De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

4 minuten leestijd

Van 's levenspad

Van strijd en overwinning.I.

De zoo gevreesde, en toch zooveel voorkomende ziekte, de tering, had een man, in de kracht zijns levens aangetast. Langzaam, heel langzaam kwijnde hij weg, meer en meer werd zijn lichaam gesloopt, namen zijn krachten af en wees alles op het naderend einde, op het uur van sterven. Toch hoopte hij echter nog altijd, zag hij steeds uit of nog een middel te vinden was, dat hem kon genezen, zijn kwaal wegnemen, want hij had vrouw en kinderen, en wat, zoo vroeg hij zichzelven gedurig af, moet daarvan worden?

Doch dit was het grootste niet waar hij tegen op zag, neen er was nog iets veel grooters wat hem deed vreezen door die ziekte ten grave te moeten dalen. Hij gevoelde niet te kunnen sterven zonder in Christus' bloed van zonden en schuld gewasschen te zijn, zonder den Christus voor zijn eigen ziel te kennen als Borg en Middelaar. Hij miste dien Borg en dat was hem een oorzaak van gedurige droefheid en smart, dat deed hem zoo bevreesd zïjn voor den dood, zoo uitzien of nog een middel ter genezing gevonden kon worden. Niets van al wat hij beproefde mocht baten, steeds ging hij achteruit, gevoelde hij zijn krachten afnemen Te moeten en niet te kunnen sterven, o, dat vervulde hem steeds met diepe smart, dat deed hem meestal zoo stil en in zichzelf gekeerd zijn, dat deed hem de nachten vaak bitter schreiend doorbrengen. Nog niet bereid om te sterven, die gedachte hield hem schier dag en nacht bezig, die deed hem schier altijd sprakeloos neerzitten, omdat hij niet durfde openbaren welk een zwaren strijd hij voerde, vreezende, dat alles eenmaal zou blijken slechts ijdel zelfbedrog te zijn geweest. Hij zweeg nog liever, om als heteinde kwam, dien bangen zielestrijd als een geheim mede te nemen in het graf, dan dat anderen zouden gaan denken, dat de Heere aan zijn ziel werkzaam was om dan in het stervensuur uit zijn mond te hooren, dat hem niets wachtte dan het eeuwig verderf, de plaats van eindeloos Godsgemis.

Vandaar ook zijn gedurig uitzien naar herstel, zijn hoop op beterschap, zijn vragenden blik als de dokter hem bezocht als wilde hij in diens oogen lezen wat deze van hem dacht. Den dokter, daar was zijn hoop steeds op gevestigd en deze deed zijn uiterste best dat wegterende lichaam nog wal op peil te houden, dat wegvlietende leven nog wat tegen te houden. Ofschoon dit, volgens menschelijke berekening, nog eenigs-zins gelukte, kwam toch de dag, waarin ook de dokter niets meer kon doen ; machteloos stond tegenover de kwaal. Zonder eenige terughouding kwam deze daarvoor uit, want na hem op zekeren keer bezocht te hebben, zeide hij tot hem : „Alles wat in mijn vermogen was, heb ik geprobeerd om u in het leven te behouden, alles aangewend om de kwaal te bestrijden, maar thans kan ik niets meer doen ; moet ik je opgeven."'

Die woorden namen zijn laatste hoop, zijn eenigst overgebleven verwachting weg, die deden hem ineenkrimpen van smart, want wat moest hij beginnen, nu hij zelfs door den dokter werd opgegeven ? Zwaarder, banger dan ooit was de 'daarop volgende nacht, alles waar hij zich nog aan had kunnen vastklemmen, was hem ontvallen. Niet de minste hoop op beterschap kon hij meer voeden. Doch in die bange nachtelijke uren, waarin alle verwachting was verdwenen, wilde de Heere hem doen zien, dat op Golgotha's kruisheuvel eenmaal de schuld voor een zondig volk was betaald, dat daar de weg was ontsloten weer met God verzoend te worden. Aan Hem, Die dien weg opende, aan Christus Jezus, den Borg en Middelaar, gaf hij zich toen geheel en al over ; Hem vertelde hij al zijn bangen strijd en vrees, Hem smeekte hij ook zijn Borg te willen zijn, ook zijn zware schuld uit te delgen in dat vergoten bloed. En Hij, Die nooit tevergeefs laat roepen, nooit vruchteloos laat smeeken, hoorde ook dat zuchten, luisterde ook naar dat klagen van die ziel, welke zich aan Hem overgaf. In de stilte van den nacht daalde Hij af in zijn ziel en sprak van Zijn eeuwige liefde, zóó wonderlijk, zóó groot, dat daardoor zelfs den diepstgezonken zondaar nog genade wordt geschonken.

Welk een verandering, toen hij na zulk een langen, zwaren strijd mocht ervaren dat ook zijn ziel rust en vrede vond in Christus Jezus.

Doch daarover, zoo de Heere wil, een volgende maal wat.

Indien gij dit echter niet meer zult kunnen lézen, wanneer gij dan reeds uit het leven zijt weggenomen, heeft uwe ziel dan die rust en vrede reeds gevonden in Christus Jezus, den Borg en Middelaar voor een zondig schepsel ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's