Uit het kerkelijk leven.
III.
We zouden nog iets van het Boek van Mormon meedeelen. Niet veel meer, want 't is ons de moeite niet waard om het over te schrijven en te lezen.
Maar toch willen we nog hier en daar wat uitpikken, om een indruk te krijgen van den Bijbel der Mormonen.
In het boek Jakob hoofdst. 6 vers 27 lezen we dezen onzin : „En ik, Jakob, zag dat ik spoedig in het graf moest nedergaan ; daar-' om zeide ik tot mijnen zoon Enos : Neem deze platen. En ik deelde hem de dingen mede, welke mijn broeder Nephi mij gebo-den had en hij beloofde gehoorzaamheid aan de geboden. En ik eindig mijn schrijven op deze platen, hetwelk maar weinig is ; en den lezer roep ik vaarwel, hopende dat velen mijner broederen mijne woorden mogen lezen. Broederen, vaarwel 1"
Is 't niet net een stukje uit een brief vaneen jongen van 10 jaa r? In het boek Enos hoofst. 1 lezen we : • •
„Ziet, het geschiedde, dat ik, Enos, wist dat mijn vader een rechtvaardig man was ; want hij leerde mij in zijne taal en eveneens in de leer en de vermaning des Heeren. Gezegend zij de naam zijns Gods daarvoor !•
En ik zal u de worsteling vertellen, welke ik had voor God, eer dat ik eene vergeving mijner zonden ontving.
Ziet, ik ging in het woud om te jagen, en de woorden , welke ik dikwijls van mijnen vader had hooren spreken aangaande het eeuwige leven en de vreugde der heiligen, zonken diep in mijn hart.
En mijne ziel hongerde ; .en ik knielde neder voor mijnen Maker en ik riep tot hem in een krachtig gebed en smeekingen voor mijne eigene ziel en den geheelen dag riep ik tot hem ; en toen de nacht gekomen vvas, verhief ik mijne stem totdat die den hemel bereikte.
En daar kwam eene stem tot mij, zeggende : Enos, uwe zonden zijn u vergeven ; gij zult gezegend worden.
En ik, Enos, wist dat God niet liegen kon en daarom was mijne schuld uitgewischt.
En ik zeide : Heere, hoe is het geschied ?
Hij zeide tot mij : Omreden uw geloof in Christus, dien gij nooit gehoord of gezien hebt. En vele jaren zullen voorbij gaan, voor hij zichzelven in het vleesch zal openbaren ; daarom ga voort; uw geloof heeft u genezen.
Nu, toen ik deze woorden gehoord had, kreeg ik een verlangen in het behoud mijner broederen, de Nephieten ; daarom stortte ik mijne geheele ziel uit tot God voor hen."
Wat oppervlakkig is heel dit verhaal.
En — wat leugenachtig
Want het speelt 420 jaar vóór Christus. En dan wordt die stem gehoord ; „Omreden uw geloof in Christus, enz.
Voelt men niet, dat iemand dat geschreven heeft, die na Christus' geboorte leefde en de Bijbelsche verhalen stumperig heeft willen navolgen ?
Dat voelen we ook in het 27ste vers van Enos 1, waar staat:
„En ik ga spoedig tot de plaats mijner ruste, welke met mijnen Verlosser is ; want ik weet dat ik in hem zal rusten en ik verheug mij in den dag waarop mijne sterfelijkheid de onsterfelijkheid zal aandoen en ik voor hem zal staan ; dan zal ik zijn aangezicht met blijdschap zien en hij zal tot mij zeggen : Kom tot mij, gij gezegende, daar ts eene plaats voor u bereid in de woningen mijns Vaders. Amen."
Hier is de taal van Job, van Paulus en van den Heiland dooreengemengd, en dat door iemand, die z.g.n. 420 jaar vóór Christus leeft !
Wie 't gelooven wil, die geloove het!
We schrijven nu nog even wat over uit het boek Mosiah, dat de geschiedenis van koning Benjamin uit het land Zarahemla (!) ons verhaalt, ongeveer 125 j. vóór Christus.
125 jaar vóór Christus' geboorte dan schrijft Mosiah in het 3de hoofdstuk over de wonderen van den Heiland, over Zijn kruisiging en over Zijn opstanding.
En wel op déze manier :
„Wederom, mijne broederen, ik wil uwe aandacht inroepen, want ik heb nog een weinig tot u te spreken, want ziet, ik heb u dingen te vertellen, aangaande datgene wat zal gebeuren.
En de dingen welke ik u zal vertellen zïjn mij bekend gemaakt door eenen engel van God. Hij zeide tot mij : Ontwaak ; en ik ontwaakte, en ziet, hij stond voor mij.
En hij zeide tot mij : Ontwaak, en hoor de woorden welke ik tot u zal zeggen ; want zie, ik ben tot u gekomen om u blijde tijdingen van groote vreugde te verkondigen.
Want de Heere heeft uwe gebeden verhoord en uwe gerechtigheid gezien en heeft mij gezonden om u te verkondigen, dat gij u moogt verheugen en dat gij uw volk moogt verkondigen, dat zij evenzoo vervuld mogen zijn met groote vreugde.
Want zie, de tijd komt en is niet ver, dat de Heere, de Almachtige, die regeert, die was en is van alle eeuwigheid tot alle eeuwigheid, zal nederkomen uit den hemel onder de menschenkinderen en in eenen vleeschelijken tabernakel wonen en voortgaan machtige wonderen te werken, de lammen doen wandelen, den blinden 't gezicht geven en de dooven doen hooren en alle soorten van krankheden te genezen.
En hij zal duivelen of de booze geesten die in de harten der menschenkinderen wonen, uitwerpen.
Ziet, hij zal verleidingen en pijnen des lichaams moeten doorstaan, honger, dorst en vermoeidheid, ja, meer dan de mensch kan lijden, tenzij het tot den dood zij ; want ziet, bloed zal uit iedere porie te voorschijn komen, zoo groot zal zijne foltering wezen voor de goddeloosheden en gruwelen zijns volks.
En hij zal genoemd worden, Jezus Christus, den Zoon van God, den Vader des hemels en der aarde, den Schepper aller dingen vanaf het begin ; en zijne moeder zal Maria genoemd worden.
Ziet, hij komt tot de zijnen opdat de zaligheid moge komen tot de kinderen der menschen door geloof in zijnen naam, en na dit alles zullen zij hem aanschouwen als een mensch, en zeggen, dat hij den duivel heeft; en zij zullen hem geeselen en kruisigen.
En ten derden dage zal hij uit den doode opstaan ; en ziet, hij zal de wereld oordeelen ; en al deze dingen geschieden, opdat een rechtvaardig oordeel over de menschen kome.
Want ziet, zijn bloed verzoent voor de zonden dergenen die gevallen zijn door de overtreding van Adam, die gestorven zijn zonder den wil Gods ten opzichte van hem te kennen, of die onwetend gezondigd hebben.
Maar wee, wee dengenen, die weten dat zij tegen God opstaan ; want de zaligheid komt niet tot dezulken, tenzij het is door bekeering en geloof in den Heere Jezus Christus."
Ieder die dit rustig leest en dan bedenkt, dat dit 125 jaar vóór Jezus' geboorte geschreven moet zïjn, zegt dadelijk : wat prullig nabootsen van de heerlijke en kostelijke profetieën die we in onzen Bijbel hebben, door iemand die dien Bijbel gelezen heeft en het schitterend mooie van Jesaja en anderen nog mooier heeft willen maken en daardoor alles bedorven heeft en zich zelf verraden heeft als een bedrieger en kwakzalver 1
Nu zouden we nog iets uit het boek van Moroni meedeelen over den kinderdoop.
Moroni deelt in zijn boek mee dat hij een brief van zijn vader Mormon heeft ontvangen en wel van den volgenden inhoud (zie hoöfdst. 8) :
„Mijn geliefde zoon Moroni, ik .ben zeer verheugd dat uw Heere, Jezus Christus, uwer gedachtig is geweest en u tot zijne bediening en zïjn heilig werk geroepen heeft
Ik ben u altijd gedachtig in mijne gebeden, terwijl ik voortdurend bid tot God den Vader in den naam van Zijn heilig kind Jezus, opdat hij u door zijne eindelooze goedheid en genade wil toewaren door de volharding in geloof in zijnen naam tot het einde toe.
Nu, mijn zoon, ik spreek tot u, aangaande datgene wat mij zeer bedroeft; want het doet mïj veel verdriet dat er verdeeldheden onder u ontstaan.
Want ik heb vernomen, dat er verdeeldheden onder u zijn geweest aangaande den doop uwer kleine kinderen.
Ik verlang mijn zoon, dat gij naarstiglijk zoudt arbeiden, opdat deze groote dwaling weggedaan moge worden uit uw midden ; want daarom heb ik dezen brief geschreven.
Want onmiddellijk nadat ik deze dingen van u vernomen heb, verzocht ik den Heere aangaande deze zaak. En het woord des Heeren kwam tot mij door de macht des Geestes, zeggende :
Luister naar de woorden van Christus, uwen Verlosser, uwen Heere en uwen God.
Zie, ik ben niet in de wereld gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaren tot bekeering te roepen ; de gezonden hebben den geneesheer niet noodig, maar degenen die ziek zijn ; daarom, ikleine kinderen zijn gezond, want zij zijn niet in staat om zonde te doen, daarom is de vloek van Adam van hen weggenomen door mij, zoodat die geene kracht over hen heeft; en de wet der besnijdenis is in mij vervallen.
Op deze wijze maakte de Heilige Geest mij het woord Gods bekend ; daarom, mijn geliefde zoon, ik weet dat het ernstig spotten is voor God wanneer gij kleine kinderen zult doopen.
Zie, ik zeg u, deze zaak zult gij onderwijzen : Bekeering en doop aan degenen die verantwoordelijk en in staat zijn zonde te 'begaan ; ja, leer de ouders dat zij zich moeten bekeeren en gedoopt worden, en zich moieten vernederen als hunne kleine kinderen ; en zij zullen allen met hunne kleine kinderen zalig worden.
Hunne kleine kinderen hebben niet noodig te bekeeren, noch gedoopt te worden. Zie, de doop is tot bekeering, tot vervulling der geboden en voor de vergeving der zonden.
Doch kleine kinderen zijn levend in Christus, zelfs van de grondlegging der wereld af; indien dat zoo niet is, dan is God een partijdig en ook een veranderlijk God en een aannemer des persoons ; want hoeveel kleine kinderen zijn gestorven zonder den doop.
Daarom, indien kleine kinderen niet zalig kunnen worden zonder den doop, moeten dezen tot een eindelooze hel gaan.
Zie, ik zeg u, dat degenen die denken, dat kleine kinderen den doop noodig hebben, in eene gansch bittere gal en in de banden der ongerechtigheid zïjn ; want zij hebben noch hoop, nog geloof, noch liefde ; daarom indien zij met zulke gedachten zouden sterven, zouden zij nederdalen ter helle.
Want vreeselijk is de goddeloosheid om te veronderstellen, dat God een kind zalig maakt door den doop en dat het andere moet omkomen omdat het niet gedoopt is.
Wee hun, die de wegen des Heeren op deze wijze zullen verdraaien ; want zij zullen omkomen, tenzij zij zich bekeeren. Zie, ik spreek met vrijmoedigheid, volmacht van God ontvangen hebbende ; en ik vrees niet wat de mensch kan doen ; want volmaakte liefde verdrijft alle vrees.
Ik ben vervuld met eeuwigdurende liefde ; daarom zïjn mij alle kinderen gelijk; daarom heb ik kleine kinderen lief met eene volmaakte liefde ; en zij zijn allen gelijk en deelgenooten der zaligheid.
Want ik weet dat God geen partijdig God is, noch een veranderlijk Wezen ; doch hij is onveranderlijk van eeuwigheid tot in alle eeuwigheid.
Kleine kinderen kunnen zich niet bekeeren ; daarom is het vréeselijke goddeloosheid de reine barmhartigheden van God jegens hen te verloochenen ; want zij ajn allen levend in hem gemaakt, door zijn barm hartigheid.
Hij, die zegt, dat kleine kinderen gedoopt moeten worden, verloochent de barmhartigheid van Christus en doet zijne verzoening, en ook de kracht zijner verlossing te niet.
Wee denzulken, want zij zijn in gevaar van dood, hel en eene eindelooze wroeging. Ik zeg het vrijmoediglijk. God heeft het mïj geboden. Luister naar dezelve en geef gehoor, of zij staan tegen u voor den rechterstoel van Christus.
Want zie, alle kinderen zijn levend in Christus, en ook allen die zonder wet zijn. Want de kracht der verlossing komt over al degenen die geene wet hebben ; daarom hij, die niet veroordeeld is, of hij, die niet onder veroordeeling is, kan niet bekeeren ; en voor dezulken geeft de doop niets.
Doch het is spotternij voor God om de barmhartigheden van Christus en de kracht des Heiligen Geestes te verloochenen en in doode werken te vertrouwen.
Zie, mijn zoon, dat moest niet zijn ; want bekeering is voor degenen die onder veroordeeling zijn en onder den vloek eener verbroken wet.
De eerste vrucht der bekeering is de doop en de doop komt door het geloof, tot vervulling der geboden ; en het vervullen der geboden brengt tot vergeving der zonden.
De vergeving der zonden brengt zachtmoedigheid en nederigheid des harten ; en door de zachtmoedigheid en nederigheid des harten komt de bezoeking des Heiligen Geestes, welke trooster met hoop en volmaakte liefde vervult, welke liefde blijft door ijverig te zijn in het gebed totdat het einde zal komen, wanneer al de heiligen met God zullen wonea."
(Wordt vervolgd.)
Weinig vriendelijk.
Onlangs deed het zich voor, dat een predikant van „de Geref. Kerken", die aan de Vrije Universiteit gestudeerd heeft, modern werd en toen maar toegelaten werd tot de Herv. Kerk. De studiegang van dien dominé was toen blijkbaar voldoende in de oogen der Synode om hem maar binnen te halen bij ons. Intusschen is hij weer verdwenen en naar Indië gegaan. (Dr. H. Jansen).
Nu zal ds. Netelenbos straks overkomen. Ook te Amsterdam gestudeerd. Tegen den studiegang wondt weer geen bezwaar gemaakt. De candidaatsbul van Amsterdam wordt niet minder geacht dan die van Groningen, Leiden of Utrecht. Althans bij zulke overloopers.
Daarom is al meer dan eens gevraagd : laat aan onze Herv. studenten vrij waar ze studeeren, als ze maar aan een wettig erkende Hoogeschool de theol. colleges volgen, benevens den voorgeschreven tijd de colleges van de kerkel. hoogleeraren te Utrecht of Leiden.
't Gaat er om, dat de wetenschappelijke waarde van Rijks-Universiteit en Gemeente-Universiteit en Vrije Universiteit zal worden gelijk gesteld.
Ons dunkt, daar is niets tegen, maar alles vóór te zeggen.
Dat is tenminste een heel wat royaler weg dan dat men de studie aan de Vrije Universiteit niet erkent, dan alleen bij deserteurs.
Over een en ander is nog al eens geschreven.
En dan werd natuurlijk er ook op gewezen, dat onze Hervormde studenten daar in den kring van de gescheiden van ons levende Gereformeerde broeders niet thuis hooren. Er werd ook gezegd, dat men daar onze Hervormde studenten niet zou willen hebben.
De meeningen verschilden nogal. Prof. dr. H. H. Kuyper vond er niets tegen dat er ook Herv. studenten aan de Vrije Universiteit kwamen om dan de Herv. Kerk te dienen straks als predikant. Ook prof. Bouwman, van Kampen, vond het in „De Bazuin" nog zoo dwaas niet. Maar prof. Fabius •— die nog al militant is, al is hij oud, vooral als het gaat over het „Genootschap", zooals hij de Herv. Kerk altijd en altijd noemt — denkt er anders over dan prof. Kuyper c.s. Hij nam het zelfs prof. K. kwalijk, dat deze zoo voorkomend was geweest tegenover de Hervormden, en hij vreesde, dat de Vrije Universiteit daardoor in gevaar zou komen om af te zakken in haar antipathieën tegenover de Herv. Kerk.
Dat zou vreeselijk zijn. Dat voelen we allen ! !
Er kwamen stemmen op tegen het geschrijf van prof. Fabius. Waarom zou men geen Herv. studenten aan de Vrije Universiteit toelaten ?
Prof. Fabius antwoordt nu in „de Bazuin" en zegt, dat hij wel Herv. studenten wil toelaten tot de colleges aan de Vrije Universiteit.
„Ik meen" zoo schrijft hij letterlijk „dat hier misverstand is.
Het was mij niet te doen om „Synodale" studenten van de theol. colleges aan genoemde instellingen (n.l. Vrije Universiteit en Theol. School) uit te sluiten.
Veeleer zie ik ze daar gaarne in groote drommen komen.
Met deze vrucht van het onderwijs der hoogleeraren, dat uit die drommen „niet één zich meer aanmeldt bij de Synodale poort".
„Ik zoude toch vreezen, dat het voor het Geref. karakter dier instellingen een moeilijk te waardeeren getuigenis zoude wezen en de Geref. Kerken zich wel de vraag hadden te stellen, of een onderwijs dat opleidt tot Synodalen predikant, ten volle betrouwbaar kan worden geacht enz."
Weinig vriendelijk is dat spreken over „Synodale" studenten en „Synodale" predikanten.
Weinig vriendelijk ook om te zeggen : laten er maar veel „Synodale" studenten komen, als er maar niet één dan bij ons vandaan gaat om zich aan te melden bij de „Synodale" poort.
Dat is de deur voor onzen neus dicht gooien.
De Vrije Universiteit is voor geen Synodaal of te wel Hervormd mensch te gebruiken.
Dat blijkt wel uit hét overtuigd v^oord van den bejaarden Hoogleeraar in de rechten, prof. D. P. D. Fabius, die niets vreeselijkers op de wereld vindt dan 'n Synodaal of te wel Hervormd mensch, 't zij man of vrouw, ook al is die man of die vrouw nog zoo Gereformeerd én nog zoo Antirevolutionair.
Synodaal is Synodaal —daarmee uit I
** Kerkeraad of Kiescollege ?
We komen nog even op deze zaak terug.
Maar nu niet om zelf er nog wat van te zeggen, maar om aan een ander 't woord te geven. En wel aan ds. Knap, van Groningen. Die schreef in „Oude Paden" het volgend artikel:
„Om de tien jaar komt in de Ned. Herv. Kerk de vraag aan de orde of het benoemingsrecht van ouderlingen en diakenen, benevens het beroepingsrecht van predikanten gedurende de eerstvolgende tien jaren zal uitgeoefend worden door den kerkeraad, dan wel door de stemgerechtigde lidmaten. Het laatste komt in gemeenten met meer dan 100 stemgerechtigden neer op het toekennen van bedoelde rechten aan een kiescollege van gemachtigden. Alle groote gemeenten nagenoeg of zonder uitzondering — dat weten we niet precies — hebben dan ook een kiescollege. Nu lijkt dit heel mooi. De gemachtigden worden dan toch door de stemgerechtigde lidmaten benoemd. Zij zijn dus een soort parlement, dat de geheele gemeente vertegenwoordigt. En het is door middel van dit parlement of deze vertegenwoordiging, dat de gemeente zelve het benoemings-en beroepingswerk onder leiding van den kerkeraad uitoefent.
Feitelijk hebben wij hier dus getrapte verkiezing.
Ons dunkt, dat is een verouderd standpunt. De gemeente kiest vertrouwensmannen, de vertrouwensmannen kiezen kerkeraadsleden en predikanten — dit kan. Natuurlijk zoolang de gemeente een kind is. Maar is zij in geestelijk en kerkelijk opzicht mondig geworden, dan dient de tusschenschakel van het kiescollege toch eindelijk eens opgeruimd te worden.
In vele gemeenten is het trouwens een figurant.
De kerkelijke kiesvereenigingen, die geen verantwoordelijkheid dragen, doen het werk dienen de candidatenlijsten in, ijveren voor de door haar zelf aangewezen mannen, en hebben de beslissing in handen.
Vóórdat de vengaderingen van het kiescollege beginnen, kent ieder den uitslag der stemming. Eigenlijk is de heele vergadering een vertooning, tenzij dan dat er in het kiescollege ook een groep ongeorganiseerden of wilden zitting hebben, die bij ongeveer gelijke sterkte der tegen elkaar over staande richtingen de balans naar de ééne of andere zijde kunnen doen overslaan ; in dit tamelijk zeldzame geval zijn verrassingen niet buitengesloten,
In onze eigene gemeente is de toestand bijna potsierlijk.
Zij heeft een kiescollege, waarin veelszins bekwame mannen van toewijding zitten, het meerendeel ervan is in de bestaande kiesvereenigingen georganiseerd. Nu is kortelings 't reglement in dezen zin gewijzigd, dat een vijftiental leden als minimum candidatenlijsten kunnen indienen. Steken vijftien broederen van verschillende of dezelfde richting de hoofden bij elkaar en worden zij het in privaat onderhoud over de mannen eens, dan dienen zij de lijst in. Natuurlijk zijn dit de meest actieve leden. Komt er nu, hetzij door laksheid, hetzij uit gemakzucht, geen tweede lijst binnen, dan worden de gestelde candidaten eenvoudig zonder vergadering van het kiescollege voor verkozen verklaard.
Het geheele kiescollege is op die manier uitgeschakeld.
Vijftien bekwame mannen in het beste, en vijftien raddraaiers in het slechtste geval hebben het wel en wee der gemeente in handen. En de broederen, die door de gemeente nog wel opzettelijk gemachtigd zijn om te kiezen, behoeven geen voet te verzetten en geen vergadering bij te wonen, gelijk inderdaad meermalen geschied is.
Zonderlinger kan het al niet.
En toch schijnt de zaak wettelijk in orde te zijn.
Maar elk verstandig mensch moet toch voelen, dat men zoo alle belangstelling in het kerkelijk leven verstikt. Wanneer de zaken eenige jaren dien gang gaan, wordt het de dood in den kerkelïjken pot.
Nu zal het wel niet overal zoo zijn.
Wel is het echter een algemeen verschijnsel, dat het kiescollege voor het draaipunt van het kerkelijk leven gehouden wordt en dat uit dien hoofde de verschillende richtingen het in hun geest trachten om te zetten. Hiertegen is weinig in te brengen. Men móét dien weg wel op, indien men voor God en in eigen geweten slechts heil voor de Kerk verwacht van den triomf der beginselen, die men zelf van ganscher harte belijdt. Niettemin zijn de gevaren bijzonder groot. Ziekelijke stroomingen, waaraan onze tijd zoo rijk is, kunnen door het kiescollege de overhand in de gemeente krijgen. Hebben zij eenmaal in dit college de macht, en blijft deze wijze van benoeming en beroeping volle tien jaar gehandhaafd, dan kan er een onherstelbare geestelijke schade aangericht worden.
Wij gevoelen zeer wel, dat, zoo de keuze en beroeping aan den kerkeraad opgedragen wordt, soortgelijke bedreigingen van den geestelijken welstand kunnen voorkomen, te meer omdat de maoht dan uitsluitend in de hand van weinigen berust en de deur voor oligarchische misbruiken open staat.
't Is dan ook niet om die reden, dat wij het kiescollege gaarne zouden zien verdwijnen. Wij meenen, dat Gods Woord het eenige richtsnoer voor alle kerkelijke handelingen moet zijn. Nu stelt de Heilige Schrift het ambt bijzonder hoog, zij waakt echter tevens tegen een al te absolute macht van de ambtsdragers. Stéfanus wordt als diaken door de gemeente verkozen, en d o o r d e ambtsdragers bevestigd door handoplegging, terwijl de ambtsdragers ook de leiding der verkiezing hebben.
Onze meening is, dat dit een gezonde methode is.
De kleine gemeenten met minder dan 100 stemigerechtigde leden, idie zelf keus en benoeming uitoefenen, zijn naar ons oordeel in de beste en meest Schriftuurlijke conditie, onder dien verstande dat zij bij de geheele actie de leiding van het ambt erkennen. Wé zien niet in, waarom het in grootere gemeenten niet juist zoo kan gaan. Er kwam dan meer band tusschen gemeente, ouderlingen en diakenen. Zoolang de wetten de Kerk dat echter onmogelijk maken, zouden wij nog het liefst den kerkeraad machtigen, — deze heeft tenminste een verantwoordelijke positie, terwijl kiescollege e kiesvereenigingen niet rusten op den vasten! bodem der Heilige Schrift."
J-J. K.
Finantieele afrekening.
Het is onze overtuiging, dat de Kerk er beter aan toe zou zijn geweest, wanneer | hare predikanten geen Staatstoelage ont~ vingen maar zij zelve in het bezit ws van haar eigen geld. Wat zij nu ontvangt is een vergoeding voor kerkegoederen die indertijd door den Staat zijn geëigend. Maar' als zij zelve dat kerkegoed bezat, zouden de inkomstenbron veel meer zijn, dan de Staat aan de Kerk uitbetaalt.
Dr. Kuyper schreef vroeger in §305 van „Ons Program" : De op het laatst der vorige eeuw geëigende goederen zouden, waren zij in handen der Kerken gebleven, nu reeds een uitbetaling van tractementen veroorloven, die met het drievoudige der gekweten tractementen gelijk zou staan."
Juist dus, omdat de toelagen, die thans worden verstrekt aan de Kerk, niet worden! uitbetaald uit belastingen die de Staat op hare onderdanen legt, maar de rente vertegenwoordigen van kerkegoederen, die den Staat heeft geëigend, zouden we zoo gaarne willen, dat er finantieeie afrekening kwam tusschen den Staat en de Kerk en de Kerk' zoo weer in het bezit kwam van haar eigen goed waardoor de rijkstoelagen kunnen vervallen.
De zaak komt dan voor de Kerk veel zuiverder en veel veiliger te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's