Stichtelijke overdenking.
Hebr. 11 : 31 Door het geloof is Rachab...Jac. 2 : 25 En desgelijks ook Rachab...
EEN GELOOFSDAAD.I.
Tegen den avond zijn de twee verspieders bij Rachab aangekomen, na een vermoeienden tocht van Sittim over den Jordaan
Zij vragen onderdak om het afgematte lichaam een wijle rust te igeven. Het duurt echter niet lang of ze zijn in druk gesprek met de „waardin", die babbelachtig is en, familiaar in den omgang, ook met vreemdelingen. Ze moet er het hare van hebben.
„Zijt gij van dat volk der Israëlieten, uit dat leger daar aan de overzijde der rivier" vraagt ze.
„Ja, vrouw !" luidt het antwoord. „Heeft dat volk zoo'n sterken God ? " „Ja ! een zeer sterke God is het. Hij doet boven in den hemel al wat Hem behaagt en ook beneden op de aarde. Hij is Israels God. Ook is Hij de Aanvoerder van ons leger. En Hij geeft kracht om de vijanden te verslaan. Hebt ge niet gehoord van onze overwinning op Sihon en Og, de koningen der Amorieten ? Het was een groote krijgsverrichting en ook een roemrijke zegepraal voor Israël. En nu heeft Hij ons beloofd dit land te zullen geven. Zekerlijk zullen vvij het ook ontvangen."
..Ja, wij hebben zulks gehoord en ons hart versmolt; wij vreezen, dat die God u dit land zal geven."
Maar die mannen kwamen niet om te vertellen. Om te verspieden zijn ze uitgezonden, Ier informatie en om inlichtingen in te winnen over de sterkte der vesting, hare poorten en voorschansen.
En het gulle hart van de vrouw spreekt van alles wat de mannen haar vragen.
Maar daar wordt geklopt aan de deur ! Het zijn des konings afgezanten, die zoeken naar vreemdelingen.
.Gauw weg ! Naar boven maar I Op het dak, onder de vlasstoppelen !" En-Rachab bergt de verspieders, zendt de boden des konings weg, op een verkeerden weg, met list en bedrog.
Maar vóór de verspieders aftrekken, maken zij een afspraak. Zij zal ze veilig doen uitgaan, als de mannen beloven haar te zullen sparen, als Jericho, de sleutelstad van het beloofde land, zal worden belegerd.
Het scharlaken snoer uit het venste. Dat zal tot een teeken zijn, dat Rachabs huis oet blijven staan, als alles in puin wordt omgekeerd.
Niemand mag er de hand aan slaan. De God, Israëls God, zal het waar maken.
En Rachab gelooft dat Hij het ook doen zal.
Als wij ons de vraag stellen, waarin bestond dat geloof van deze „publieke" vrouw zijn we geneigd drieërlei antwoord te geven.
Zij geloofde in de leiding Gods. Dat volk kwam niet op eigen initiatief, trok niet eigenmachtig voort, maar stond onder hooger leiding. Eén was er die het alles bestierde, en daarom waren de dagen der vrijheid voor haar volken geteld. Onder hoog bestel zou het zoo zeker geschieden.
Zij gelooft ook in de macht Gods. Boven alle koningen des lands en goden der volken stond deze onzichtbare Koning en machtige God van Israël. Wie zou voor Hem kunnen bestaan ? Voor Hem moeten alle vijanden vallen. Straks ligt de palmstad als een puinhoop aan Zijn voet, en de overwinnaars treden in 't bloed der verslagenen
Zij gelooft ook in de trouwe Gods. Die wijze en machtige God van Israël is ook de Waarmaker van Zijn woord. Hij zal het ook doen. In daden heeft Hij getoond Israël bij te staan, en Hij rust niet aleer de laatste slag is geslagen. Zijn trouw heeft Hij verpand aan Zijn volk.
Als een menschenkind zulke overleggingen heeft in zijn hart, dan gelooft hij. Zielsovertuigingen, door Gods Geest ingewerkt in zondaarsharten, maken hen tol andere menschen. Voor al het geld van de wereld geven zij hun meening niet prijs. Dat is hun „geloof' : God wil het. God kan het, God zal het doen.
Uit dit oogpunt gezien is dan ook het „scharlaken snoer" een teeken des geloofs. Een openbaar teeken, dat de geloovigen niet voor de wereld verbergen, een persoonlijk teeken dat ze vasthouden, ondanks allen spot van de menschen, een veelbelovend teeken, waaraan voor hun bewustzijn alle uitkomst en zegen verbonden is.
Bij geestelijke processen de banieren voorop, en in bitteren levensstrijd de veldteekenen vooruit !
Uit de waarheid van dat teeken leven zij, om de heerlijkheid van dat teeken scharen zij zich, en door de kracht van dat teeken trekken ze voort.
Zóó is het met Rachabs teeken, het roode snoer ; zóó met ons teeken, het kruis van Christus. In dit teeken zullen ze overwinnen
Uit het venster dan het snoer. Opgeheven dan die banier des kruises! Het „waarteeken" !
Maar als dat geloof er is, dan zien we ook dat geloof door de liefde werkende
„Of is zij niet uit de werken gerechtvaardigd als zij de gezondenen heeft ontvangen en door een anderen weg heeft uitgelaten? "
Gewis, uit de werken I Maar die werken vloeiden voort uit dat geloof; geloofswerk was het dat ontvangen en dat uitlaten, en in heel de handelwijze was de drijfveer geloof door de liefde werkend, opdat zij daaruit gerechtvaardigd zou worden.
Gaat het ooit anders toe ? Het geloof zegt: het moet, en de hand der liefde is er bïj om het bevel ten uitvoer te brengen. Rachab kan niet anders en mocht niet anders. Om Gods wil, om haars geloofs wil, en om der wille van de zaak van Gods volk zal het geschieden.
Gerechtvaardigd uit het geloof en uit de werken dat is dan één.
Heeft ze daarom haar loon weg?
Neen, daarom ontvangt ze „groote loon", want God heeft er voor gezorgd, dat ze n i e t o m g e k o m e n is met de ongehoorzamen", en in de algemeene ramp die haar stad trof behouden is en bewaard.
Bij het oprechte geloof komt het tenslotte zoo goed uit! En die let op de uitkomst kunner paan" bemerkt, dat de Heere toch een „belooner is dergenen die Hem zoeken."
Och, na jaren soms zien we de kroon op onzen strijd. Vaak dachten we : het zal toch „omkomen" worden, maar neen, de Heere geeft het niet over, en al dreigde de ondergang vaak van nabij, het einde kroonde het werk, en die vreesde in donkere ure te zullen verloren gaan, blijkt juist te zijn de geredde door Gods machtige en trouwe liefdfe.
Vandaar dat het geloof ook blijdschap met zich brengt. Geloofswegen zijn wegen met tranen ; diepe beproevingen zijn 't deel van Gods kinderen hier op aarde. Maar gelouterd door het lijden eindigt geloofsleven in geloofsroem. God heeft alle dingen wèlgemaakt.
Dan is er vreugde in Rachabs huis, om' de sparing. Vreugde bij de heidin zelf, die alzoo geroepen, toewerkt, verwaardigd Gods werk mocht doen in Gods kracht en in oprecht geloof. Vreugde tenslotte ook bij ons over een vrouw, buiten Israël staande, maar toegebracht, op de „geloofslinie" van het Oude Testament gezet (Matth. 1 vers 5), en in de beeldengalerij van het Nieuwe Testament met eere genoemd, ten bewijze dat de Heere groot is en rijk in genade.
Heeft Rachabs geloof iets tot ons te zeggen ?
Oorzaak van al onze ellende, de maatschappelijke, kerkelijke, huiselijke, ja welke ook, is deze, dat we niet „door het geloof" leven.
Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. En die tot God komt, moet gelooven dat Hij bestaat, en dat Hij een belooner is dergenen die Hem zoeken.
Is dat waarlijk zoo bij ons, dan worden wij uit dat geloof gerechtvaardigd en zijn we ijverig bezig, met een geloof door de liefde arbeidende.
En dan worden we tenslotte uit de vruchten van ons geloof verzekerd en verblijd.
Want door de genade Gods leeft het alles in ons, en bloeit het; zooals elke planting Gods rijpt tot een eeuwige vrucht in storeiooze vreugd.
II.
„De Jordaan keerde achterwaarts." Ps. 114:3. „van Sittim af tot Gilgal toe." Mioha 6 : 5.
Weer zijn de beide verspieders bij Josua in het leger der Israëlieten teruggekeerd. Het was een gevaarlijke tocht geweest, maar wonderlijk gezegend en bewaard kunnen zij Josua een blijde tijding overbrengen. Al hun wedervaren hebben zij verteld, en geloovend in de macht van hunnen God heb ben zij moed ontvangen om te zeggen : „Voortvaren maar ! De Heere zal het ons zekerlijk doen gelukken."
Josua laat er dan ook geen tijd over heen gaan. Hij zendt de hoofdmannen van het leger uit om te zeggen, dat de Israëlieten zich gereed moeten maken. Als zïj de arke des Verbonds zien voorop gaan moeten zij volgen — op eerbiedige distantie van twee duizend el. „Heiligt u", zoo luidt het bevel, want de Heere zal groote dingen doen. Hij zal laten zien dat Hij „de levende God is in het midden van u", en machtig is alle volken voor uw aangezicht te verdrijven. Ook zullen de wateren van den Jordaan afgesneden worden en op een hoop blijven staan.
Welk een spannende tijd is dat wel geweest ! Die voorbereidingstijd met zijn veelvuldige bezigheden. En om het dan op God te laten aankomen ! Paraat te zijn om Gods daden af te wachten ! Acht te geven op den Heere !
Vóór veertig jaar had Israël een zelfde moment beleefd. Toen stond het volk voor de Roode Zee. Een enkele wist het zich nog te herinneren. De meesten hadden het maar van hooren zeggen.
Maar toen had God toch ook groote dingen gedaan en het volk had het lied der verlossing gezongen.
En nu nog eens ! Toen om uit Egypte te komen, nu om in Kanaan in te gaan. Was de Heere nog Dezelfde ? De Machtige ? Wacht maar, volk van Israël. In het geloof: Gods daden zullen groot zjljn !
Maar zij zijn er nog niet. Daarom treedt Josua nog eens naar voren om hun Gods woord te doen hooren en hen van alle bezwaren te doen afzien. God zal het Zelf doen op wondere wijze. Zoodra de priesters hun voet op de wateren zetten, zal het pad gebaand worden en gij zult doorgaan.
Denk u dat in. Wij zingen zoo gemakkelijk :
„God baande door de woeste baren „En breede stroomen ons een pad."
Maar dit is toch wat geweest! Een leger van twee millioen menschen gepakt en gezakt, met tenten en bagage, moet door een diepe rivier met hoogen waterstand in den oogsttijd.
Er niets van te zien en te gelooven dat het onmogelijke mogelijk zou zijn bij God I
Zou er geen geloofsgebed in het hart geweest zijn bij de vromen in Israël ? „Heere, maak hét waar, want het geldt de eere Uws Naams ? "
Na drie dagen heeft het feit plaats. Daar staan ze voor de rivier. Angst en beven vervult het hart. Zulke groote wateren en zoo breed van oever tot oever
„Vooruit", zegt Josua. „In het geloof de voeten er maar op, priesters ! Den twijfel overwonnen en de vrees uitgebannen ! God is in het midden, de levende God !"
Aller oogen zijn gericht op de voetzolen der priesters. Zal het gaan ? — Ja, het gaat!
Ziet, de scheur der wateren is er al. Tot een groote-watermassa worden ze opgestuwd aan de eene zijde en daar, aan de andere zijde snellen zij af naar beneden.
Nu verder ! De diepte in! Nog een paar stappen! Goed! Daar staan ze op het droge, steevast, in het midden van de bedding, de priesters met de ark.
En nu het leger er in, achter elkaar maar, een trein, van twaalf uren lang, en stapvoets gaat het vooruit. De heele karavaan, zwijgend en sidderend opziende naar rechts en omziende, dan weer biddend en geloovend, vooruitziende, ails een lange rij, voortgedreven door onzichtbare hand naar de kusten van behoud.
Dat is nog machtiger oogemblik geweest, dan die dag der voorbereiding. Dat uur van den gang door de diepte. Israël gaande door den afgrond als door een donkere vallei met ontzettende verschrikking gevoerd door een sterken arm.
Wie kan het niet verstaan, die zijn levensweg, door den Almachtige geleid, zag gaan door de diepte, en dan biddend zong en zingend bad :
„'k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, Daar 't gedruisch der waat'ren groeit, Daar Uw golven, daar Uw baren, Mijn benauwde ziel vervaren."
Maar die toch achter den Machtigen Leidsman aan, met het gezicht op de eens vervulde wet en een volkomen verzoening om „de betere Verbondsark" heen trok naar behouden kust, hopend op zaligen uitgang.
Het kan ons niet vreemd voorkomen, dat er verhoogde blijdschap was in het hart, toen het leger der Israëlieten stond aan den oever van den Jordaan. In zulke blijde uren van heerlijke verlossing is er enkel lof, louter aanbidding in de harten van Godlievende menschen.
„Waak op, mijn lied en mijn harp ! Ik zal zingen, ja, psalmzingen den Heere I"
En dan moet er ook een dankoffer zijn. Dan komen de handen uit de mouwen om het gedenkteeken op te richten. Het is een Eben-Haëzer-dag, en dus het gaat om de eere van den levenden God die in het midden is, opdat, wanneer de kinderen later vragen : „wat zijn dat voor steenen ? " ook het nageslacht zal zeggen : „op het droge heeft God Israël door den Jordaan doen gaan, toen de wateren zijn afgesneden vóór de arke des Verbonds."
Steenen dus uit den Jordaan om de overwinning op den Jordaan te vereeuwigen ! Een blijvend monument, opdat er blijvende dank zij voor Gods daden en opdat de volken de hand des Heeren zouden kennen.
Zulke gedenksteenen maken ons dan klein voeren ons terug in de leiding Gods met Zijn volk, en in stille overpeinzing wordt de lofzang gezongen, waarvan de grondtoon is „Wie is een God als Israels God, een levende God, in het midden van Zijn volk."
Twee doortochten heeft het volk van Israël doorgemaakt. Aan het begin en aan het einde, door de Schelfzee om in de woestijn te komen, door den Jordaan om Kanaans grond te betreden.
Hoeveel hebben wij er doorgemaakt, hoeveel rivieren doorwaad, hoeveel valleien doorwandeld, hoeveel diepten doorworsteld, hoeveel beddingen doorkropen ? om uit ons Egypte der slavernij te komen tot ons Kanaan der verlossing en der rust; vóór we de laatste moeten passeeren, den Jordaan van den dood?
Geloofsmenschen hebben geloofswegen met geloofservaringen en geloofsuitreddingen ; zij ontvangen geloofsverzekering en eindigen in geloofsroem, nadat de reeks det geloofsdaden is voleindigd.
Maar op dat geloof komt het dan ook weer aan. Want als de Hebreërbrief het eerste feit memoreert, dat van de Roode Zee, dan staat er zoo'n droevige bijvoeging achter, n.l. : „'t welk de Egyptenaren óók beproevende, zijn verdronken."
En ach, hoevele duizenden hebben een gelijk lot moeten ondergaan ! Zonder geloof zijn ze jammerlijk omgekomen in de geopende kolken van den doods-Jordaan, nadat ze schier al verdronken waren in diepe afgronden van 's levens ellende en rampspoeden.
Dat aardsche leven is een schouwtooneel van rampen en ongelukken, van mislukking en vergaan. En och, óf zij, die ons voorgingen in hun jammerlijk verdrinken, ons nog waren als zoovele sprekende bakens op de holle levenszee, waar het zonder God wordt beproefd en zonder geloof wordt geprobeerd, en waar het zonder God en geloof uitloopt op mislukking.
Maar-het geloof stelt ons dan ook voor vraagstukken en waagstukken ! Zóódat bij elken voetstap verder de diepte in, ons alle hoop op behoudenis wordt ontnomen, en alle moed om verder te igaan ons ontzinkt totdat we komen op den eenigen geloofsgrond, „de betere Verbondsark", Christus, in de diepte op de steenen, die steevast staat, en die ons zegt : „voortgegaan, nog een enkele stap en gij zijt behouden."
Hij is de Rotsgrond der behoudenis voor het trekkende volk door de diepte. De lichtende Star aan den donkeren trans, de veilige Gids langs de bruisende kolken.
En zelfs als de laatste doortocht moet plaats vinden, die van den Jordaan des doods, „den weg, dien ze nooit betreden hadden", dan nog geen nood en geen vreeze ! Met dat geloof kan het ook door den dood heen. Zelfs lichten dan uit de verte de eeuwigheidstoortsen op de kusten van het hemelsche Kanaan, en in het blij vooruitzicht stappen we moedig voort, wetende dat het doel van de pelgrimage dra is bereikt
Zoo ligt er voor dat volk, dat voorttrekt „van Sittim af tot Gilgal toe" in het geloof rijke zegen in elke geloofsdaad door Gods kracht volbracht. En blijvend troost de Heere Zijn kinderen met de profetische belofte : „als gij door het water zult gaan, Ik zal bij u zijn en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen." Want Hij is de Uithelper uit allen nood, de Redder uit alle gevaar.
Op dezelfde plaats waar Josua met zijn leger door den Jordaan ging is vijftien honderd jaren daarna „de betere Josua", onze Leidsman en Voleinder des geloofs, gedoopt door Zijn wegbereider Johannes, en toen heeft des Vaders woord geklonken : „Deze is Mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik Mijn welbehagen heb", terwijl de Heilige Geest, nederdalend als een duive, Hem toerustte tot Zijn arbeid op aarde.
Onthoud dit wel, tot een blijvende vertroosting uwer ziel. Die aan den Jordaan Zijn werk begon voor u, - Die is het, die aan uw Jordaan Zijn werk zal voleindigen in u, opdat 'gij levende door het geloof in Hem, nu niet en nooit zult verdrinken, maar eeuwig behouden worden, en aan de kusten van het land aan de Overzijde het lied der verlossing zult zingen ter eere van den levenden God, die daar eeuwig in het midden is.
L.
O. H. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's