De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

De modernen nu gesanctioneerd?

Het Mormonisme.

Young besloot uit te zien naar een ander Sion. Hij richtte zijn blikken naar Utah, bij het groote Zoutmeer.

Dit nieuwe vaderland der Mormonen was echter geen land van beloften. Want de nieuwe kolonie lag geheel eenzaam en afgezonderd tusschen de prairies.

Toch werden bekeerlingen uit Europa naar Salt-Lake-City in Utah gelokt. De woestijn werd geschilderd als een paradijs en de tocht over het groote Amerikaansche vasteland werd voorgesteld als een soort pleizierreis. Vanaf 1848 — in 1847 was de kolonie te Utah gesticht — begon de emigratie, vooral uit Engeland, met kracht. Een zendeling werd er heen gezonden om de zaak der Kerk te behartigen en hij drong bij de geloovigen aan om, waar de oordeelen Gods over de natiën te wachten waren, zich terug te trekken in de stille valleien te Utah, aan het Zoutmeer, om daar te wonen een iegelijk onder zijn wijnstok en vijgeboom. En terwijl de broeders in Utah zuchtten vanwege de ellende en de armoede in een dor, verlaten oord, vertelde men in Engeland dat „alles daar bloeide en de zegen zoo groot was, dat de gezinnen in menigte uitbraken en werden als kudden". Men vertelde er bij, dat schepen waarop Mormonen waren, nooit omkwamen, vooral om vrouwen gerust te stellen voor de te maken zeereis.

De oogst was in de nieuwe, geheel geïsoleerde, kolonie de eerste jaren vaak schraal, mislukte soms geheel. En zóó hoog steeg zelfs de nood, dat men zich moest voeden met krekels en de wortels van wilde planten, en er waren er, die de huiden gingen koken, waarmede ze ihunne hutten hadden bedekt.

Gelukkig werd de nieuwe kolonie uit haar isolement verlost. In Californië was goud ontdekt en duizenden trokken via Utah naar de Westkust.De Mormoonsche kolonie werd een soort pleisterplaats voor de goudzoekers, met wie de „Heiligen" een zeer voordeeligen handel dreven. Zoo werd Utah een oase in de woestijn. Langzamerhand verrees er een nieuw aangelegde stad, terwijl een groote tabernakel (met 2500 zitplaatsen), en andere monumentale gebouweh werden gesticht.

Toen de Mormonen zich in Utah vestigden, behoorde dit land aan Mexico, dat in oorlog was met de Vereenigde Staten. Door dat het een totaal geïsoleerde landstreek was, genoot men de grootste vrijheid. Maar toen het door de nederlaag van Mexico in 1849 aan de Vereenigde Staten kwam, kreeg men te doen met Uncle Sam („oom Sam", de bijnaam voor de Vereenigde Staten). Vanuit Washington wilde men echter niet gaarne bestuurd worden en daarom poogden zij te komen tot een eigen Staat en als zoodanig in den Statenbond der Vereenigde Staten te worden opgenomen. Met kracht bevorderden zij daartoe de landverhuizing, opdat zij 't getal inwoners zouden krijgen, dat vereischt werd om als Staat te worden erkend, 't Mocht evenwel niet lukken en eerst na 50 jaar werd het „bondsgebied" Utah tot Staat verheven.

Toch was Amerika den Mormonen nogal gunstig gezind. Brigham Young werd tot Gouverneur benoemd, (1851), zoodat het hoofd van de Kerk tevens hoofd werd van den Staat, terwijl ook voor andere ambten vele Mormonen in aanmerking kwamen.

Velerlei schandelijke praktijken zijn toen uitgehaald. Young noemde zich gaarne „de leeuw des Heeren", die telkens „brullen" moest tegen z.g.n. overheersching van anderen ; maar die intusschen alles alleen wilde te zeggen hebben. In 1856 was geen enkel ambtenaar meer overgebleven en toen moest er met geweld tegen Young worden opgetreden, waarvan het einde was de z.g.n.Mormoonsche oorlog.

Ook in eigen kring heerschte Young als een despoot. Zijn woord was het woord Gods en wee dengene, die een vinger tegen hem durfde opheffen.

In 1852 werd het leerstuk der polygamie (veelwijverij) afgekondigd, en wel gingen er protesten op en werden er protest-vergaderingen gehouden, maar Young liet ze eenvoudig door de politie uit elkaar jagen.(Maart 1853), terwijl hij in den tabernakel met den dood bedreigde, wie zich niet onderwierp.

Een waar schrikbewind werd ingeluid en 't was of al de duivelen uit de hel waren losgelaten. Kerkelijke spionnen drongen overal de woningen binnen. En een wellustige pries terschap verviel iot veel wat schandelijk is.Vele mannen werden gedood, omdat men de vrouwen of meisjes begeerde zioh toe te eigenen.

In die dagen kwam het ook voor, dat men zich veel malen liet doopen tot reiniging der zonden. Ja, sommige overtredingen konden slechts verzoend door het storten van bloed; en om in den kring van goden en godinnen te worden opgenomen, moest men soms den dood sterven, als boete voor ongerechtige dingen.

't Sprak vanzelf, dat Amerika, het oude land der Puriteinen, zulk 'n schrikkelijk euvel op den duur niet kon dulden en herhaalde malen trad de Unie van Vereenigde Staten handelend op. Maar de Mormonen waren sluw en jarenlang wisten zij de rechters met machteloosheid te slaan en de wet te ontduiken, vooral watae veeiwijvcUj betreft.

29 Aug. 1877 stierf President Young, oud 76 jaar. Hij werd begraven in de hoofdstad van Salt-Lake City (de stad aan het Zoutmeer) en er werd later voor hem in deze stad een fraai standbeeld opgericht.

Het is niet met zekerheid te bepalen hoevele vrouwen Young heeft gehad, maar een lijst, die volgens Young's oudsten zoon, correct is, is gepubliceerd, bevattende de namen van 25 vrouwen en 44 kinderen.

De huwelijksdatums zijn : Febr. 1834 te Ohio ; April 1841 te Nauvoo ; Juni 1842 te N. ; Nov; '43 te N. ; Nov. '43 te N. ; Mei '44 te N. ; Sept. '44 te N. ; Sept. '44 te N. ; Nov.'44 te N. ; Febr. '45 te N. ; April '45 te N. ; April '45 te N. ; Jan. '46 te N. ; Jan. '46 ; Jan. '46 ; Jan. 46; Jan. '46; Maart '47 te N. ; Maart '47 te N. ; Juni '49 te Salt-Lake City ; Juni '50 te S.L.C. ; Oct. '50 te S.L.C. ; Jan. '63 te S.L.C. ; Jan. '65 te S.L.C. ; en April 1868 te S.L.C. Zijn eerste vrouw stierf reeds jong ; en onder de vrouwen die hij later trouwde, waren ook de weduwen van Jozef Smith. (6 in getal).

Young liet 2 tot 3 millioen dollars na, wat niet zoo verwonderlijk is als men bedenkt, dat hij de fondsen der Kerk beheerde en hiervan geen rekenschap gaf, terwijl hij als gouverneur der stad allerlei rijkbetalende privilegiën ontving.

Hij was een echte tyran, die van de dweepzucht zijner volgelingen gebruik wist te maken, om eigen zak te spekken en zijn harem te vergrooten. Duizenden heeft hij geleid op het pad des verderfs !

(Wordt vervolgd).

De inspiratie of Goddelijke ingeving van de Heilige Schrift.

Nu is natuurlijk met het voorafgaande nog niet bewezen, dat we hebben aan te nemen, de inspiratie der Heilige Schrift. We hebben wel gezien, op Schriftuurlijke gronden en met Schriftuurlijke bewijzen gestaafd, dat de apostelen en profeten, waar zij openbaringen ontvingen en daarmede optraden onder het volk, ibezield waren door den Heiligen Geest; zijnde de mond, waardoor de Heere Zelf sprak.

Maar hierin is nog niet bewezen, dat de Heilige Geest hen ook in het schrijven van de boeken der Heilige Schrift alzoo heeft geleid.

Dat is weer iets, dat afzonderlijk moet worden besproken.

En er zijn er wel, die het eerste — althans tot op zékere hoogte ! — aannemen en belijden, doch van het tweede niets willen weten. Men erkent dan wel de inspiratie bij de profeten, maar aan de inspiratie der Heilige Schrift gelooft men niet.

Wij gelooven in de eerste plaats, dat de schrijvers der Heilige Schrift, als heilige mannen Gods, geïnspireerd waren door den Heiligen Geest; maar we gelooven tevens, dat zij ook in hun schrijven zóó geleid zijn, dat wij in den Bijbel het product hebben van het werk des Heiligen Geestes.

De tegenstelling : de schrijvers waren wel geïnspireerd, doch hunne geschriften zijn dit niet, moet dus wèg, We ontkennen zelfs, dat de inspiratie haar doel had in de schrijvers. Heel de inspiratie der schrijvers stond juist in dienst van hun onderwijs. God bezielde hen en leidde hen door Zijnen Geest vooral, om aan de Kerk aller eeuwen te geven een van den Heiligen Geest ingegeven Schrift.

Of er Schriftuurlijke bewijzen zijn voor de inspiratie van het geschrevene Woord ! Zeer zeker ! Wel is waar kan er geen enkele plaats worden aangewezen, die de inspiratie van heel de Schrift uitdrukkelijk leert, maar als wij alle bewijzen, die er gevonden worden, samen nemen, blijft er geen twijfel meer over aangaande de doorloopende leer der Heilige Schrift in dezen.

Wij wijzen in de eerste plaats op het feit, dat er in de dagen van het Nieuwe Testament blijkbaar een verzameling van geschriften was, waarop men zich beriep, dewijl zij algemeen erkende autoriteit hadden als de woorden Gods. Deze verzameling wordt in de Heilige Schrift zeer onderscheiden genoemd ; b.v. Rom. 9 vers 17 „de Schrift" ; Luc. 24 vers 27 „in alle de Schriften" ; Rom. 1 vers 2 „de Heilige Schriften" ; 2 Tim, 3 vers 15 „de Heilige Schriften."

Uit de wijze, waarop men in de dagen van den Heiland uit deze geschriften aanhaalde, blijkt duidelijk, dat het voor de Joden in het algemeen geen betoog behoefde, dat zij het Woord van God waren ; en van kind-af in die Schriften te zijn onderwezen was een oorzaak van groote blijdschap voor Paulus ten opzichte van Timotheus (2 Tim. 3 vers 15). Voor Christus en de apostelen was een beroep op „de Schrift" het einde van alle samenspreking. Het „daar staat geschreven" stond voor het bewustzijn van de N.-Testament stond voor het bewustzijn van de N.-Testamenitische schrijvers gelijk met: God zegt.

In de tweede plaats vinden we onderscheiden plaatsen in het Nieuwe Testament, waar de Schrift of de schrijvers des Ouden Testaments en God als het ware vereenzelvigd worden. Dat de Schrift op genoemde wijze soms verpersoonlijkt wordt, blijkt ons duidelijk uit Rom. 9 : 17 „Want de Schrift zegt tot Farao : Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u mijn kracht bewijzen zou, enz." Dit woord is een aanhaling uit Ex. 9 vers 16, waaraan de Heilige Geest den schrijver indachtig maakt, en waar het God is, die door Mozes dit woord tot Farao spreekt.

Hetzelfde verschijnsel vinden we ook in Gal 3 vers 8, waar het heet: „En de Schrift, tevoren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het evangelie verkondigd, zeggende ; in u zullen alle volken gezegend worden." In Gen. 18 vers 22 zien we, dat het God is, die dit woord spreekt tot den vader der geloovigen.

Om te zien, hoe de schrijvers van het Oude Testament menigmaal als het ware met God vereenzelvigd worden, hebben we slechts de aanhalingen in den brief aan de Hebreen te bestudeeren. Het gebruik, dat de schrijver in dezen brief maakt van het Oude Testament berust, naar het woord van Tholuck, op de strikste beschouwing der inspiratie, dewiji plaatsen, waar God de spreker niet is, worden aangehaald als woorden van God of van den Heiligen Geest De Schrift zegt = God spreekt. Zie 1 vers 6, 7, 8 ; 3 vers 7, 8 ; 4 vers 4, 7 ; 7 vers 21 ; 10 vers 15—18,

In de derde plaats mag en moet hier gewezen worden op de klassieke plaats, te vinden 2 Tim. 3 vers 16 „Al de Schrift is van God ingegeven, enz." Hier beteekent het woord „van God ingegeven" (in het Grieksoh theopneustos) niet: „God-ademend", zooals prof. Daubanton e.a. zeggen, maar „door God geademd." En het woord Schrift heeft, we zagen het reeds, een bepaalde beteekenis, n.l. de Schrift. Dat het ook hier niet anders mag worden opgevat, volgt uit het verband, waarin dit woord staat tot vers 15 „de heilige Schriften enz."Of wij nu in het 16e vers lezen „al de Schrift" of „iedere Schrift" brengt in het wezen der zaak geen verschil.

Wat krijgen we dus in dezen veelszins bestreden tekst? Dat Paulus Timotheus wil doen verstaan, waarom de Heilige Schriften hem wijs konden maken tot zaligheid, en waarom het zoo'n voorrecht is in die Schriften van kind af te zijn onderwezen. Het zijn n.l. de Schriften Gods, de Schriften van God gegeven, het Woord Gods, het Woord der zaligheid.

Hoe men dezen tekst ook tracht uit te leggen - en de pogingen zijn vele geweest! - men ontkomt niet aan de klem van dit woord. De Schrift en de Schriften ziet hier op geheel het Oude Testament en hier wordt geleerd en verondersteld, dat al de geschriften des Ouden Testaments door God geïnspireerd, door God geademd, door God zijn voortgebracht.

In de vierde plaats mogen we hier ook wel wijzen op de redeneering van Paulus in 1 Cor. 2 vers 7—13. Daar wijst hij er op, dat de wijsheid Gods, die van eeuwigheid verborgen was, en die alleen de Geest van God kon weten, aan hem was geopenbaard.En dan zegt hij : „Welke dingen wij spreken, niet in woorden, die de menschelijke wijsheid leert, maar in woorden, die de Heilige Geest leert geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende" (vers 13).

Deze woorden van Paulus „geestelijke dingen voor geestelijke menschen uitleggende" maakt de Leidschevertaling er van • de kantteekening zegt „de geestelijke dingen met geestelijke woorden duidelijk makende" zien blijkbaar op zijn schrijven als heiden-apostel. Ook dat schrijven — en niet alleen zijn spreken — wordt door Paulus zelf gekarakteriseerd als van den Geest ingegeven, van Boven geopenbaard en geïnspireerd.

In de vijfde plaats kunnen we hier wijzen op 't geen de eene schrijver van het Nieuwe Testament, n.l. Petrus getuigt omtrent de ge schriften van den anderen schrijver van het Nieuwe Testament, n.l. Paulus. We bedoelen hier wat we vinden in 2 Petrus 3 vers 15b, 16 : „Gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft, gelijk ook in alle Zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende die de ongeleerde en onvaste (menschen) verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf." 

Hier worden dus de zendbrieven van Paulus — toen reeds geschreven en bekend met „de andere Schriften" gelijkgesteld.  Paulus' brieven dus gelijkgesteld met de geinspireerde, met gezag bekleede Schriften des Ouden Testaments en voor zoover ze er reeds waren de Schriften des Nieuwen Testaments.

Uit alles blijkt dus wel duidelijk, dat het geen vooropgezette meening is om te gelooven aan de inspiratie, aan de Goddelijke ingeving der Heilige Schrift.

Neen ! het is de doorloopende leer der Heilige Schrift, '

De Heilige Schrift zelve leert niet anders,  dan dat „de Schrift", „de Schriften" ; „de * heilige Schriften" ; „alle de Schriften" van God den Heiligen Geest ingegeven zijn. i

En die de Heilige Schriften, zijnde de openbaring Gods, tot eere Zijns Naams en tot zaligheid der mensohenkinderen dienende, verwerpt, die verwerpt God. En die ze verdraaien, die verdraaien ze tot hun eigen verderf. (2 Petrus 3 vers 16),

Zoo blijven we dus bij de aloude belijdenis onzer Geref. Kerk, vertolkt in art 3 van de Nederlandsche Confessie : „Wij belijden, dat dit Woord Gods niet is gezonden noch voortgebracht door den wil eens menschen ; maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven zijnde door den Heiligen Geest."

Hierom noemen we zulke Schriften Heilige en Goddelijke Schrifturen!

De modernen nu gesanctioneerd?

Een van onze bezwaren indertijd tegen „de Modus Vivendi" door de Utrechtsche hoogleeraren in het midden gebracht, was, dat alsdan de vrijzinnigen als vrijzinnigen i zouden worden erkend en hun rechten zouden worden gesanctioneerd.

De Herv. Kerk zou worden opgelost in een vrijzinnig deel en een rechtzinnig deel, ieder deel met een eigen kerkelijk leven in administratief verband. Bij de kwestie van het nieuwe Reglement op de Predikantstractementen staat hetanders.

De vrijzinnigen hebben op allerlei wijze geprobeerd, om de riohtingskwestie er in te brengen. Men eisohte, dat met de modernen als zoodanig zou worden gerekend ! Dat hun rechten zouden worden erkend. Dr Niemeyer heeft zich uitgesloofd, In Friesland heeft men moties aangenomen en de Deventer-motie is bekend.

Men wilde de invoering vm het Reglement niet, tenzij de rechten van de modernen waren erkend.

Ook het Reglement op de filiaal-gemeenten is gelijktijdig met hetzelfde doel weer op de Synodale tafel gelegd. ­

En waar is 't alles op uitgeloopen ?

Dat men in de Kerk en in de Synode geweigerd heeft om de rechten van de modernen te erkennen.

Men kan zeggen wat men wil, maar dit feit kan men niet loochenen!

Laat men daarom ook ophouden met te zeggen, dat door het Reglement op de Predikantstractementen de modernen zijn gesanctioneerd, sanctioneerd,

Wij hebben toch al verwarring genoeg, men behoeft 't wezenlijk, door voorstelling der zaken in strijd met de feiten, nog niet grooter te maken.

Is er nog een kerkelijk vraagstuk?

Voelen we nog wel, dat het met onze Hervormde, Gereformeerde Kerk zoo treurig staat, dewijl zij, als belijdende Kerk zich huisvest alleriei richting, alleriei wind van leer, alleriei afwijking van de waarheid die naar Gods Woord is, alleriei leugen ?

Daar ligt haar zonde voor God en voor de menschen. En daarom is en blijft het kerkelijk vraagstuk onze volle aandacht vragen en 't zegt ons met den dag ernstiger, dat er hier een oplossing moet komen zal de Kerk niet totaal ten gronde gaan.

Deze geestelijke kwestie - want dat is nu reeds zoo dikwijls in de doofpot gestopt in Den Haag. Wat een onvergefelijke fout is van de Synode, Daardoor is dé kerkelijke misère schrikbarend toegenomen.

Maar dat bepaalt ons bij onze roeping, om, in samenwerking met anderen, die deze dingen óok voelen, de geestelijke kwestie van het kerkelijk probleem met des temeer kracht aan de .orde te stellen.

We moeten komen tot een ander kerkelijk leven. Waar Gods Woord het hoogste gezag heeft. Waar onze belijdenis tot haar recht kan komen.

En natuurlijk kunnen we niet met ons hoofd tegen den muur loopen. Dat loopt voor dat hoofd dan doorgaans maar slecht af! Maar we tobben te doen wat onze hand vindt om te doen, temeer waar het kerkelijk vraagstuk weer op een crisispunt genaderd is.

Nu is er ongetwijfeld een groeien van de orthodoxie,

We zeggen niet, dat het alles goud is wat er blinkt. Maar ongetwijfeld groeit de ortho doxie ; onze actie wordt steeds sterker ; de zegeningen in stad en dorp blijven niet uit.

Waartegenover staat, dat de moderne actie zienderoogen afneemt. De evenredigevertegenwoordigingsvlieger gaat niet op.

't Ding is over z'n kop geduikeld en met een smak in de modder terecht gekomen.

De echte moderne actie beteekent niet veel, hier en daar, waar bizondere oorzaken zijn, uitgezonderd.

En nu moet ons dat niet tot een zoet slaapje voeren. Neen ! dat mpet ons tot dubbele activiteit drijven.

Onderling krakeel moet ophouden of tot een minimum worden terug gebracht.

We moeten in ons polderland, waar ieder «lootjes graaften dijkjes opwerpt, leeren dat „eendracht maakt macht". Met eendracht kunnen kleine dingen tot groei en bloei wor den gebracht.

En dan naar de lijnen van Gods Woord en onze belijdenis de geestelijke zijde van het kerkelijk probleem naar voren gebracht! Materiaal ligt er.

En er moet verder gewerkt worden, met 't geen er ligt.

Om liefst dit jaar nog bij de Synode te komen met wèl omschreven voorstellen.

„Aanpakken" is nu de boodschap.

Én nu niet om een centen-kwestie op te lossen ; maar om de geestelijke zijde van het kerkelijk vraagstuk goed en ernstig naar voren te brengen.

Wie helpt mee, om in Gods kracht te doen wat er gedaan kan en moet worden ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's