De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

22 minuten leestijd

Het Mormonisme.

IV.

Het boek van Mormon wil vooral den indruk vestigen, dat de Nephieten in Amerika een zoo bevoorrecht volk van God zijn geweest. Die Nephieten waren uit den stam van Jozef en uit Jeruzalem gevlucht, tijdens de regeering van den Koning Zedekia. In Amerika gekomen splitsten zij zich in twee volkeren : de Nephieten en Lamanieten. De laatstgenoemden waren zeer goddeloos en werden daarom door den Heere bezocht met plagen. Ook heeft Hij vanwege hunne goddeloosheid hunne oorspronkelijke blanke huidskleur in eene koperroode veranderd. Zijn zij geworden de Amerikaansche roodhuiden, die alzoo de overblijfselen zouden zijn van de verloren geraakte 10 stammen Israels.

De Nephieten waren daarentegen zéér begunstigd van den Heere. Hij gaf hun gezichten, profeten en engelen niet alleen, maar ook zond Hij tot hen Zijnen Zoon Jezus Christus, die, na in Judea te zijn opgestaan uit de dooden, zich in Noord-Amerika ophield en vertoonde.

Zoo komen onder de Nephieten de eerste en échte Christengemeenten. Want onder de Nephieten openbaarde de Heiland het eeuwige Evangelie. Hij voorzag hen van apostelen, profeten, herders, leeraars en evangelisten en gaf aan hunne profeten de kennis der toekomst voor alle volgende eeuwen..

, Vier eeuwen na hun aankomst in Noord-Amerika vonden de Nephieten het volk van Zarahemla, dat onder Madek, den eenig overgebleven zoon van Zedekia, daarheen was uitgeweken.

Maar de kennis van den waren God was bij deze lieden bijna verloren gegaan, welke de Nephieten hun weer mochten bijbrengen. Onder den vromen Koning Mosiah leefden de beide volken gelukkig vereenigd. Maar eerlang vervielen zij tezamen tot groote goddeloosheid en werden eindelijk uitgeroeid door de Lamanieten, in den slag op den heuvel Cumorah, 384 na Christus.

Hun laatste profeet was Mormon.

Deze stelde op Gods bevel de geschiedenis hunner voorvaderen te boek. benevens de profetieën en het Evangelie, dat onder hen was geopenbaard geworden. Daaraan voegde hij toe het verhaal van hun ondergang. Zijn zoon Moroni zette dit werk voort tot op 420 na Christus en begroef het op den straks genoemden heuvel Cumorah, gelegen bij Manchester in het graafschap Ontario, teneinde het te bewaren voor de handen der Lamanieten, die al wat aan de Nephieten herinnerde, vernielden. Daar zijn. die berichten verborgen geweest omtrent 1400 jaren. Den 22sten September 1823 werd Jozef Smith door den engel Moroni tot de ontdekking ervan geleid ; hoewel de gouden platen eerst in 1827 hem ter hand werden gesteld.

Geen wonder dus, dat in het boek van Mormon nu allerlei verhalen voorkomen, om op A m e r i k a de aandacht te vestigen en de Nephieten voor te stellen, als de t echte, oudste Christenen, tot wie de opgestane Heiland zich gewend heeft, om hen te bevoorrechten met het eeuwig Evangelie.

Zij hebben ook de echte apostelen, engelen, enz.

Laat ons in betrekking tot deze zaak nog eens iets afschrijven uit het boek van Mormon, 't Gaat over de uitstorting van den Heiligen Geest, welke ook in Amerika, onder de Nephieten zou zijn geschied. We lezen daarvan in het 3de boek van Nephi, hoofdst. 19.

En wel als volgt: „Toen nu Jezus ten hemel gevaren was, ging de schare uiteen en een iegelijk man nam zijne vrouw en zijne kinderen en keerde weder naar zijn eigen huis.

En het werd onmiddellijk onder het volk bekend gemaakt, eer het duister werd, dat 'de schare Jezus gezien had en dat hij hen onderwezen had en dat hij zich den volgenden dag wederom aan de .s.chare zpude vertoonen.

Ja en gedurende den geheelen nacht werd het bekend gemaakt aangaande Jezus ; en daar zij tot het volk bericht gezonden hadden waren er velen, ja, een buitengewoon groot getal, dat den ganschen nacht naarstig arbeidde, opdat zij aan den morgen op de plaats mochten zijn waar Jezus zich aan de schare zoude vertoonen.

Het geschiedde in den morgen, toen de schare tezamen vergaderd was, dat de discipelen welke Jezus verkoren had, namelijk Nephi en zijn broeder Timotheus, die hij uit den doode opgewekt had. Jonas, zijn zoon, en Mathoni en Mathonihah, zijnen broeder, en Kumen en Kumenonhi en Jeremia en Shemnon en Jonas en Zedekia en Jesaja, voortkwamen en in het midden der schare stonden.

Ziet, de schare was zoo groot, zoodat ze in twaalf deelen verdeeld werd.

En de twaalf leerden de schare en ziet, zij maakten dat de schare op den grond zoude nederknielen en in den naam van Jezus tot den Vader bidden.

De discipelen baden eveneens tot den Vader in den naam van Jezus. En zij stonden op en leerden het volk.

Toen zij diezelfde woorden welke Jezus gesproken had, aan hen toegediend hadden, in niets afwijkende van de woorden welke Jezus gesproken had, knielden zij wederom en baden tot den Vader in den naam van Jezus.

En zij baden om datgene wat zij 't meest verlangden ; en hun verlangen was dat de Heilige Geest aan hen gegeven zoude worden.

Toen zij aldus gebeden hadden gingen zij tot den waterkant en de schare volgde hen. Het geschiedde dat Nephi in het water ging en gedoopt werd.

En hij kwam op uit het water en begon te doopen. En hij doopte al degenen die Jezus verkoren had.

Toen zij allen gedoopt en uit het water opgekomen waren, daalde de Heilige Geest op hen en zij werden vervuld met vuur en den Heiligen Geest.

Ziet, zij waren rondom omsingeld alsof het door vuur was, en het kwam neder uit den hemel en de schare zag het en gaf getuigenis en engelen daalden neder uit den hemel en dienden hen .

Het geschiedde terwijl de engelen de discipelen dienden dat Jezus kwam en in hun midden stond en hen diende.

En hij sprak tot de schare en gebood hun dat zij wederom zouden nederknielen op den grond, alsmede zijne discipelen. Toen zij allen ter aarde geknield waren, gebood hij zijnen discipelen te bidden.

Ziet, zij begonnen te bidden en zij baden tot Jezus, hem hunnen Heere en hunnen God noemende.

En Jezus vertrok uit hun midden en ging een klein eind van hen weg en boog zich ter aarde en zeide :

Vader, ik dank u, dat gij den Heiligen Geest aan dezen, die ik uitverkoren heb, gegeven hebt; en het is omreden hun geloof in mij dat ik hen uit de wereld verkoren heb.

Vader, ik bid dat gij den Heiligen Geest wilt geven aan allen, die in hunne woorden zullen gelooven.

Vader, gij hebt hun den Heiligen Geest gegeven, omdat zij in mij gelooven, en gij ziet dat zij in mij gelooven omdat gij hen hoort, en zij bidden tot mij ; en zij bidden tot mij omdat ik met hen ben.

Nu, Vader, bid ik u voor hen, en eveneens voor allen die in hunne woorden zullen gelooven, opdat zij in mij gelooven, opdat ik in hen zij gelijk als gij, Vader, in mij zijt, opdat wij één zijn.

Toen Jezus aldus tot den Vader gebeden had, kwam hij tot zijne discipelen en ziet, zij gingen steeds voort zonder ophouden tot hem te bidden ; en zij maakten geene veelheid van woorden, want het was aan hen gegeven wat zij zouden bidden ; en zijwerden met verlangens vervuld.

Het geschiedde dat Jezus hen zegende als zij tot hem baden en hij zich over hen verheugde ; en het licht van zijn gelaat scheen op hen en ziet, zij waren zoo wit als het gelaat en evenals de kleederen van Jezus ; en ziet, de witheid ervan overtrof alle witheid ; ja, er konde niets op aarde zoo wit zijn als hunne witheid.

En Jezus zeide tot hen : Bidt voort; en zij hielden niet op met bidden.

Hij keerde weder van hen en ging een weinig verder, en boog zich ter aarde en bad wederom tot den Vader, zeggende :

Vader, ik dank u, dat gij degenen, die ik uitverkoren heb, gereinigd hebt omreden hun geloof, en ik bid voor hen en ook voor degenen die in hunne woorden zullen gelooven, opdat zij in mij gereinigd mogen worden door geloof in hunne woorden, gelijk als zij in mij gereinigd zijn.

Vader, ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die gij mij uit de wereld gegeven hebt omreden hun geloof, opdat zij in mij gereinigd mogen worden, opdat ik in hen zij gelijk gij. Vader, in mij, opdat wij één mogen zijn, opdat ik in hen verheerlijkt mag worden.

Toen Jezus deze woorden gesproken had kwam hij wederom tot zijne discipelen en ziet, zij baden standvastig tot hem, zonder ophouden en hij glimlachte wederom over hen en ziet, zij waren wit gelijk Jezus.

Het geschiedde dat hij wederom een weinig verder wegging en tot den Vader bad.

En geen tong kan de woorden uiten welke hïj bad ; noch kunnen door des menschen hand de woorden, welke hij bad, geschreven worden."

„Toen Jezus met zijn gebed geëindigd was, kwam hij wederom tot de discipelen en zeide tot hen : zulk een groot geloof heb ik nimmer onder al de Joden gezien, daarom konde ik hun zulke groote wonderen niet toonen, wegens hun ongeloof.

Voorwaar, ik zeg u, daar is niemand hunner, die zulke groote dingen gezien heeft als gij ; noch hebben zij zulke groote dingen gehoord als gij gehoord hebt."

Men voelt, dat het ook hier te doen is om met nagemaakte — niet verbeterde — Bijbeltaal den indruk te wekken, dat men niet in Palestina, maar in Amerika zijn moet, om de woorden des Evangelies te beluisteren.

Daar, in Kanaan, voelde Jezus zich niet thuis en ging naar Amerika.

En wil men de echte apostelen, dan moet men hen hebben, die Jezus aan de Nephieten heeft gegeven.

Dat zijn de ware mannen Gods !

(Wordt vervolgd).

Onze eere.

Over het Reglement op de predikantstractementen dat nu in onze Kerk is vastgesteld en in werking getreden is, zullen we, buiten zakelijke beschouwingen, over niet al te langen tijd wel eens breeder schrijven. V/e doen dat niet, dan na ernstig overleg met anderen.

Maar wat we wél aanstonds willen doen is dit: We willen aan onze Gereformeerd gezinde gemeenten, aan onze geestverwante keikeraden en kerkvoogdijen vriendelijk en dringend vragen doe zelf alles wat mogelijk is, opdat het tractement van den herder en leeraar „op peil" gebracht kan worden.

En laten we dan als maatstaf nemen het geen in het Synodaal Reglement is omschreven.

We bedoelen dus dit: laten „onze" gemeenten trachten om zelf het zóóver te brengen, dat aan déze eischen wordt voldaan :

1. Een aanvangssalaris van ƒ 2500 of ƒ 3000 of ƒ 3500, naar de grootte van de gemeenten, die in 3 klassen zijn verdeeld : 3e klas beneden de 1500 leden per predikantsplaats ; 2e klas 1500 tot 3000 leden per predikantsplaats ; Ie klas 3000 leden per predikantsplaats.

2. Vrijewoning of vergoeding daar voor.

3. Twaalf tweejaarlijksche verhoogingen van ƒ 160.

4. Kindergeld voor kinderen tot 6 jaar ƒ 25 ; voor die van 6—12 jaar ƒ 50 ; voor die van 12 tot hunne meerderjarigheid ƒ 100 per kind. In gezinnen met meer dan 3 kinderen worden de kindergelden met 50% verhoogd voor 't aantal kinderen, waarmee het drietal wordt overtroffen van de vierde af gerekend.

Als men dezen maatstaf gebruiken wil, kan dus elke kerkvoogdij en elke kerkeraad uitrekenen hoe de tractementsregeling er ter plaatse moet uitzien.

Waarbij we aan „onze" gemeenten ook nog eens willen herinneren, dat er in de Dordtsche Kerkorde in art. 13 geschreven staat :

„Zoo het geschiedt, dat eenige Dienaars door ouderdom, ziekte, of anderszins onbekwaam worden tot uitoefening huns Dienstes, zoo zullen zij nochtans desniettemin de eere en den naam eens Dienaars behouden en van de Kerk, die zij gediend hebben, eerlijk in hunne nooddruft gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in 't gemeen verzorgd worden."

Niemand zal kunnen zeggen, dat het niet Gereformeerd is dus, om bij de tractementsregeling ook een regeling te maken voor het pensioen van emeriti-predikanten de predikantsweduwen en weezen.

En het zou ons hartelijk verheugen wanneer onze Gereformeerde gemeenten in deze een goed voorbeeld mochten geven, om, naar uitwijzen van Gods Woord en de lijnen van ons Gereformeerd Kerkrecht, in deze te doen, wat maar eenigszins mogelijk is.

Laat ieder voor zich daarbij eens uitrekenen welk percentage van zijn inkomen voor den Kerkedienst kan worden bijgedragen.

Vrijwillig en blijmoedig doe een ieder in deze wat naar Gods Woord is en wat de Kerk en onze gemeenten ten goede kan komen, Gods Naam tot eer !

Toch wel teekenend.

De Vereeniging tot Gereformeerde Zieken verpleging, waarvan Gereformeerden en Hervormden lid zijn, klaagt er altijd over, dat er uit Hervormde kringen zoo weinig sympathie komt, zoo weinig medewerking en steun.

Hervormde menschen zeggen altijd, dat dit de schuld is van de van ons gescheiden levende Gereformeerden. Die zijn altijd haantje de voorste. Die beginnen, regelen, stellen vast. Ook Hervormden mogen meedoen. Een Hervormd man wordt in het bestuur genomen. Een Hervormd dominé moet secretaris worden, dan staat z'n naam telkens in de courant. Wat is men toch Hervormd-gezind ! Wat haakt men toch naar samenwerking ! In schijn althans. Want — zoo redeneeren diezelfde Hervormde menschen, die we boven sprekend invoerden — in werkelijkheid, palmen ze zelf alles in en denken eigenlijk verder niet aan de Hervormden.

Maar daarom is er ook bij de Hervormden bij een dergelijke samenwerking nooit de rechte liefde ; nooit het rechte vertrouwen. Men heeft altijd 't idee, dat men gebruikt wordt, meer niet.

Deze redeneering hebben we honderdmaal gehoord.

En we hebben dan telkens onze meening in deze gezegd.

Waarbij we de op-en aanmerkingen makende Hervormden niet altijd gelijk, maar óók niet altijd ongelijk konden geven.

Wat ons wel eens opgevallen is ?

Dat men zelfs met advertenties, uitgaande van die Gereformeerde Vereenigingen van barmhartigheid nooit de Hervormde bladen kon vinden, terwijl de Gereformeerde bladen met de eerste postbestelling de annonce kregen.

Laatst met de geldleening, uitgeschreven door de Vereeniging voor Gereformeerde Ziekenverpleging, waarvan ds. Batelaan, van Amersfoort, secretaris is, stond de desbetreffende advertentie in al de Gereformeerd kerkelijke weekbladen. Maar „De Waarheidsvriend" kon men niet vinden. Toen hebben we om die advertentie geschreven ; en toen kwam ze.

Kort daarop werd er weer een andere advertentie door die zelfde Vereeniging geplaatst ; in alle Gereformeerde bladen.

Deze advertentie :

VERTEGENWOORDIGER.

De Vereen, tot bevord. van Geref. Ziekenverzorging in Nederland zoekt een vertegenwoordiger, die tijd en lust heeft door geheel het land hare belangen te (behartigen.

Brieven met uitvoerige inlichtingen aan het adres van den Secretaris, ds. B. BATELAAN te Amersfoort.

Tot nu toe heeft men „De Waarheidsvriend" niet kunnen vinden.

Is het wonder, dat „onze menschen" er den brui van geven ?

Men maakt het er ook naar, zouden we zeggen.

't Is althans wel teekenend, zooiets.

Intusschen geven we de advertentie nu op deze wijze gratis.

De liefde niet van éénen kant.

Prof. H. H. Küyper is zoo vriendelijk in „De Heraut" te antwoorden op ons stukske inzake de niet-^benoeming van mr. Van Apel doorn te Leeuwarden aan de Vrije Universiteit.

Als prof. Fabius niet weggaat, kunnen we in zijn plaats ook niet iemand benoemen, zegt dr. H. H. Kuyper.

En terecht. Maar we hebben óók gerept van uitbreiding van de juridische faculteit, waarbij toen mr. Van Zevenbergen is benoemd tot hoogleeraar. Dus gelegenheid was er wél.

Weet „De Waarheidsvriend" zoo zeker

— vraagt „De Heraut" — of mr. Van Apeldoorn niet gevraagd is ?

Neen, dat weten we niet zeker.

Is hij gevraagd ?

En in welke vacature, nu prof. Fabius niet weggaat, is hij dan gevraagd?

En op welke voorwaarden is hij gevraagd ?

Misschien op de manier van prof. Fabius, die tot ieder die Hervormd is en dedeur van de Vrije Universiteit binnen gaat, zegt: ik hoop van harte dat je nooit tot „dat Synodaal genootschap" wederkeeren zult ?

Nu „De Heraut" zoo geheimzinnig deze dingen, die men anders uit den aard der zaak gewoon is te verzwijgen, aanraakt, zouden we wel willen, dat het gordijn opgetrokken werd.

Dan weten we tenminste wat.

Zijn er soms in den loop der jaren nog meer Hervormde menschen aangezocht, om als hoogleeraar aan de Vrije Universiteit op te treden ? Men kan het nooit weten. En op welke vereerende voorwaarden ? Want het is immers een „Vrije" Universiteit op Gereformeerden grondslag? 't Heeft immers met kerkgemeenschap verder niets uit te staan ; ook niet met een of andere Staats partij ; ook niet met

We zijn wel benieuwd wat meer te hooren nu een tip van den sluier is opgelicht.

Verder zegt dr. H. H. Kuyper : de liefde kan niet van éénen kant komen.

Volkomen waar.

Als de liefde van éénen kant komt, verkoelt het.

Is de liefde van éénen kant gekomen ?

Dr. H. H. Kuyper zegt: niet van Hervormde zijde.

Goed.

Dan toch zeker wél van de zijde der Vrije Universiteit ?

Anders zegt men zulke dingen niet.

En daarom, nu dr. H. H. Kuyper toch aan 't schrijven is, laat hij nu in „De Heraut" eens even meedeelen hoe de Vrije Universiteit haar liefde heeft aan den dag gelegd voor de Hervormde Kerk.

En als dan de Herv. Kerk die Hefde heeft veracht, dan is zoo'n ijskoude partij ook niet waard, dat er verder naar wordt omgezien.

We zijn wel benieuwd van die gloeiende liefde ter ééner zijde iets te hooren. . En er nu niet wat van maken.

Nu moet open kaart gespeeld worden. Want we hebben elkander noodig. Dat is gebiedende eisch. Maar we laten ons niet gebruiken voor een wagentje, om dan op 't doode spoor te worden gezet, totdat men ons weer noodig heeft.

Daar komen we niet in !

Kerkeraad of Kiescollege?

We nemen over dit onderwerp nog op een stukske dat prof. Obbink schreef in „Bergopwaarts".

Ons dunkt, dat onze lezers dan van verschillende kanten over dit gewichtige onderwerp hebben gehoord.

Mogen we er even aan herinneren, dat de 10-jaarlijksche stemming moet geschieden

vóór 1 Maart a.s.!

Het nieuwe Synodaal Regl. op de benoeming enz. zegt er van in art. 4 : „Om de tien jaar, telkens binnen twee maanden voor den dag (1 Maart) waarop die termijn zal zijn verloopen, roept de Kerkeraad de stemgerechtigden op, om daarover opnieuw eene beslissing te nemen. De stemming geschiedt met gesloten briefjes. Tijd en plaats van de stemming worden tenminste acht dagentevorenter kennis van de gemeente gebracht." Waarbij in art. 2 staat: „Alleen zij, wier namen voorkomen op een lijst, jaarlijks op te maken en vast te steUen kunnen het stemrecht uitoefenen" — 't welk vroeger ten opzichte van deze 10-jaarlijksche stemming anders was gereglementeerd. Toen gold art. 1 van het oude Syn. Regl. op de benoeming waar, zonder nadere beperkingen, die daar genoemd waren tot de stembus moesten worden toegelaten n.l. 23 jaar oud, 1 jaar in de gemeente, niet bedeeld enz. De stemlijst die er nu is, gebruike men

De stemlijst die er nu is, gebruike men ook bij de 10-jaarlijksche stemming, waarbij men weer bedenke, dat op die lijst aanteekening gehouden moet worden van hen, die door vertrek uit de kerkelijke gemeente, censuur enz. of overlijden ophouden hun stemrecht te kunnen uitoefenen.

Vraagt men ons ten slotte : hoe moet de stemming geschieden ? dan antwoorden we: men late een stembiljet drukken met

M KERKERAAD

M KIESCOLLEGE

en men zegge, dat één van de twee hokjes moet worden zwart gemaakt. Dat is 't eenvoudigste.

En nu het artikel van prof. Obbink. Die schrijft :

„Als ik moest zeggen, wat m.i. de meest rationeele manier is voor het beroepen van predikanten en het benoemen van kerkeraadsleden, dan aarzelde ik geen oogenblik : de meest rationeele manier is dat de heele gemeente (mannen èn vrouwen) kiest. Dat is de eenige vorm die theoretisch te verdedigen is in onzen demokratischen tijd. Maar praktisch doen zich zulke groote bezwaren voor tegen het mobiel maken van de hééle gemeente in groote steden, telkens als een ouderling of diaken moet worden gekozen, dat deze wijze van doen allang is overwonnen, en het volgens onze kerkelijke Reglementen in gemeenten van meer dan 100 stemgerechtigden niet eens mag.

't Is óf Kerkeraad, öf Kiescollege.

Het is duidelijk dat de instelling van het kiescollege zijn oorsprong vond in den wensch om zich niet al te ver van het ideaal (de keuze door de gemeente) te verwijderen En (theoretisch alweer) staat het kiescollege dichter bij de gemeente dan de (veel kleiner) kerkeraad. Zoodat dezelfde theoretische overwegingen, die voor de hééle gemeente pleiten, in elk geval meer zeggen ten gunste van het kiescollege dan van den kerkeraad

Maar p r a c t i s c h heeft de ervaring ons andere dingen geleerd. En wel dit, dat het kiescollege nóg meer dan de kerkeraad aanleiding geeft tot de heerschappij van enkele (en dan nog niet-verantwoordelijke en onvindbare) schreeuwers, wier overwicht niet voortkomt uit bezadigdheid, noch uit kennis van zaken, maar uit hun geborneerde brutaliteit en hun stiekume wijze van „werken".

De kans dat de kerkeraad bestaat uit bezadigder, meer der zake kundige en hun verantwoordelijkheid wetende elementen, dan het kiescollege, springt in het oog. Maar democratisch, billijk en zuiver is het niet als zoo'n klein groepje mannen tien jaar lang kunnen doen wat ze willen.

Daarmede is de moeilijkheid van het probleem aangeduid. Theoretisch is er meer te zeggen voor een kiescollege ; uit p r a c t i se h e overwegingen is er geweldig veel tegen. Welke gedragslijn zullen de meeste gemeenten straks volgen ? Ik vermoed de utilistische lijn, die „de Waarheidsvriend" : voor de gereformeerden aangaf : vblg die lijn die voor uw partij het voordeeligst is. Dat is geen hóóg standpunt, maar begrijpelijk.

Ik zou liever iets anders zien : dat men voor het oogenblik maar zoo weinig mogelijk spektakel maakte, en de dingen liet zooals ze zijn, maar dat zoo spoedig mogelijk voor alle gemeenten een nieuwe regeling werd gemaakt, waarbij de kiescolleges werden afgeschaft, en de kerkeraad verplicht werd te beroepen en te benoemen uit candidatenlijsten, door de gemeenteleden ingeleverd. Men zou voor zoo'n candidatenlijst een bepaald aantal onderteekenaren kunnen eischen. Dan heeft de gemeente zelf zeggingschap en zal zich voor beroepingen en benoemingen interesseeren, zonder dat sommige stokebranden den boel in het honderd kunnen sturen. Het is te betreuren dat de Synode niet vóór deze „tienjarige stemming" heeft getracht een dergelijke regeling in te voeren, waarmee vermoedelijk alle „richtingen" zich zouden kunnen vereenigen Met de tegenwoordige regeling is, geloof ik, vrijwel niemand tevreden."

H. Th. O.

Kerkvoogdijen en Minderheden.

Waar hier en daar een hoofdelijke omslag wordt ingevoerd door H.H. Kerkvoogden en Notabelen, duikt ook de vraag op : wat moeten de Kerkvoogden doen, als minderheden in de Gemeente vragen om restitutie, uit oorzake, dat zij wel betalen in de lasten en niet deelen in de lusten van het kerkelijk leven.

In de pas verschenen brochure van den heer J. de Breuk, president-kerkvoogd te Haarlem wordt daaromtrent breed geadviseerd, om overal te doen, zooals de Kerkvoogden te Haarlem, die aan de Vrijz. Hervormden, op hun verzoek, ƒ2000 hebben uitgekeerd uit de ontvangsten van den hoofdelijken omslag ter tegemoetkoming in kosten ter voorziening in hun vrijzinnige godsdienstige behoeften.

Wij hopen, dat orthodoxe kerkvoogdij dat nergens zullen doen. En wel om de oorzaak dat die modernen geen hoofdelijke omslag betalen als vrijzinnigen als zoodanig, maar als leden van .de Ned. Herv. Kerk tot welke Kerk zij met instemming met haar belijdenis, zijn toegetreden. Zij zijn eerlijk en open aangenomen door wettige predikanten en kerkeraden niet als modernen maar als leden der Ned. Herv. Kerk. De predikanten en die kerkeraden hebben zich verklaard met de belijdenis der Kerk in te stemmen en die leden der Kerk hebben dat ook gedaan en als zoodanig zijn ze in de Kerk, om ook die Kerk zóó te helpen. En als dan, gelijk in Haarlem, naar die belijdenis, in hoofdzaak en wezen genomen gepreekt wordt, dan gaan die buiten-kerkelijk levende moderne leden zich eigen  bijzondere godsdienstige behoeften scheppen, die met den aard en het wezen der Herv. Kerk niet overeenstemmen, en zijn zijzelve de oorzaak, tegen wet en regel der Kerk in, dat zij wel de lasten moeten dragen en geen lusten hebben. Ze hebben dan eenvoudig uit te gaan, omdat ze er niet in hooren. En de orthodoxe gemeenten hebben die modernen, die den Christus der Schriften loochenen, geen douceurtje te geven „om in eigen godsdienstige behoeften te voorzien." Die „eigen" behoeften moeten ze dan ook zelf maar betalen en met die „eigen" behoeften de Herv. Kerk verlaten, ;

Zóó zien wij de dingen.

In dit verband is het wel interessant om te lezen hoe prof. Obbink, op gansch ander wijze redeneeren, zich deze kwestie denkt'.

Hij schrijft in „Bergopwaarts" het volgende artikel: 

..De kerkvoogdij te Haarlem staat uit haar inkomsten een deel af aan de Vrijzinnig Hervormden. De kerkvoogdij te Utrecht antwoordde op een dergelijk verzoek dat  „tot haar leedwezen" geen vrijheid voor evenzoo te handelen. Nochtans hebben de Vrijzinnigen te Utrecht hun verzoek herhaald, waarop ze natuurlijk hetzelfde antwoord zullen krijgen.

De kerkvoogdij te Utrecht weet heel goed dat, al zou ze het willen, ze geen recht heeft het te doen. Waar zou het heengaan als de kerkvoogdij zich met de leergeschillen ging bemoeien, en de kerkelijk ontevredenen uit de kerkekas ondersteunde ? De kerkvoogdij heeft met „richtingen" niets te maken en mag er niets mee te maken hebben. Dat is zonder meer duidelijk, en mis, men kan zich slechts verbazen dat de Haarlemsche kerkvoogdij dat niet ziet. De Utrechtsche ziet het wel, en er is dan ook niet de minste kans op een toestemmend antwoordt

Of dan met een afwijzend antwoord de zaak in orde is? Bij lange na niet. Het is een onrecht dat den vrijzinnigen wordt aangedaan, wanneer in eene gemeente met ? predikanten en 8 kerkgebouwen en een aanzienlijke groep belastingbetalende Vrijzinnigen elke tegemoetkoming stelselmatig wordt geweigerd. En ik weet dat er, ook onder de Utrechtsche orthodoxen zijn, die dat erg hindert, en die er zich tenslotte zuchtend bij neerleggen, omdat „er toch niets aan te doen is."

Is er niets aan te doen ? Ik geloof van wèl. Voorloopig niet in den vorm van een vrijzinnig predikant, want die zou door rechtzinnigen moeten worden beroepen, en daar zijn we nog lang niet aan toe. Want een orthodoxe weigert de verantwoordelijkheid te dragen voor een vrijzinnige prediking.  

Maar waarom niet door hen de tóch leegstaande kerken ten gebruike af te staan? Wanneer men vreest dat banken en muren er door worden besmet, zou men de kerkleven kunnen uitzwavelen. voordat een rechtzinnig predikant optreedt. Of nog beter; Waarom zou de kerkeraad niet één der de centra onzer groote steden veel te dicht op elkaar staande kerkgebouwen des Zondagsmorgens aan de vrijzinnigen kunnen overlaten? Daarmee werd langs regelmatigen weg hetzelfde bereikt wat men in Haarlem onrechtmatig doet.

Ik ben niet zeker dat de Utrechtsche kerkeraad zoodanig verzoek zou inwilligen maar zoo'n afwijzing zou niet zóó gemakkeiijk gaan als wanneer iets zoo mals wordt gevraagd als geld uit de kas van de kerkvoogdij.

Wie helpt ons aan adressen voor Proefnummers?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's