Uit het kerkelijk leven.
Het Mormonisme.
Hoogmoed komt voor den val. De kruik gaat zoolang te water, totdat zij barst. Dat kunnen we ook zeggen ten opzichte van Jozef Smith. Het kluchtspel begon een drama te worden. Want het was in Nauvoo alles behalve pluis. Niet ieder volgde hem door dik en dun. En vooral kwam er krachtige oppositie, toen het meer en meer openbaar werd, dat de veelwijverij werd geleerd, en dat de profeet zich niet ontzag om onder vromen schijn meisjes en zelfs gehuwde vrouwen aan zich te verbinden.
Het Boek van Mormon verbiedt de veelwijverij ; en verdedigt het huwelijk met ééne vrouw. We lezen daaromtrent in het boek Jacob, hoofdstuk 2 vers 24 tot 29 het volgende : „Ziet, David en Salomo hadden waarlijk vele vrouwen en bijwijven, hetwelk een gruwel was in mijne oogen, zegt de Heere. Daarom zegt de Heere : Aldus heb ik dit volle uitgeleid uit het land van Jeruzalem door de kracht van mijnen arm, opdat ik mij een volk zoude vergaderen, eenen rechtvaardigen tak uit de vrucht van de lendenen van jozef. Daarom zal de Heere God niet toestaan, dat dit volk zal doen gelijk het volk van vroeger dagen. Daarom mijne broeders, hoort mij en luistert naar het woord des Heeren ; want er zal niemand onder u zijn of hij zal slechts ééne vrouw hebben en geene bijwijven. Want ik, de Heere God, verblijd mij in de kuischheid der vrouwen. En hoererij is een gruwel voor mij, aldus zegt de Heere der heirscharen.Daarom zal dit volk mijne geboden bewaren zegt de Heere der heirscharen of anders zal het land om hunnentwille vervloekt zijn".
Hier wordt dus geleerd, dat het gedrag van mannen als David en Salomo een gruwel was in de oogen des Heeren. En evenzoo leert Smith in het Boek der Leer en Verbonden. Daar staat: „Gij zult uwe vrouw met geheel uw hart liefhebben, en gij zult haar aankleven en geene andere'' (pag. 185) en verder : „Daarom is het wettig, dat hij eene vrouw hebben zou, en deze twee zullen één vleesch zijn, en dat alles, opdat de aarde aan het doel harer schepping moge beantwoorden".
Hoewei evenwel de leer op dit punt vóór het monogamisch huwelijk (van één man met ééne vrouw) pleitte, liep het in de practijk spoedig anders. In Kirtland was het al niet zuiver. In Missouri werd het er niet beter op. En in Nauvoo kwam men ten slotte schaamteloos voor zijn gevoelen uit — zooals we lezen in „Het Mormonisme" door I. van Dellen, Kok, Kampen, blz. 111.
In April 1842 is Smith dan in 't geheim gehuwd met Eliza R. Snow en later werd openbaar, dat hij verscheidene vrouwen heeft gehad.
Toch durfde de profeet toen nog niet publiek voor de veelwijverij (polygamie) pleiten. Langzamerhand wilde hij het volk voor bereiden. In 1843 of '44 liet hij door een ander (een zekeren Jacobs) een brochure schrijven, waarin de veelwijverij op grond der Schrift verdedigd werd. Toen het volk er niet van gediend was, veroordeelde Smith zelf de brochure ook ; hoewel hij 12 Juli 1843 de beruchte openbaring schreef, waarin hij leert, dat God de veelwijverij wil.
Die openbaring hield in de stem des Heeren die sprak : „Davids vrouwen en bijwijven waren van Mij aan hem gegeven door de hand van Nathan, Mijn dienstknecht ; en in geen van deze dingen zondigde hij tegen Mij behalve in het geval van Uria en zijne vrouw". En wederom, met betrekking tot de wet van 't Priesterschap : „Indien een man eene maagd huwt en verlangt eene andere te huwen en de eerste geeft hare toestemming ; en indien hij de tweede huwt, en zij hebben aan geen anderen man beloften gedaan, dan is hij gerechtvaardigd ; hij kan geen overspel bedrijven, want ze zijn aan hem gegeven". „En indien hij door deze wel tien aan hem gegeven maagden heeft, zoo kan hij geen overspel bedrijven". (Het Boek der Leer en Verbonden, afd. 132 : 39, 61 en 62).Dit is niet alleen in strijd met het Boek van Mormon Jacob 2 : 24-29, maar ook met eene goddelijke Openbaring, welke Smith de Ziener in 1831 had ontvangen. Toen toch had God tot hem gezegd : „Gij zult uw vrouw met geheel uw hart liefhebbe'n en gij zult haar aankleven en geen andere" (Het Boek der Leer en Verbonden afd. 42 : 22).
Toch vond het meervoudig huwelijk ingang onder de Mormonen, waarbij de Profeet voor ging en ruim twintig jaar later is het meervoudig huwelijk als een leerstelling door de „Kerk van de Heiligen der Laatste Dagen" aan de geheele wereld verkondigd.Maar daar komen we later nog wel even op terug als we nog iets gaan zeggen over de leerstellingen van het Mormonisme.
In Nauvoo liep het mis. Het volk werd hóe langs hoe meer ontevreden over den Profeet. En toen deze meende door krasse woorden en maatregelen — hij was burgemeester ! —de rust te moeten herstellen en „het Legioen" in de wapens kwam, was het volk niet meer te houden. Eerst koos Smith het hazenpad, maar dóór zijn vrienden als „lafaard" teruggehaald, werd hij daarna gevangen genomen en in den kerker gesloten tegelijk met zijn broer. Toen het volk later te hoop liep, werd eerst Hyrum Smith doodelijk gewond, waarna hij oogenblikkelijk een lijk was. Jozef werd ook gewond, trachtte door een venster te ontvluchten, doch werd op het erf der gevangenis afgemaakt.
De moordenaars werden niet gestraft, omdat de overheid de publieke opinie niet dorst trotseeren. Maar de Mormonen werden door dezen moord juist sterker. Zij hadden nu hun martelaars, en daardoor nam hun beweging toe.
De profeet werd te Nauvoo begraven en schier heel de stad liep uit om hem de laatste eer te bewijzen. In 't midden zijner dagen nog slechts 39 jaar oud, was zijn levens draad afgesneden, om te vallen in de handen van den hemelschen Rechter, Die rechtvaardig oordeelt.
Van Dellen in zijn genoemd boek „Het Mormonisme" eindigt zijn levensbeschrijving van Smith op een eigenaardige manier, waarom we 't daar volgende week itog even over hebben willen.
(Wordt vervolgd).
Nog eens : de Vrije Universiteit.
Met de bitse woorden „groot-inquisiteur" werd „De Waarheidsvriend" door „De Heraut" inzake de benoemingskwestie-mr. van Apeldoorn buiten de deur gezet. En daar zijn we zoet en stil gaan staan. We hebben van die zaak niet meer gerept, 't Gaat ons niet om een of andere bizonderheid, maar 't gaat ons om de groote dingen en de groote lijnen in de kwestie die we aan de orde stelden, n.l. hoe is de verhouding geweest van de Vrije Universiteit ten opzichte van de Hervormden ?
Het resultaat van deze discussie is in betrekking tot de zaak zelve al heel pover geweest. „De Heraut" wist niets, letterlijk niets te noemen.
Omdat „De Heraut" evenwel nog altijd zoo'n beetje geheimzinnig bleef doen inzake de benoeming van mr. Van Apeldoorn — en er daarna „van zekere zijde" in „De Nederlander" een bericht gelanceerd werd, dat mr. Van Apeldoorn toch gevraagd is, lijkt het ons niet ondienstig even over te nemen, wat prof. Fabius nu in , De Heraut" schrijft, waarover „De Heraut" geen discussie wil ; 'voor goed" wordt de discussie gesloten.
't Ingezonden stukje van prof. Fabius luidt aldus : Redactie, Wat gij in uw laatstverschenen twee nummers schrijft over mr. Van Apeldoorn in verband met de Vrije Universiteit, kan tot misverstand aanleiding geven, en doen meenen, dat door de rechtsgeleerde faculteit dier Universiteit ooit eenigerlei poging zou zijn gedaan, om genoemden jurist aan die stichting te verbinden.
Daarom dunkt mij gewenscht, te doen uitkomen, dat aan zoo iets moeilijk door U kan zijn gedacht.
Met dank voor de plaatsing.
Uw dw., D. P. D. FABIUS.
Den Haag, 7 Febr. 1921.
Geoefend, ijverig en volhardend.
In Brielle ging het de laatste tijden tusschen orthodoxen en vrijzinnigen heet toe bij de kerkelijke verkiezingen. De laatste man werd van beide zijden in het vuur gebracht, en dan was het soms de orthodoxe, en soms de vrijzinnige, die als overwinnaar — met één of een paar stemmen voorsprong — met den buit strijken ging.
Er was kiescollege. En zoo had men jaarlijks die krachtmeeting. Nu hebben de orthodoxen, omdat de kerkeraad rechtzinnig is, geadviseerd, om bij de stemming kerkeraad — kiescollege ? te stemmen vóór kerkeraad. En met 137 tegen 78 stemmen is besloten het kiescollege af te schaffen en voor de volgende tien jaren het beroepen van predikanten en het benoemen van ouderlingen en diakenen op te dragen aan den kerkeraad.
Dat is van de orthodoxen te verstaan.
Waar de vrijzinnigen nog net de meerderheid hebben en de vrees voor de stemmen van de orthodoxe gemeenteleden de moderne harten onrustig maakt, doen zij net precies zoo. Dan kiezen ze — zij die altijd zoo hóóg opgeven van de rechten der gemeenteleden, zelfs bij de verkiezing van de leden van de groote Synode ! — heel kalm voor kerkeraad. Achter die barricade zijn ze 't veiligst.
Maar nu de orthodoxen in Brielle kerkeraad gekozen hebben en 't kiescollege naar huis hebben gestuurd, nu is het Vrijzinnig Weekblad woedend.
Woedend, omdat de vrijzinnigen zoo zorgeloos zijn geweest. Die slaapmutsen ! Maar woedend ook op de orthodoxen, die deze poets gebakken hebben.
Nu dreigt er gevaar, dat de vrijzinnigen gaan verslappen. Als er niet te vechten is, komt de zoete rust, die roest.
Ook zullen er nu allicht modernen zijn, die het maar opgeven en die de Herv. Kerk vaarwel zeggen. Er is nu de eerste tien jaar toch niets te halen daar.
Die arme vrijzinnigen. Waarom gaan ze ook maar niet naar het Remonstrantsche Kerkgenootschap of naar een Vrije Gemeente ? Daar hooren ze thuis. En daar zijn ze van veel getwist en veel krakeel bevrijd.
Als broeders één — en daar geen strijd om beuzelingen.
Maar die leelijke orthodoxen toch.
Neen, daar kan dr. Niemeyer niet over zwijgen.
Die leelijke, valsche orthodoxen.
Waarvan óók gezegd wordt „dat men tegen de orthodoxie altijd op zijn hoede moet zijn. Orthodoxen zijn geoefende, ijverige en volhardende strijders."
Dat laatste - één woordje, door dr. Niemeyer in toorne geschreven hebben we geschrapt ! — deed ons goed.
En we roepen allen orthodoxen toe : wees ijverig, en wees volhardend in den strijd ; en oefen u steeds meer, om eerlijk opkomend voor de belijdenis van onze Herv. Kerk allen te weerstaan, die een ander evangelie verkondigen, dan het Evangelie des Kruises. Een evangelie, waarvan de hooïdinhoud niet is : Jezus Christus gestorven voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmakmg.
Aanneming buiten de woonplaats.
Telkens wordt door vrijzinnigen gevraagd wanneer ze in een orthodoxe gemeente wonen, of er geen weg op is te vinden, om in hun woonplaats te worden „aangenomen" en in hun woonplaats te worden „bevestigd." 't Is zoo lastig, om er zoo'n eind voor te reizen, enz.
Men zegt dan : er kan toch wel een predikant en een ouderling van elders komen, om die moderne jonge menschen in hun woonplaats „aan te nemen" en als dan de orthodoxe dominé eens zoo vriendelijk was om voor een keer z'n kansel voor een modern collega af te staan voor „de bevestiging" — dan was 't klaar !
Noch het een , noch het ander kan evenwel Een predikant en een ouderling van de gemeente A hebben in de gemeente B niets te zeggen. En als ze uit A kwamen om jongelui te B „aan te nemen" was heel die geschiedenis ijdel. Öe aanneming van lidmaten is het werk van den kerkeraad. Deze vaardigt daartoe af een predikant en ten minste één ouderling, die de aanneming in zijn naam voltrekken. Laat men voor den gang van zaken maar eens rustig artikel 38 van het Reglement op het godsd, onderwijs nalezen.
Een kerkeraad van A heeft dus te B niets te zeggen en niets te doen. Handen thuis I Anders brandt men zich. Op de daders kan dan een tuchtmiddel worden toegepast en de verrichte handeling wordt ongeldig verklaard.
Een Synodale verklaring in deze luidt aldus : „Geen aanneming en bevestiging tot lidmaat, door den kerkeraad eener andere gemeente dan die der eigen woonplaats, zijn wettig en kunnen rechtsgeldige gevolgen hebben dan die, welke naar de eischen in artikel 40 van het Regl. op het godsd. onderwijs gesteld, in die andere gemeente, d.i. binnen de grenzen van de (werkzaamheid van haren kerkeraad, plaats hebben."
Toen men dan ook in 1896 in Vlaardingen jongelui in het gebouw van den Protestantenbond door een commissie uit den kerkeraad van Nieuwenhoorn had „aangenomen" — kreeg men dit antwoord thuis. En het Classicaal Bestuur van Brielle overwoog terecht, dat zulk een aanneming en bevestiging niet wettig waren.
Zóó gaat het dus niet.
En dat een orthodox predikant z'n kansel (is die van hem ? ) aan een modern collega afstaat tot bevestiging van leden, die elders door een modernen kerkeraad zijn aangenomen, is natuurlijk ondenkbaar.
Zulke menschen als dr. Engelberts denken er misschien nog over — maar die zal wel niet meer gevraagd worden nu.
Gewone orthodoxe dominé's moeten hier evenwel weigeren. Ze kunnen en ze mogen niet anders. Om des beginsels wille.
En ook om onze Herv. Kerk niet méér nog tot een aanfluiting te maken en méér nog te helpen haar in den grond te boren.
Uw dw.
Ons dunkt, hier mag het spreekwoord gebruikt worden : een goed verstaander heeft maar een half woord noodig.
Door de rechtsgeleerde faculteit is nooit ook maar eenige poging in deze richting gedaan.
En als er wel eens iemand geweest is, die in deze richting z'n gedachte liet gaan, die weet nu hoe laat het is !
Jammer, dat de dingen nog altijd in deze richting gestuurd worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's