De vaste Burcht.
Wekenlang was in het stadje B. reeds uitgezien naar de dagen waarop een groot feest gevierd zou worden. Lang van te voren was men reeds bezig geweest overal versieringen aan te brengen, om de feestvreugde te vergrooten en bijna niets anders werd besproken dan het komende feest. Eindelijk was de lang verwachte dag, waarop het feest zou beginnen, aangebroken en reeds vroeg in den morgen waren de anders zoo stille straten met feestgangers gevuld, want men wilde zooveel mogelijk genieten.
Op het platte dak van een der huizen midden in het stadje, had een muziekkorps plaats genomen, om vandaar de muziek over het stadje te laten hooren, want zonder muziek was geen feestvreugde denkbaar. „Een vaste Burcht is onze God, een Toevlucht voor de Zijnen", was het eerste wat gespeeld werd op den eersten morgen van het feest. Plechtig en indrukwekkend klonken de tonen van het lied des grooten Hervormers vanuit de hoogte door de, met een joelende en lachende menigte gevulde straten, waar het echter weinig indruk maakte, want niemand dacht na over wat gespeeld werd, men hoorde muziek en dat was voldoende. Maar, alhoewel de feestvierende menigte niet lette op wat werd gespeeld, niet bedacht dat die God, Welke zulk een vaste Burcht voor de Zijnen is, tevens een rechtvaardig Rechter is voor wie Hem ver-Jaten, toch werd dat lied niet vergeefs gespeeld, werd het in 's Heeren hand nog gebruikt als middel om een wankelende ziel te ondersteunen.
In een huis, in een der hoofdstraten van het stadje werd namelijk door een meisje een zware strijd gestreden en de tonen van dat bekende lied (gaven haar kracht tot volharden en te overwinnen in 's Heeren naam.
Dagen lang was zij reeds met bange vrees" vervuld geweest, wetende dat men haar zou vragen ook feest te vieren, ook mee te doen met die zingende menigte en dat was haar niet mogelijk. Zij kon geen feest vieren, niet meedoen met die allen, want idoor genade had zij geleerd dat haar ziel den Heere miste en dat vervulde haar steeds met droefheid en smart, dat deed haar steeds zuchten en klagen, dat deed haar in de eenzaamheid zoo vaak bitter weenen. Maar zij gevoelde zich ook zoo zwak om te strijden voor den naam en de eer des Heeren en telkens weer vreesde zij, in de dagen welke aan het feest voorafgingen, niet te durven weigeren als haar gevraagd werd mee te gaan. Met die bange vrees was zij ook dien morgen vervuld, daar onder gebukt verrichtte zij haar , arbeid, terwijl gedurig de zucht uit haar ziel opsteeg om te mogen staande blijven, als haar straks gevraagd werd mee te gaan. Opeens echter hoorde zij het lied dat buiten werd gespeeld en als aan den grond genageld bleef zij staan. Die tonen doortrilden haar gemoed, die waren haar als een boodschap des hemels, de Heere, die vaste Burcht, doet Zijn hulp verschijnen in het drukkend leed, in het dreigend lot en de waarheid daarvan mocht zij in het zelfde oogenblik ervaren. Nauw was het lied uitgespeeld of men vroeg haar mee te gaan, maar thans vreesde zij niet meer, kon zij alle bespottingen verdragen, kon zij met vrijmoedigheid antwoorden, niet te kunnen, durven of mogen meegaan. Vast, onwrikbaar als een rots, stond zij met van heilige ! geestdrift schitterende oogen, terwijl haar waarschuwende stem weerklonk, dat de genietingen der wereld slechts zoo kort duren, terwijl de nasmaak zoo wrang en bitter is. I
„Kiest u heden wien gij dienen zult", zoo besloot zij, „zoo Baal god is, volgt hem na, maar zoo Jehova God is, volgt Hem na, wat echter mij aangaat, ik wil den Heere dienen I"
Niemand durfde haar meer iets te zeggen, allen gingen heen, haar alleen achterlatende.
Welk een bron van ongekend genot waren de nu volgende, stille, eenzame uren voor haar, welk een vreugde, welk een blijd schap was het haar alleen met den Heere te zijn, genietende van den vrede, welken Hij in haar hart uitstortte. Een uur in Zijne tegenwoordigheid was haar meer waard dan alle schatten der wereld. En in heilige verwondering blikte ze op tot den Heere, met de vraag wat Hem toöh bewogen had naar haar om te zien, wijl zij toch niets beter was dan al die menschen, welke als aan satans macht waren overgegeven, wier luid gezang tot in haar eenzaamheid doordrong. Dan verhief ook zij hare stem, ook zij zong ; een lied, tot lof en prijs van haar Schepper, haar God, tot eer van Hem, Die in de lure van verzoeking zulk een vaste Burcht Zich voor haar betoonde en door het verlaten huis weerklonk de lofzang :
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt d' eere toegebradht. Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eef kroon dragen. Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen ; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Is die vaste Burcht ook uw God reeds, of gaat uw hart nog uit naar wat de wereld biedt ? -
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's