Uit het kerkelijk leven.
De éénheid der Heilige Schrift.
De Bijbel is Gods Woord. Van God gegeven. Daarom nemen we de boeken der Heilige Schrift ook als goddelijke en heilige boeken ; en we stellen den Bijbel geenszins op één lijn met andere boeken. Het is een bizonder Boek, met een geheel bizondere plaats. En zoo vraagt het ook om een eigen, geestelijke, theologische, schriftuurlijke verklaring.
Aan een grammatische verklaring, waarbij woord voor woord en letter voor letter bekeken en behandeld wordt, hebben we niet genoeg.
't Is geen letterkundig geschrift, hoewel de m.enschelijke taal gebruikt is en ook hier wel degelijk haar eischen en vragen stelt.
Aan een bloot historische verklaring hebben we ook niet genoeg, hoewel de historie allerbelangrijkst is op zichzelf genomen en het van ontzaglijk groote beteekenis is de historie juist te kennen en te stellen.
Maar wat we noodig hebben is een eigen, geestelijke, mystieke, theologische, schriïtuuriijke verklaring ; juist omdat de Bijbei het Woord Gods is. We moeten dat Boek niet verklaren uit Mozes, Jesaja, David ot Jonannes. Ook niet uit deze of die eeuw, maar uit God is ter laatster instantie de verklaring ; uit Hem, die de groote Auteur is der heilige Schrift. Daarom hebben we een goddeiijke of theologische verklaring van de Heilige Schrift allereerst noodig.
En hoe hebben we de Schriften, de heilige Schritten, die ons van God gegeven zijn, geschreven door verschillende, heilige mannen, gedreven door den Heiligen Geest, dan te nemen ?
Als onderscheidene Schriften, geworden in onderscheiden tijden, geschreven door onderscheidene mannen, gesteld in verschillenden stijl — maar samen vormende een éénheid, zijnde saam Gods Woord.
Zóó heeft de Heere bedoeld ons die Schrif ten te geven, om saam te vormen Zijn Woord en Getuigenis voor heel Zijn Kerk van alle lijden.
Geleidelijk is die Heilige Schrift geworden Waarbij een hoofdverdeeling gemaakt kan en moet worden, n.l. het Oude Testament met 39 boeken en het Nieuwe Testament met 27 boeken.
Over de verhouding van het Oude tot het Nieuwe Testament zijn de gedachten steeds zeer uiteenloopend geweest. Niet zelden heeft men van het Oude Testament een te lage gedachte gehad. Maar uit de wijze, waarop de Nieuw Testamentische schrijvers zich hebben bediend van het Oude - als ook uit vele duidelijke, directe uitspraken als Matth. 5 vers 17 : „Meent niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden ; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen" — waarbij ook aangehaald mag worden wat staat in Rom. 15 vers 4 : „Want al wat tevoren geschreven is, dat is tot onze leering tevoren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden' (vergelijk ook 1 Cor. 10 vers 11 ; 2 Tim. 3 vers 14—17) — dat alles bewijst, dat het Nieuwe Testament het Oude blijvende beteekenis toekent voor de Kerk des Heeren van alle eeuwen.
Zoowel het Oude als het Nieuwe Testauient vormt een deel van de blijvende Godsopenbaring. En daar God onveranderlijk in Zijn wezen is en beide, zoowel het Oude als het Nieuwe Testament ons gegeven heeft, is het. klaar, dat zij één zijn. De God die onveranderlijk is in Zijn Wezen, is het ook in Zijn Openbaring.
Terwijl daarop de nadruk moet worden gelegd, moet er tegelijk op gewezen worden, dat de Heere in Zijn Openbaring rekening gehouden heeft met de geestelijke ontwikkeling van het volk der Openbaring, en van de natiën in het algemeen. Dit brengt mee, dat de Openbaring, die in het begin zeer eenvoudig en primitief is, langzamerhand toeneemt in belijndheid en duidelijkheid, in rijkdom en geestelijk karakter.
De veelbelovende knop, ons reeds in het begin van het Oude Testament gegeven, ontwikkelt zich langzamerhand tot een schoone bloem. De langzaam rijzende zon, die ons eerst de dingen slechts in nevelachtige omtrekken doet aanschouwen, ontdekt bij haar toenemend licht hoe langer zoo meer schoonheden aan het oog, terwijl zij tenslotte, als zij ter middaghoogte gerezen is, ons ten volle doet genieten van al het schoone rondom ons.
In het Oude Testament ligt het Nieuwe reeds besloten als de eik in den eikel en het Nieuwe Testament is de volle ontwikkeling van hetgeen ons in het Oude wordt geboden waarbij éénheid in wezen der Openbaring is, met allerlei verschillen in het bijkomstige.
Daarom zeggen we ook : het Oude Testament alleen biedt ons den sleutel tot recht verstand van het Nieuwe. Wat het Nieuwe ons geeft is de vrucht van eene lange vooral gaande ontwikkeling. Het is ééne, opgaande lijn, welke niet verbroken mag en kan worden.
Hiet Oude Testament maakt ons bekend met des menschen schepping en oorspronkelijken staat, met zijn val in de zonde, met de oprichting van het verbond der genade, met de idee van een Verlosser, enz.
Al die zaken zijn veronderstellingen waar van het Nieuwe Testament uitgaat en waar mede wij bekend moeten zijn, willen wij het Nieuwe Testament kunnen verklaren. Bovendien is er veel in het Oude Testament, dat dient tot illustratie van hetgeen wij in het Nieuwe Testament vinden. Denk maar aan Joh. 3 vers 14 en 15 : „En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzóó moet de Zoon des menschen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Neem ook maar Rom. 4 vers 9-13 : of Hebr. 13 vers 10-13.
Daarbij geeft dan het Nieuwe Testament ons de nadere verklaring van het Oude. Het Oude Testament bevat slechts de schaduw, het Nieuwe openbaart ons het wezen zelf der geestelijke dingen. Het Oude is profetie, het Nieuwe is vervulling. De meer volkomen Openbaring van 't Nieuwe Testament werpt een helder schijnsel over het Oude.De schrijvers van het Nieuwe Testament geven soms uitdrukkelijke, treffende verklaringen van plaatsen in het Oude Testament en doen ons daarin diepten zien, die anders allicht onze aandacht zouden zijn ontsnapt.Hier denken we b.v. aan Hand. 2 vers 29- 31, waar over David gesproken wordt; aan Matth. 11 vers 10 waar over de godsspraak van Maleachi 3 vers 1 wordt gehandeld ; Matth. 11 vers 21 over den steen door de bouv/lieden verworpen ; Hebr. 2 vers 6, enz.
Eén prediking der verlossing is er in Oud en Nieuw Testament ; in wezen hetzelfde.
De ceremoniëele zaken en handelingen des Ouden Verbonds zijn meer dan uiterlijke vormen. Ze kwamen met dezelfde geestelijke prediking als de Kerk des Nieuwen Testaments noodig heeft ; en ze waarborgden ook allen die daaraan met het hart deelnamen geestelijke weldaden.
De belofte betreffende Kanaan was hun de belofte des eeuwigen levens ; de tabernakel, Gods heiligdom onder hen, predikte hun den weg, langs welken zij tot God konden naderen. En zoo zij met waarachtige harten hunne offeranden den Heere brachten mochten zij in hunne harten ook verzekerd zijn van de verzoening hunner zonden, om in vrede aan te zitten als kinderen Gods aan het offermaal, met beloften van een ingang in het eeuwig Koninkrijk huns Gods.
Woorden als Psalm 26 vers 6 : „Ik wasch mijne handen in onschuld en ik ga rondom Uw altaar, o HEERE" ; Psalm 51 vers 9 : „Ontzondig mij met hysop en ik zal rein zijn ; wasch mij en ik zal witter zijn dan sneeuw" ; Jesaja 1 vers 16 ; „Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor mijne oogen weg, laat af van kwaad te doen" enz., enz., wijzen er op, dat men in en door altaar en wasschingen de noodzakelijkheid en de heerlijkheid van rechtvaardigmaking en heiligmaking begreep. De besnijdenis was onder oud-Israël maar niet een uiterlijke formaliteit, niet bloot een teeken van een nationaal verbond, doch predikte den overgang door Gods genade uit den natuurlijken verdorven staat tot een heilig leven in gemeenschap met God ; waar voor méér noodig was dan de uittrekking van het vleesch, waarom ook gevraagd en gesmeekt werd om een nieuv; hart en een nieuwen geest. Leviticus 26 vers 41 en 42 spreekt daar zoo duidelijk van in verband met het onbesneden hart; en in Leviticus 20 vers 26 lezen we die bekende woorden : „En gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig ; en Ik heb u van de volkeren afgezonderd, opdat gij mijns zoudt zijn."
't Zijn dan ook niet de ware Israëlieten die het alleen in het vleesch zijn. 't Ging om een geestelijk volk, dat Hem zou vreezen en lief hebben en zou wandelen in Zijne wegen, verwachtende Zijne zaligheid, reizende met het aangezicht naar eèn beter Vaderland dan het aardsche Kanaan. En Salomo vergeet in zijn gebed ook de vreemdelingen niet die in de toekomst in den tempel des Heeren zich zouden nederbuigen. Hoopvol zien de profeten uit naar den Messias ; en zij spreken van de toevergadering uit alle volken, daar het voor den Heere te gering is, om alleen van Israël te bezitten als Zijn erfdeel.
Ook de geloovigen der Oude Bedeeling verstonden, dat het ging om de Wet geschreven te hebben in hunne harten ; Psalm 37 vers 31 : „De Wet zijns Gods is in zijn harte ; zijne gangen zullen niet slibberen" ; waarbij we ook denken aan de plaats uit Jesaja : „Hoort naar mij, gijlieden diè de gerechtigheid kent, gij volk in welks harte mijne wet is." (51 vers 7) ; om niet te vergeten wat we lezen in Ezechiël 36 vers 25 en volgende verzen.
't Gaat om dezelfde geestelijke zegeningen als de Kerk des Heeren in den nieuwen dag noodig heeft ; wedergeboorte, geloof, bekeering, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomen verlossing. Zij hadden behoefte aan den zelfden Middelaar, het Lam Gods, en moesten denzelfden Geest in hunne harten ontvangen. Evenwel ontvingen zij de geestelijke zegeningen van het oude verbond der genade niet op dezelfde wijze noch in dezelfde mate als de geloovigen des Nieuwen Testaments.
Oud en Nieuw Testament staat tot elkaar als knop en bloem, als beginsel en voltooiing. Zie daarvoor o.a. Hebr. 1 vers 1 en Hebr. 3 vers 3, enz.
Aan de eene zijde moeten we dus in het Oude Testament niet te weinig lezen. Dit is een fout van velen. De wortel heeft wel degelijk groote beteekenis, ook al staat de boom in kruin.
Aan de andere zijde dienen we het Oude Testament niet te veel te lezen ; want de belofte is de vervulling niet. Grooter zaligheid is óns geworden dan aan de geloovigen der Oude Bedeeling.
Uit alles zien we nu, dat al de boeken van geheel de Schrift met elkaar in organisch verband staan, 't Is één geheel. Zij dienen elkander.» Zij vullen elkander aan. Ze zijn saam dienstbaar aan het ééne Woord Gods.
Dat is niet uit de schrijvers te verklaren, maar uit God Zelf, die de groote Auteur is.
Uit dien God die naar Zijn Raad, in Christus Jezus, zich een volk vergadert van de eerste eeuwen tot de voleinding der tijden. Zóó heeft Hij zich gewend tot Israël en Israël heeft den Zaligmaker voortgebracht en de volkeren zijn in Hem gezegend en zullen in Hem gezegend worden, straks ook Israël, dat verstooten is, tot jaloerschheid verwekkend.
Zóó is heel de Schrift één geheel. Waarbij weer elk boek een bizondere plaats inneemt, met eigen inhoud en eigen karakter.
Zoo spreekt Genesis ons door alle eeuwen heen toe met betrekking tot de schepping des menschen naar het beeld Gods, de instelling van het huwelijk, de intrede der zonde in de wereld en de gevolgen daarvan en de wording van Israels natie.
Exodus maakt ons bekend met de leer der verlossing door bloedstorting, tot prijs van Gods verkiezende genade en rijke ontferming.
Leviticus leert ons, hoe een in zichzelf zondig volk kan en mag naderen tot God, den Heilige ; en hoe wij kunnen staan in Zijne gemeenschap.
Numeri schildert ons het pelgrimsleven van het volk des Heeren, dat op reis is naar het beloofde land, gaande door de woestijn.
Deuteronomium wijst ons op den zegen, dien gehoorzaamheid aan God met zich brengt en op de ellende, die op de ongehoorzaamheid volgt.
Het boek Job biedt ons de oplossing van het probleem des lijdens in het leven van Gods volk, dat het van nature niet verstaat waartoe dat alles is.
De Psalmen doen ons het Woord Gods kennen, zooals het zich openbaart in het leven der geloovigen en laat als in een spiegel zien de ervaringen van Gods kinderen in voor-en tegenspoed ; met bange klachten en blijde jubels.
Het boek der Spreuken maakt ons bekend met den weg der wijsheid en des verstands.
Jesaja schildert ons de liefde Gods tot Zijn volk ; Jeremia biedt ons de openbaring van de gerechtigheid des Heeren ; Ezechiël spreekt van de heiligheid Gods, die Zijnen Naam wil heiligen onder de volkeren ; Daniël openbaart ons de heerlijkheid des Heeren, die boven al de koningen der aarde staat.
In de Evangeliën wordt vermeld de vervulling van Gods beloften in de geboorte van Davids grooten Zoon en de heerlijkheid des eeniggeborenen des Vaders wordt bezongen.
In den Romeinenbrief gaat het door ellende tot de verlossing en de dankbaarheid.In den brief aan de Galatiërs wordt door Paulus voor alle volgende geslachten de vrijheid van de Gemeente des Heeren in Christus gehandhaafd. In den Efezerbrief wijst hij op de éénheid der Gemeente als lichaam van Christus ; in den brief aan de Colossenzen vestigt hij de aandacht op Christus als het heerlijk Hoofd der Gemeente. En instee dat Paulus en Jacobus met elkander, in strijd zouden zijn, wordt bij ernstig onderzoek bemerkt, dat zij dezelfde zaak van een verschillenden kant benaderen en belichten en alzoo elkaar op schoone wijze aanvullen, wat Christus' Gemeente niet dan tot groote schade kan veronachtzamen dit op te merken.
Staatssubsidie voor alle Gezindheden.
Zooals men weet zit het bij de huidige Regeering voor, om de financiëele banden tusschen Staat en Kerk los te maken. Daartusschen Staat en Kerk los te maken. Daartoe zijn reeds tal van conferenties gehouden en we mogen aannemen, dat althans getracht zal worden om iri deze eene oplossing te vinden, waarbij we wel willen verklaren, dat een goede oplossing in onze oogen zéér moeilijk zal zijn. Toch moet daar op worden aangestuurd. De Kerk moet weer op eigen terrein heer en meester worden; ook wat de financiën betreft. Waartoe is het noodig, dat de Kerk telkens „handopening" moet vragen bij een nieuwe vacature, alvorens 't beroepingswerk kan aanvangen ? De Staat moet dan eerst de hand openen, dan kan en mag de Kerk beginnen ! Is het toch eigenlijk niet verschrikkelijk ? Waarom de Kerk niet de vrije beschikking gegeven over haar eigen goed ?
Wij zouden er dan ook voor zijn, dat nu flink doorgetast wordt. Nu is het ijzer heet. Wie weet, of we wel ooit weer een gelegenheid krijgen als nu. En wee de Kerk, als straks nog meer en nog endere roode elementen aan 't woord komen in den politieken winkel. Dan moet door socialist, anarchist, bolsjewist, enz. enz., over het goed der Kerk worden beslist! Is het niet vreeselijk ! En is het niet meer dan tijd, dat nu haast gemaakt wordt met de financiëele afwikkeling ? Dat is èn voor den Staat èn voor de Kerk verre het beste.
Op billijke wijze moeten de Rijksinkomsten der Kerk worden gekapitaliseerd. En natuurlijk moet er dan van kapitaaluitkeering aan de Synode of aan het College van Toe'zicht geen sprake zijn.
Trouwens daar zal de tegenwoordige Regeering, met den huldigen Minister van Financiën nooit medewerking toe verleenen.Zoover kennen we de Raadslieden der Kroon wel in hun beginselen rakende deze kwestie.
Als er ooit iets van kapitaaluitkeering komt, moet dat aan de gemeenten geschieden en wel aan de pastorieën der verschillende afzonderlijke gemeenten, 't Raakt toch immers het meest den pastor loci. 't Hangt saam met het beroepen en het bezoldigen van den predikant; zoowel wat zijn tractement betreft, als ook kindergelden en emeritaatspensioen. En daarom hebben wij vroeger reeds herhaaldelijk als onze meening te kennen gegeven, dat de kapitaaluitkeering niet aan de Synode ; ook niet aan het College van Toezicht, maar aan de plaatselijke gemeente moet geschieden en dan aan de pastorieën.
Wat de afwikkeling van déze kwestie nu niet weinig in den weg staat, is het ijveren voor „Staatssubsidie voor alle Gezindheden."
Blijft men daarmee voortgaan, dan krijgt men geen kapitaaluitkeering en ook geen „Staatssubsidie voor alle Gezindheden."
Dan krijgt men alleen als resultaat, dat alles zoo blijft, zooals het nu is — een toestand, waarvan ieder, die ter zake kundig is, zegt, dat er hoe eer hoe liever een weg gevonden moet worden, om er af te komen.
Ziet en voelt men deze dingen niet ?
Wat we nog weer eens bij vernieuwing vragen, nu een tweede vergadering is uitgeschreven door het voorloopig Comité, bestaande uit ds. Den Hertog, te Rotterdam, en den heer S. Pols Jr., te Brielle, om het verkrijgen van Staatssubsidie voor alle Gezindheden te bevorderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's