Stichtelijke overdenking.
En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u ; en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, en zal u een vleeschen hart geven. En Ik zal mijnen Geest geven in het binnenste van u ; en Ik zal maken dat gij in mijne inzettingen zult wandelen, en mijne rechten zult bewaren en doen. Ezechiël 36 vers 26 en 27.
(Vervolg).
Ik zal maken zegt de Heere. Hijzelf zal het doen ; en wij mogen het biddend aan Hem overgeven, vast vertrouwend dat Hij Zijn Woord waar maken zal.
Er is geen macht die zich tegen Hem verzetten kan. Hij weet den doorbreker te doen optrekken.
Geen hart zoo hard of het smelt op het woord van Zijn bevel.
Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen.
Dat doet Hij door middel van Zijn Woord — door wegen te bewandelen die ons bij dat Woord brengen — door met Zijnen Geest het Woord voor ons levend te maken en toe te passen.
Daarvoor bewerkt Hij ons misschien met zegeningen, opdat wij aan Zijn voeten vallend, zouden roepen : „Heere, wat zal ik U vergelden voor al Uw weldadigheid en trouw " Misschien door tegenspoed en slagen, rouw en dood, opdat wij ons verootmoedigen leerden voor Zijn aangezicht en smeeken om dien eenigen troost in leven en sterven.
Kortom, de Heere bezoekt de Zijnen, opdat Hij Zijn verloren beeld in hen herstellen zou en ze leerden gaan in het spoor van Zijn geboden.
Indien toch de Heere, de Almachtige Zelf, dat harde, steenen hart niet aangreep, er ware geen denken aan, dat er ooit verandering ten goede kwam. Zou er ooit één uit zichzelf naar den Heere hebben gevraagd ?
O, indien ge iets van genade kent, is u het woord van Hagar als uit de ziel gegrepen : Heb ik ook omgezien naar Dien, Die naar mij omzag ? Wie is u te sterk geworden en heeft u overmocht ? Wie nam uw steenen hart weg? Wie maakte dat hart brandende van verlangen naar den Heere, Zijn Woord en dienst ?
Ge hebt geen ander antwoord dan alle gekenden : God alleen, naar Zijn groote genade — Want niemand kan den Heere liefhebben, tenzij hem dat gegeven zij van den Vader.
Het woord van onzen tekst met zijn belofte is wel het voornaamste wat wij ons voorstellen kunnen. Zonder dien Geest en Zijn invloed op ons hart, is het niet mogelijk dat wij prijsstellen op den Heere of Zijn Woord, hoeveel heils het ook bevat. Zien we niets van de noodzakelijkheid en onmisbaarheid van hereeniging met God. Verstaan we eenvoudig niets van den rampzaligen staat waarin we verkeeren en het doodsgevaar dat dreigt.
Maar wordt die Geest werkzaam over ons dan leert Hij ons deernis kennen met onze onsterfelijke ziel, dan openbaart zich dat in de klacht over ons booze, harde en zondige hart en in de vraag : „hoe wordt het nog gereinigd en verteederd ? " Dan ligt er hier de zoo troostvolle belofte die zulke klagers en vragers opbeuren kan en bemoedigen, door heen te wijzen naar dien God, die harde harten breekt en van steenen Abrahamskinderen maken kan. Hoe meer ontdekking, hoe meer klacht over het inwonend bederf. Ach, hoor dan de belofte voor die klagers over zichzelven : „Ik zal u geven." De Heere zal het voor u doen als gij het uit eigen hand leert leggen en Hem ootmoedig aanbevelen. Zijn belofte ligt er, juist voor zondaren, voor onrechtvaardigen en goddeloozen. Dat is pas genade. Ofschoon zwaar getergd en beleedigd, wil de Allerhoogste nog vergeving schenken en een hart er bij om ze te begeeren ; een nieuw hart en een nieuwen geest.
Hij wil hen onderwijzen van den weg dien ze te gaan hebben. Hij Zelf zal ze leeren Hem de dankbaarheid te betalen voor al Zijn weldaden, en Zijn lof te verkondigen op aarde.
De Heere belooft het en vervult Zelf voor den heilbegeerig gemaakten zondaar de belofte. Hij werkt Zijn eigen toezegging in hen uit. En dat levert heerlijke gevolgen op. Want in wien het Gode behaagt Zijn toezegging te vervullen, dien maakt Hij van een kind des toorns tot Zijn eigen kind, dat bidden mag : „Abba-Vader." En grooter eer en heil is wel niet denkbaar dan God zelven met kinderlijke vreeze en liefde te mogen naderen, met den Vadernaam op de lippen. Dat heil maakl ook den gang door het leven vast, want aan 's Heeren hand en van Zijn liefde verzekerd komt er het vertrouwen dat niets ons bijgeval overkomt, maar het alles uit Zijn Vaderhand gezonden wordt.
Met dat heil wordt zelfs het gaan in het dal van de schaduwen des doods mogelijk, want ook daarin verzekert Hij dat zelfs dan Zijn stok en staf vertroosten. Kent gij dan wel grooter heil ? Wat heeft de wereld daai tegenover te stellen ? Ach, zoolang omtrent zulke genadeweldaden ge nog onverschillig kunt zijn, is onze tekst wel waar, als 't er staat dat zulks hier vandaan komt, dat wij van nature een steenen hart, een hart zondei gevoel omdragen.
Zeker ook voor den geloovige blijft er nog altijd veel over dat hem bezwaart en angstig doet zuchten. En geen wonder, want genade maakt ernstig en fijngevoelig en vei vult niet alleen met de allerhoogste belangstelling in Christus' zaak, maar ook met innig mededoogen tot den naaste. Dan is ef ook telkens de smart over de loochening der heiligste waarheden en den smaad den Heere Christus en den Geest Zijner genade aangedaan. Droefheid over zooveel zonde en boosheid jegens dien liefderijken Heere bedreven
Dan bloedt het hart als het denkt aan wat er van worden moet, indien de mensch al driester 's Heeren Woord verwerpt. Dan is er verbrijzeling des geestes als gij ziet hoe eigen ziel nog vaak kleeft aan het stof en de bede stijgt op : „Ach, Heere, maak mij levend naar Uw Woord." En dan, opnieuw bij de belofte van onzen tekst gebracht als het daar luidt : „Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwen geest", komt er weer vertrouwen en blijdschap, " want de Heere zal het doen. Hij zal Zijn werk in het leven behouden. Hij geeft Zijn eigen werk niet aan verderving over ; en zooals de belofte Gods opnieuw verzegeld en in het geloof aangegrepen wordt, wijkt de angstige bezorgdheid en zinkt Zijn kind op de knieën om den Heere aan Zijn Woord en belofte te houden met de bede : „Sta ons Zelf bij, o getrouwe Heere, en verbreek naar Uw Woord het steenen hart en stel er het vleeschen voor in de plaats."
En zulk een gebed in ootmoed en geloofsvertrouwen opgezonden. God houdend aan Zijn Woord door Hem zelf gewerkt in het harte, kan de verhooring niet missen. Dan wordt onder het bidden het hart rustig, dan verdwijmt de vreeze, dan wijken droefheid en zorg, dan komt er ruimte, dan komt er verheuging en blijdschap der ziel, want dan gaat de overtuiging weer bewust leven daar binnen, dat Die het beloofd heeft getrouw is, Die het ook doen zal. Waar dan door den nood gedreven de ziel op de knieën zonk om God aan Zijn belofte te houden, daar stelt Hij in de ruimte, en waar het eerst was een klagen : Ik vond benauwdheid en droefenis, maar ik riep den Heere dus aan in al mijn nood : „Och, Heere, bevrijdt mijne ziel", daar komt het antwoord in den jubel : „toen hoorde God, de Heere is genadig en rechtvaardig en onze God is ontfermend."
Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwen geest in het binnenste van u.
Hebt ook gij, lezer, uw eigen hart al leeren kennen als diep bedorven — zoo ja — was u dat een oorzaak van oprechte smart en hartelijk verlangen naar een gereinigd gemoed, vol van Gods Geest te mogen bezitten, of acht gij die vernieuwing in de wedergeboorte nog overbodig.
Houd u nog voor gewaarschuwd waar de mond der Waarheid sprak het zoo ontroerend ernstig woord : „Tenzij de mensch wederomgeboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien." Of hebt gij bij de wereld die rust en dien vrede al gevonden, waarmede gij bewust en vertrouwend de eeuwigheid en het rechtvaardig oordeel Gods tegen durft?
Immers neen ! O, sla dan de belofte van onzen tekst niet als overbodig verre weg, maar sta een oogenblik stil op uwen weg en vraag u eens eerlijk af, of ge in uw eigen gestalte voor een heilig en volmaakt God staan kunt. Is uw harte rein, zijn uw denken en spreken Gode welbehagelijk ? Smeek liever om licht des Geestes, opdat gij sidderen moogt voor den gruwel dien gij bij verlichte oogen gaat ontdekken. Dan wordt het waar heid wat er staat in vers 31 : „dan zult gij gedenken aan uw booze wegen en aan u\v handelingen die niet goed waren en gij zult een walging van uzelf hebben over uwe ongerechtigheid en over uwe gruwelen." Dan zal het geroep om licht en wijsheid van boven, om uitdelging van schuld, om genade, zich verdubbelen. Dan wordt het woord van onzen tekst nog uw troost als gij schier wanhopig klagen moet: „voor mij geen hoop, want wie zal een moormanshuid en luipaardsvlekken weg wasschen" en het antwoord luidt: „Ik zal u een nieuw hart geven en Ik zal dat steenen hart wegnemen en er een vleeschen hart voor geven."
Zoo zal dit woord u nog worden als regen op een dorstig land, een boodschap des levens ten leven, om er uwen God worstelend in vast te houden, totdat Hij u genadig zij.
Zijt ge van de noodzakelijkheid daarvan overtuigd ; niet verstandelijk slechts, maar van harte ? Of hebt ge genoeg aan waarheid buiten u, zonder te vragen naar waarheid in het binnenste.
Wat baten in het eind een verstandelijke overtuiging en een aangegrepen of geleend geloof ?
In het sterven kunnen ze alleen 't oordeel verzwaren, omdat gij in niets te verontschuldigen zult zijn. Dan voor altijd de snijdende klacht van eigen schuld, eigen onwil. Wél gewaarschuwd, wél geweten, en niet gewild. Zie uw huis worde u woest gelaten. Leere genade nog beven voor dat oordeel en drijve zij tot zelfonderzoek om te weten of uw uitzicht en hoop wel op een vasten grondslag staan. Of ge misschien ook heimelijk buiten wedergeboorte en vernieuwing des levens om, meent te zullen ingaan. Bedrieg u niet met valsche overleggingen die in Gods Woord nergens steun vinden en de beloften Gods van onzen tekst als overbodig of ijdel geklap zouden stempelen, en God alzoo Zelf tot een leugenaar zouden stellen. Neen, overtuiging des harten is een onverbiddelijk vereischte en die drukt de ziel eerst wel neer in het stof, maar laat ze daar niet hulpeloos liggen. Integendeel. Wie in het stof lag neergebogen, wordt door Hem weer opgericht. Overtuiging des harte: n maakt tot smeekeling, tot bedelaar aan den troon Gods die het beloofd heeft een nieuw hart te zullen geven. Het maakt tot een worstelaar bij Hem, Wiens vreugde het is. Zijn genade te verheerlijken in het redden van zondaren.
Kent gij in uw leven iets van die worsteling ; is er dat aanloopen van den Heere als een waterstroom om een rein, een vleeschen hart en klaagt gij uzelven dagelijks aan over de onreinheid en hardheid van het steenen hart, dan zijt gij, hoewel gij het zelf nog niet zo ervaart, benijdenswaard. Veracht dan den dag der kleine dingen miet, maar blijf voor uwen nood de vervulling zoeken bij de volheid van Christus' gerechtigheid en smeek veel met den Psalmist : „Herschep mijn hart en reinig Gij, o Heere, die vuile bron van al mijn wanbedrijven ; vernieuw in mij een vasten geest en leer mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven."
Aan zulk bidden en vragen belooft onze tekst voldoening. En let dan op Gods barmhartigheid. Hij geeft Zijn belofte zonder aan ons eerst voorwaarden te stellen. Hij vordert geen prijs, maar biedt het nieuwe hart om niet aan. Bij God kunt gij niet te slecht zijn om gesteld te worden tot een toonbeeld Zijner genade.
Belijd het Hem dus gerust: „Heere, ik heb zoolang gezocht mij zelf te veranderen en ik verdierf het dagelijks meer. Och, doe Gij het nu, naar de grootheid Uwer barmhartigheid."
En al zullen er dan ook tegen het begeeren des harten in, nog telkens zonden te bestrijden en te beweenen zijn. Hij ziet het hart aan en weet welke de meening des geestes zij.
De afstervende zonde behoort bij den tijd, maar de uit genade verkregen gerechtigheid bestaat tot in eeuwigheid.
Is dat uw troost geworden ; draagt gij iets van verzekerdheid des harten om, dat om Christus wil uw steenen hart is weggenomen en gij een vleeschen hart ontvangen hebt, o, dan is u het woord van onzen tekst een dagelijksche verkwikking. Blijf er mee werkzaam en houd het den Heere gedurig in den gebede voor, want daarin heeft Hij een welbehagen en laat gedurig uw smeeking opgaan : „Verlaat niet wat Uw hand begon, o, Levensbron, wil bijstand zenden." Dan zal Hij u de verzekering van Zijn gunst en genade telkens aan de ziel leggen in de toepassing van Zijn Woord bij prediking en eigen onderzoek. Ja, in het sacrament zal Hij u verzegelen, dat Jezus Christus Zelf zich aan de Zijnen geeft tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en een volkomen verlossing. Let dan op de genade, u in onderscheiding van zoovelen bewezen en acht het geen kleine zaak als 's Heeren hand u onder bearbeiding nam en uw hart een trek gaf naar de dingen die boven zijn. Ja, als het in uw ziel jubelt als het allerheerlijkste : „Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde", versta het dan ook, dat het slot van onzen tekst luidt: „dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten bewaren en doen"
God eischt niets vóór, maar wel na ontvangen genade, opdat gij ook indezen levendig bezorgd zult zijn dat uw handel en wandel niet met de inzettingen en rechten Gods vloeken zou. Want als het wel staat met uwen geestelijken mensch, klinkt toch ook de vraag op uit de ziel: „Wat mag ik den Heere vergelden voor al Zijn weldadigheid en trouw ? " En dat eischt een breken met den dienst der zonde en een hartelijken afkeer van het willen dienen van God en wereld tegelijk. Laat uw licht dan alzoo schijnen en zij er geen schuldig stilzwijgen voor onzen Koning, van Israels God gegeven, waar de wereld zich nimmer schaamt haren overste te dienen. Dan zult ge er voor bewaard worden door uw gedrag aan de wereld een wapen in de hand te geven om er Gods volk mede te bestrijden en een reden om den Heere Zelf in Zijn volk te hoonen. Ziet dan — zoo zegt de apostel —hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen. Den tijd uitkopende waar de dagen boos zijn, en Iaat het dan uw gestadig gebed zijn : „Heere, zend Uw Licht en Uw Waarheid, Uw goede Geest bestiere mijne schreden en leide mij in een effen land." Dan zal het hier beneden zijn een weg van geloofsoefening en dus gebeds oefening, om meer en meer der zonde af te sterven en Christus te leven. En al zal ons gebrek en tekort nog vaak het hoofd op de borst doen zinken, als wij zien hoe groot een genade ons bewezen werd en hoe traag toch vaak het benaarstigen is om in 's Heeren inzettingen te wandelen, daaraan komt een einde als het verderfelijke onverderfelijkheid en het sterfelijke onsterfelijkheid zal aangedaan hebben. Dan zal het aanvankelijk gereinigde hart volmaakt gezuiverd zijn en de nieuwe geest geheel ontslagen van de banden des stofs onbelemmerd God Drieéénig groot maken. Dan een loopen zonder moede te worden, 'een wandelen zonder mat te worden een God groot maken met heel het hart, heel de ziel en alle krachten ; want dan gaat in vervulling wat u hier zoo vaak met hartelijk heimwee vervulde en het harte wel met verlangen deed zingen :
Maar blij vooruitzicht dat mij streelt, Ik zal. ontwaakt, Uw lof ontvouwen U in gerechtigheid aanschouwen.
Verzadigd met Uw godd'lijk beeld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's