."
Ds. Groenewoud zegt, „dat dit punt hem bleef vasthouden" en dat hij daarom bovenstaand onderwerp voor zijn referaat koos.
We kunnen natuuriijk niet op deze zaak ingaan, daar we geen bizonderheden weten. Maar we mogen aannemen, wat ds. Groenewoud hier verklaart aangaande prof. de Zwaan niet uit de lucht is gegrepen en daarom noemen we een verklaring zooals prof. de Zwaan blijkbaar omtrent de lichamelijke opstanding van Jezus Christus geeft, een bedenkelijk verschijnsel.
Omtrent een dergelijk centraalstuk van onze Christelijke belijdenis moet men zich verklaren.
En hier mag niet geduld, dat men ontkent wat de Schrift ons leert en wat onze belijdenis noemt als een steunpilaar van Christelijk geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's