De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

4 minuten leestijd

Van 's levenspad

door COR.

Van strijd en overwinning. II.

'k Zal dan gedurig bij U zijn, In al mijn nooden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten. Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat, En mij, hiertoe door U bereid, Opnemen in Uw heerlijkheid.

Dat waren de woorden, welke uit zijn mond werden gehoord, nadat hij had mogen ervaren, dat die dierbare Christus ook zijn Borg, zijn Middelaar was. Alle vrees was geweken, alle droefheid en smart voorbij, want nu was zijn ziel vervuld met de liefde van Hem, Die reeds van eeuwigheid af een weg der verlossing had uitgedacht voor het in zonden gevallen schepsel.

Neen, geen angst voor den dood kende hij meer ; die zou voor hem slechts een overgang zijn tot het eeuwige Ieven ; verenigd met Hem, Die tot zijne ziel kwam spreken van wat Hij haar bereid had. Met rassche schreden naderde het einde, doch dat kon hem niet meer verschrikken ; met vreugde en blijdschap zag hij nu die ure komen, want de prikkel des doods was voor hem weggenomen.

Welk een genot was het in die dagen aan zijn bed te vertoeven, hem te hooren spreken van dat onbegrijpelijke wonder, dat de Heere naar hem had willen omzien, dat Hij zulk een onwaardig schepsel Zijne genade betoonde. Zijn zwak, uitgeteerd lichaam liet hem niet toe veel en lang te spreken, doch zooveel de nog overgebleven kracht hem veroorloofde, roemde hij steeds in wat de Heere hem gedaan had.

Steeds had hij verborgen welk een zware strijd in zijn binnenste gevoerd werd, maar toen die was gestreden, kon hij dien niet meer verzwijgen ; vertelde hij hoe zwaar, hoe bang die was geweest, om dan telkens weer dien blijden jubelklank te doen hooren, dat zijne ziel vrede gevonden had in Christus Jezus. Dan vergat hij voor een oogenblik zijn zwakke lichaam en sprak van de genade hem bewezen, dan vertelde hij van zijn diepe onwaardigheid, wat voor den Heere geen beletsel was om in zijn ziel te komen wonen, dan aanschouwde hij reeds wat hem na den dood wachtte en riep hij in verwondering uit : „Niets meer verdiend, dan reeds lang te zijn daar, waar ik eeuwig zou moeten dorsten, en zie, nu wordt mij nog vergund mijn dorst te lesschen, niet eens met water, doch met wijn, en straks dan zal ik nimmermeer dorsten, dan zal ik daar zijn, waar ik mijn Koning mag aanschouwen in eeuwige heerlijkheid."

Veel en zwaar moest hij naar het lichaam nog lijden, wat echter zoo gemakkelijk te dragen was voor hem, want de blijdschap, vreugde en vrede, welke zijn ziel vervulden, deden hem de lichamelijke pijn en smart bijna niet gevoelen, die deden zijn oogen schitteren van blijde verwachting.

Zoo langen tijd had hij tegen den dood opgezien, met bange vrees vervuld meer en meer het einde zien naderen en nu, nu het eindelijk gekomen was, was alle vrees verdwenen ; lag hij met blijdschap vervuld neer wachtende op den stond waarin zijn ziel het lichaam zou verlaten, want dan zou hij zijn Koning aanschouwen. Die hem, als alle hoop vervlogen was, kwam spreken van Zijne wondere liefde en genade voor een zondig schepsel.

't Spreken was hem op 't laatst reeds niet meer mogelijk, maar zijn oog blikte toch nog vol blijde vreugd opwaarts en op de vraag, of hij naar het oogenblik verlangde, waarin hij daarheen zou gaan, was een blijde glimlach het bevestigend antwoord.

Dan verdween ook de schittering in zijn oogen, zij werden dof, nog enkele trekken van het lichaam, en hij was niet meer De ziel was het lichaam ontvloden om op engelenvleugelen gevoerd te worden naar de plaats der eeuwige welgelukzaligheid. daar, waar zij eenmaal weer met het lichaam vereenigd, eindeloos het loflied mag aanheffen : „Heilig, heilig, heilig is de Heere der Heirscharen."

Hij, die zoolang bevreesd was voor eeuwig den Heere te moeten missen, mocht ervaren dat de Heere de Onveranderlijke, de Getrouwe is en blijft ; dat Hij nooit het Woord zal verbreken dat Hij onwaardlgen toeroept : „Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie, ik zal uwe steenen gansch sieriijk leggen en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uwe glasvensters zal Ik kristallijnen maken en uw poorten van robijnsteenen en uwe gansche landpale van aangename steenen. Zöudt gij, die zoo vaak vreest dat Hij uw roepen niet zal hooren, dan ook niet op Hem wachten, hopen en vertrouwen ?

Maar ook, zoudt gij, die nog niet gevoelt dat uwe ziel den Heere mist, dan ook niet zoo willen sterven ? Ach, vriend wend u dan nu nu het nog 't heden der genade is, tot Hem eer dat het te laat is, voor eeuwig te laat is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's