Onze Belijdenis.
Art. 20b : „Zoo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijnen Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons gevende Zijnen Zoon in den dood door een zeer volkomene liefde en Hem opwekkende tot onze rechtvaardigmaking, opdat wij door Hem zouden hebben de onsterfelijkheid en het eeuwige leven, "
LXXIX.
In het lijden en sterven van Christus schittert in de eerste plaats de deugd van Gods heilig en onkreukbaar recht. God zelf heeft onze zonden op den Zoon Zijner eeuwige zondaarsliefde gelegd. Het is dus niet zoo, dat wij onze zonden op Christus gelegd hebben. Neen, de Heere zelf heeft dat gedaan.Wij zouden dezen weg van ontkoming nooit gevonden hebben, en bovendien zijn wij niet alleen onmachtig, maar ook onwillig om ons door een ander te laten verlossen. Veel liever willen wij zelf alles doen om behouden te worden. Maar God zelf, die wel wist dat de weg van onze zijde ten eenenmale was afgesneden, omdat het lichter was dat een Moorman zijn huid zou veranderen en een luipaard zijn vlekken, dan dat wij, die geleerd hadden kwaad te doen, nog zouden kunnen goed doen. God zelf heeft de zonden van Zijn volk op Zijnen Zoon gelegd.
In beginsel had Hij dat reeds gedaan in den eeuwigen vrederaad. Daar was het besluit genomen, daar was als 't ware het contract geteekend. Maar wat daar besloten was, is in de volheid destijds ten uitvoer gebracht. Van het begin Zijner menschwording af, dus den ganschen tijd dat de Heiland hier op aarde geweest is, heeft Hij den last van Gods eeuwigen toorn gedragen. Hoe dichter Hij bij het 'einde kwam, hoe zwaarder die last Hem ging drukken, totdat Hij in Gethsémané en op Golgotha er dermate door geperst werd, dat de bange klachten van Zijn lippen vernomen werden : „Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt", „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ? "
Maar toen was dan ook aan het goddelijk recht des Heeren voldaan. Toen was dan ook de beker van Gods toorn tot den laatsten druppel toe ledig gedronken. Toen was dus de schuld tot den laatsten penning betaald en was een Gerechtigheid verworven die met de meest strenge eischen van het goddelijk recht in volkomen overeenstemming was.
Vandaar dat toen niet alleen de straf was gedragen en de zonde verzoend, maar dat daarmee tevens weer een recht tot het eeuwige leven was gegeven aan allen voor wien Hij dat werk tot stand had gebracht.
Christus was degene diemet Zijn ziel, die met Zijn leven bij God Borg was geworden.En nu spreekt het immers wel vanzelf, dat als ik in het natuurlijk leven een borg heb, die aan mijn schuldeischer mijn schuld heeft betaald, dat die schuldeischer dan niet alleen niets meer van mij te vorderen heeft, maar dat ik ook geheel vrij ben om over al het mijne naar welgevallen te beschikken.Wanneer men mij dan dat recht wilde ontzeggen, zou dat inbreuk op mijn vrijheid genoemd moeten worden.
Welnu, zoo is het nu ook in den geestelijken staat, waarin de mensch verkeert ten opzichte van God. Wanneer Christus als Borg voor Zijn volk hun straf heeft gedragen, en alzoo hun schuld heeft verzoend, dan zou er onrechtvaardigheid bij God zijn, wanneer Hij de schuld die Christus betaald had. Zijn volk nog eens liet betalen en wanneer de straf die Christus droeg, door hen nog eens gedragen moest worden. En dat niet alleen, maar dan zou het zelfs onrecht van God wezen als Hij Zijn volk niet aanzag in wat Christus voor hen, niet slechts in lijdelijke, maar ook in dadelijke gehoorzaamheid heeft volbracht en als Hij hun dus geen recht zou verleenen om nu ook inderdaad het eeuwige leven deelachtig te worden En omdat God verre is van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht, is het dan ook zoo dat d» Heere niet anders kan of Hij vergeeft de schuld en de straf aan allen voor wien Christus ze betaald en gedragen heeft, en Hij geeft hun nu ook in Christus het recht om erfgenaam te worden van de eeuwige gelukzaligheid. In dien zin is het dan ook altoos nog waar wat Jesaja reeds sprak: Sion zal door recht verlost worden en hare wederkeerenden door gerechtigheid.
En nu moeten we niet meenen dat door deze strenge handhaving van Gods recht, iets zou tekort gedaan worden aan Zijn goedheid en genade, aan Zijn barmhartigheid en goedertierenheid, in één woord, dat dit een krenking zou zijn van Zijn groote zondaarsliefde. Men heeft dat wel gemeend, en het wordt ook vaak zoo voorgesteld, dat' zij, die zoo streng vasthouden aan de waarheid van de onkreukbaarheid Gods recht in Christus' Middelaarswerk, eigenlijk daarmee in strijd komen met de liefde Gods die in Christus Jezus haar hoogste openbaring vindt. Men Iaat het dan voorkomen alsof Gods recht en Gods liefde twee begrippen zijn die met elkander in volkomen tegenspraak zijn en die elkaar dus eigenlijk zoo goed als uitsluiten Wil men dus de liefde Gods handhaven, dan zou het recht des Heeren eigenlijk zoo goed als geheel uitgeschakeld moeten worden. Vandaar dat men niet zelden meent dat zij die bij het Middelaarswerk van Christus altoos weer hét recht Gods op den voorgrond stellen, eigenlijk het rechte begrip van de liefde Gods ten eenenmale missen. Doch niets is minder waar dan dat. Integendeel, juist het omgekeerde blijkt waar te zijn. Immers juist door derechtvaardigheid Gods in het lijden en sterven des Heeren te loochenen, wordt de barmhartigheid des Heeren verzwakt. En juist door die rechtvaardigheid Gods in des Heilands Middelaarswerk te handhaven, blinkt die barmhartigheid en genade des te meer uit.
Wanneer God naar Zijn heilig en onkreuk baar recht de gansche wereld om haar diepen afval van Hem rechtvaardig had kunnen, neen, had moeten doen omkomen, dan wordt het v/onder des te grooter dat God nu die onder Zijn recht verloren liggende wereld alzoo lief heeft gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Neen, als God niet rechtvaardig was, dan school er in den grond der zaak ook geen liefde in dat Hij, zooals sommigen dan beweren, een Wezen die meer was dan mensch en minder dan God, op deze wereld heeft gezonden. In strikten zin was dan de zending van Christus naar deze aarde niet noodig geweest. Maar wat mag den Heere dan bewogen hebben om afstand te doen van Hem die van eeuwigheid Zijn vermaking was ? Ach, dat men zich toch rekenschap gaf dat zelfs onder ons menschen liefde nooit iets anders dan verloochening van zich zelf ter wille van anderen in zich sluit. En dit nu is bij de liefde Gods natuurlijk het geval in veel hoogeren zin. Maar als God niet rechtvaardig geweest was, dan was er voor zulk een verloochening, voor zulk een vernietiging van zichzelf, geen noodzaak geweest. Waarom zou God het dan gedaan hebben. Immers, dan ware, gesteld dat Hij dat ook dan nog gewild had, de wereld ook zonder het werk van Christus wel te redden geweest. Dan toch had God, met eerbied gezegd, de zonde des menschen wel door de vingers kunnen zien. Dan had Hij ook zonder Christus wel kunnen doen alsof daar geen zonden waren in Jacob en geen ongerechtigheden in Israël.
Maar juist nu God wél rechtvaardig was, kon dat niet. En zoo schittert daarin juist de onbegrepen goedheid en barmhartigheid Gods, nu blinkt daarin juist Gods eeuwige zondaarsliefde zoo heerlijk, dat Hij voor menschen die schuldig stonden aan verbreking van Zijn heilig recht en die mitsdien de verdoemenis waardig waren, dat Hij voor dezulken Zijn eeniggeboren Zoon heeft over gegeven in den dood, om Hem straks weer uit de dooden levend te maken.
Dus de liefde Gods, de goedheid en de barmhartigheid des Heeren komen niet in de eerste plaats daarin uit dat de Heere aan Zijn volk de zonden vergeeft, veel minder daarin, dat, zooals sommigen het zich wei eens voorstellen, dat de Heere eenvoudig maar doet alsof er van zonde nooit sprake was. Wat dit laatste betreft zou Gods liefde nog minder zijn dan de liefde die Eli voor zijn zonen koesterde. En wat het eerste aangaat, als God de zonden aan Zijn volk vergeeft, dan zijn zij toch reeds door Christus verzoend, zoodat de vergeving der zonden eigenlijk meer in het licht van Gods recht dan in dat der genade moet beschouwd worden. Maar hierin schittert juist de barmhartigheid en de goedheid des Heeren dat Hij, waar er anders voor hen geen weg geweest was om behouden te worden, dat Hij daar voor een volk dat den dood en der verdoemenis waardig was, Zijn Zoon in den dood, in den meest smadelijken en smartelijken en gevloekten dood heeft overgegeven, opdat er voor hen onsterfelijkheid en een eeuwig leven zou zijn.
Dat is liefde, rijke en vrije en vrijmachtige zondaarsliefde dat de Heere niet voor goeden, maar wel voor slechten, niet voor recht vaardigen, maar wel voor zondaars, niet voor rijken, maar wel voor armen, niet voor menschen die zich zelf ook anders nog wel hadden kunnen redden, maar wel voor menschen voor wie redding anders onmogelijk zou geweest zijn, Zijnen Zoon en in dien Zoon Zichzelf verloochend en vernietigend. En zoo is dus in Christus' Middelaarschap zoowel de rechtvaardigheid als de barmhartigheid Gods bewezen worden, dat er nu voor hen, die zich zelven onder Gods recht verloren zien liegen dat werk een weg is om, zonder krenking van Gods recht door genade behouden worden. .
Christus' armoede, onze rijkdom. Christus' schande onze eere. Christus' dood ons het leven. Dat is het heilgeheim dat we o.m. vertolkt vinden in den 85en Psalm : „de goertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten, de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen." (wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's