Stichtelijke overdenking.
„Die Mij verraadt."Matth. 26 vers 46b.
JUDAS.
Wij volgen thans weder den lijdenden Heiland in Zijn smartenweg. In de prediking, die wij in deze ernstige weken hooren en in de Schriftgedeelten die wij lezen, worden we geroepen, als in den geest, met Jezus de via dolorosa af te loopen, om straks te staan bij Golgotha's kruis.
Verstaan wij er iets van, dat Hij is het Lam Gods, dat zich gereed maakt om voor arme zondaren verzoening te doen bij den Vader, opdat armen en ellendigen verzadigd zullen worden met het heil des Heeren ? O ! die niet vreemd zijn aan zich zelf en zich zondaar mogen kennen voor Gods heilig aangezicht, die mogen nu hooren, dat het alles is „opdat zij verzadigd zullen worden met het goed van Zijn huis, met heilige van Zijn paleis ; en opdat zij gedrenkt worden uit de beken Zijner wellusten."
Het Paaschlam wordt nu geslacht. Maar nu het Paaschlam Christus, dat geslacht is van de grondlegging der wereld ; dat geslacht is onder den dienst der schaduwen, dat nu geslacht wordt in de volheid des tijds. En uit dezen steenrots zullen we moeten leeren drinken, gelijk alle Gods kinderen den zelfden geestelijken drank. voortvloeiend uit Hem, gedronken hebben en nog zullen drinken.
De discipelen verstonden nog zoo weinig van deze dingen. Als ze 't hadden kunnen doen zouden ze Hem verhinderd hebben op te gaan naar Jeruzalem. Maar Hij begeert het Pascha te vieren om zich daarin te geven tot en te sterken voor het lijden dat Hem wacht, wetende dat Sion alleen door recht kan worden verlost. En Sion stond Hem voor den geest. Sion was de vreugd die Hem voorgesteld werd in deze. En daar voor heeft Hij het lijden aanvaard, de schande veracht, en het kruis gedragen.
Jammer dat zoovelen Hem dn Zijn lijden en sterven hebben veracht. Zie op den Joodschen Raad. Geef acht op de schare die daar roept : Kruis Hem. Neen, ze verstonden het niet waartoe Hij in de wereld gekomen was.
Ze leefden in hun eigen wereld, vol eigen gerechtigheid ; in hun wereld van zonde, vol gruwel bedrijf. En ze lieten Jezus voorbij gaan. Ze stieten Hem weg. Ze verwierpen Hem. Ook... Judas, een van de discipelen ; een uit den kleinen, intiemen vriendenkring ; een die met Hem had gewandeld, gegeten en gedronken ; een die Zijn Woord had gehoord en aangenomen, die Zijn Woord had verkondigd en in Zijnen naam wonderen had gedaan.
Dat is een zoo verschrikkelijk feit. Waar het aan ligt, dat Judas dat gedaanheeft ?
't Ligt niet aan zijn naam. Want zijn ouders, wonende in Judéa, in de stad Carioth — Judas was de eenige discipel die uit Judéa kwam, de anderen waren afkomstig uit Galiléa — hadden hem Judas, d.i. Godlover genoemd. Neen ! de Heere vergist zich niet, als Hij een naam geeft. Als Hij door den engel laat boodschappen, dat Maria haar eerstgeboren Zoon Jezus moet noemen d.i. Zaligmaker, dan is Hij ook de Zaligmaker. Maar menschen vergissen zioh wel eens. Davids zoon werd Absalom genoemd, d.i. zoon des vredes en ach, arme ! deze werd een zoon vol opstand tegen zijn vader. Zoo ook de ouders van Judas. Ze hebben hem God-lover genoemd, maar hij heeft de deugden Gods niet groot gemaakt en de genadegiften Gods in Christus niet aangenomen en verheerlijkt. Hij is wel in den kring van de discipelen, van de vrienden van Jezus, van Gods kinderen gekomen en heeft meegepraat, meegeleefd, meegetuigd en meegewerkt. Maar hij is aanzittende een bruiloftsgast zonder bruiloftskleed. Hij is medegetuigend een luidende schel gelijk, die niets van de dingen kent. Hij is iemand met een onbekeerlijk hart, dat vleeschelijke gedachten koestert en de ogen slaande op de wereld, verstaat hij niet waartoe Jezus uit de hemel is nedergedaald en straks naar den hemel zal wederkeeren. En zoo wordt hij straks de verrader.
— 't Is bij hem niet, dat hij 't nog maar ten d e e 1 e verstaat; dat hij 't nog niet goed en v ol d o e n d e doorziet wat hij noodig heeft tot zaligheid. Ware dat het geval geweest, dan had de Heere hem wel dóórgeholpen door de moeilijkheden van duisternis en twijfel ; want bij Hem is raad en redding voor een arm en zuchtend, voor een twijfelend en wankelmoedig volk. Maar 't is bij hem dat zijn harte er heelemaal niets van kent, wat een arm zondaar voor God kennen moet. Hij voegde zich wel naar allerlei vorm en voorschrift, maar bij de geestelijke dingen dagelijks verkeerend is hij van de aarde aardsch en bedenkt de dingen die beneden zijn, waarbij eer, aanzien, geld en goed z'n harte bekoorden en geheel beslag legden op zijn geest, ook al wandelt hij uitwendig met Jezus en de Zijnen. Er waren geen uitgangen der ziele tot Sions Goël en Zaligmaker. Hij was dood in zonden en misdaden, met vijandschap tegen God en Zijn Gezalfde, zonder wedergeboorte door water en Geest. Daarom kon hij tenslotte ook Jezus en den discipelkring wel loslaten toen de wereld met haar eer en haar geld wenkte. Hij, die de gierigheid vertroeteld had werd door den gelddorst ten slotte verteerd en wat hij in Christus verloor bedacht hij niet, omdat hij er ook geen kennis aan had, begeerig z'n oogen slaande op die ziiverlingen, die hem een aangename verrassing waren te midden van de teleurstellingen bij Jezus' optreden ondervonden.
Terwijl aan Jezus, als de vreugd Zijns harten, geduriglijk voor oogen stond Zijn zondig en schuldig volk te verlossen door de uitstorting van Zijn bloed, waardoor de Naam Zijns Vaders op 't hoogst verheerlijkt stond te worden, was Judas harte voortdurend bezig met die zilverlingen, waarmee de Satan ham lokte, om hem tegen Jezus op te zetten. En waar de zilverlingen ten slotte gekozen werden, werd het bloed van Christus hem tot een oordeel. Want zegt de Hebreënbrief niet : „Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan? " (Hebr. 10 vers 29),
Droeve persoonlijkheid, die Judas, geboortig uit Carioth in Judéa !
God-lover is zijn naam. In Jezus' discipelkring neemt hij plaats. Drie jaren duld Jezus hem naast Zich. Lankmoedig draagt de Heere hem. Zacht spreekt de Heiland hem tenslotte aan aan den Paaschmaaltijd ; om hem, in 't algemeen sprekend, de zonde als zonde voor te houden en hem tegelijk nog gelegenheid te geven van zijn booze wegen terug te keeren en bij Jezus hulp en verlossing te zoeken. Maar zijn geest is verhard ; zijn harte is gesloten ; zijn voorhoofd is als van diamant. Alles stuit af op dien hardnekkigen wil om de wereld aan te hangen en de zonde te dienen. En dan laat Jezus hem los. Dan wordt hij, na den tijd van genade, overgegeven aan den Satan. Dan is de tijd van sparende genade en waarschuwende liefde voorbij. Dan is het oordeel aanstaande — en 't einde zal vreeselijk zijn.
Door alle tijden heen zijn er mannen en vrouwen geweest, die den Naam des Heeren noemden, die onder 't volk zich schaarden en die niet van Christus waren ; die niet afstonden van ongerechtigheid en vroeg ofternis, als wolven in schaapskleeren, - als vreemdelingen en vijanden van de genade.
Daar kan de wereld dan over verbaasd staan, om dan spot en smaad en hoon uit te braken. En Gods ware volk kan er vóórgezet worden, zonder dat het weet wat het nu denken moet.
Vreeselijke dingen zijn dat ! De wereld roept dan schamper : dat zijn nu die menschen die altijd zoo vroom praten ; die zoo „fijn" zijn. Allemaal bedriegers ! Al die godsdienst is maar dwaasheid, 't Is dan maar beter om niet vroom en niet fijn te zijn !
De wereld denkt dan héél wijs te zijn en zéér verstandig te doen God en Zijn dienst links te laten liggen en de wereld te dienen.
Maar dwaze, zondige, halsstarrige, ongelukkige wereld, gij vergeet, dat niet menschen ons zeggen God te moeten dienen en liefhebben boven alles. Maar dat God zelf dat heeft gezegd en nóg zegt. En gij doet net alsof namaak en jammerlijk misbruik 't echte, 't ware, 't liefelijke en zalige wegneemt van de vreeze des Heeren, die rein is en die het beginsel is van alle wijsheid.
Maar zóó zal de mensch zich niet kunnen verontschuldigen !
En daarom doe niet, wat deze of gene misschien verkeerd doet, tot verzwaring van uw eigen oordeel dienen, door u lachend en spottend verder van God en Christus af te keeren. Maar val liever in het stof, klagend over eigen zonde en goddeloosheid, om biddend om een nieuw hart zelf in ie gaan en anderen nog te bewegen het Koninkrijk Gods te zoeken.
Die keus zal niemand berouwen, maar het pad der zonde wél !
En Gods volk - ja, dat kan óók gaan twijfelen. Maar niet, of 't wel goed is den Heere te dienen en zich in te laten met Zijn dienst. Doch wel kan de ziele aangevallen worden met de vraag : of er wel één oprechte ziel - op aarde gevonden wordt. En eigen hart kan onrustig worden bij de vraag : ben ik wel oprecht; ben ik wel een kind des Heeren ?
Ook dat wil de Heere nog gebruiken tot eere Zijns Naams en tot voordeel van Zijn volk.
Want hoemeer de ziele aan zichzelf leert twijfelen, hoemeer de Heere wil ontdekken aan het eenig en eeuwig fundament, dat gelegd is in Jezus Christus voor een arm zondaarsvolk. Opdat Sion leere nazeggen : Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. (Romeinen 5 vers 10).
O ! dan is het toch maar het heerlijkst, als we aan de vijandschap van eigen hart en eigen verstand ontdekt mogen woeden en de verzoening mogen kennen van onze zonden in des Middelaars bloed. Dan zal de zonde niet over ons heerschen ten doode, maar Christus zal onze Levensvorst en Zaligmaker zijn, om door den Geest geleerd en geleid te mogen zeggen : Abba, Vader !
Daarom laat ieder nog eens gewaarschuwd zijn, door de geschiedenis van Judas
„En 't was nacht", staat er. Wie zich overgeeft aan de zonde is een kind der duisternis en bemint de duisternis. Die geeft zich over aan de zonde, aan den nacht — straks aan den dood. (Matth, 27 vers 5). Terwijl van de rechtvaardigen staat geschreven, dat hun erfenis in eeuwigheid zal blijven, dat zij zich zullen verlustigen over grooten vrede en dat "hun gerechtigheid zal voortkomen als het licht en hun recht als de middag. (Lees Psalm 37 maar).
Wel een groot verschil dus : de zonde te doen of de gerechtigheid lief te hebben. En Judas staat ons hierin als een waarschuwend voorbeeld voor oogen gesteld.
Wie zich verraadt een kind der duisternis te zijn, ook al draagt men een kleed des lichts, dien zal Jezus loslaten omdat hij den Heiland niet kent en niet mint. En zoo gaat de waarschuwing uit tot ieder : onderzoek u zelf, onderzoek u zelf nauw, of gij ook als een arm zondaar deel moogt hebben aan het verzoenend lijden en sterven van Christus. Want als het harte daar in oprechtheid naar mag uitgaan, dan wil de Heiland Zijn genade verheerlijken aan dezulken en vrede schenken in de verzoening der zonden, waar voor Hij Zijn ziel heeft uitgestort in den dood.
Laat ons dan leeren waken en bidden. En een ieder bedenke dat de Psalmdichter zegt: „nog een wéinig tijd en de goddelooze zal er niet meer zijn ; want als gras zullen ze haast worden afgesneden, maar die den Heere verwachten zullen de aarde erfelijk bezitten en zicfe verlustigen over grooten vrede."
Heeriijk, om in oprechtheid een Godlover te mogen zijn, hier bij aanvang en eenmaal in de eeuwigheid volstandig en volmaakt met verzadiging van vreugd !
In Christus, het Lam Gods, ligt dan alle gerechtigheid met vrede en zaligheid. En Hij heeft zich laten verraden, opdat verraad, list noch geweld Zijn Sion ooit uit den hemel zou kunnen houden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's