Stichtelijke overdenking.
En hij zeide tot Jezus : Heere ! gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. __ En Jezus zeide tot hem : Voorwaar zeg Ik u : Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Lukas 23 vers 42 en 43.
WEINIG BEGEERD EN VEEL VERKREGEN.
Misschien is er wel geen geschiedenis in de Heilige Schrift die zoo vaak tot bemoediging en vertroosting wordt aangehaald als die van den moordenaar aan het kruis.
Het wil ook wat zeggen, dat iemand met een verzondigd leven tot den drempel der eeuwigheid gekomen, de poort van het paradijs mag binnentreden. Daarin ligt de genade des Heeren klaar en openlijk tentoon gespreid. Als het niet in-den Bijbel stond, zou niemand het willen gelooven.
Wat is de genade Gods machtig ! Hoe vrij wordt zij uitgedeeld ! Deze geschiedenis moet de meest verslagene ziel wel tot vertroosting wezen Gij moet nu niet zeggen dat er in dezen moordenaar vroeger wel eenige werkzaamheid des Geestes zal geweest zijn. Immers dat staat er niet. En dan zijt gij bezig de genade Gods te binden aan 'n langeren of korteren tijd van voorbereiding. De ontferming des Heeren is aan niets gebonden. Zij is volkomen vrij. Zij valt volkomen vrij. Daar is een mensch die aan het kruis hangt. Dat is het droeve einde van een zondig leven. Stel u voor, dat wij nog iets zouden kunnen goedmaken van wat wij in dit leven misdreven hebben, deze moordenaar kon het in ieder geval niet meer doen Het leven was voor hem afgeloopen. Daar hing hij, verstooten van de menschen, verloren voor God. En toch al zijn schuld wordt van hem genomen. Hij wordt bekleed met gerechtigheid. Het paradijs v/ordt voor eeuwig hem geopend. Let er op, wat genade vermag.
En dat midden in de lijdensgeschiedenis des Heeren. Het wordt ons voor oogen geschilderd wat het doel van Christus' lijden was. Duidelijk wordt het woord bevestigd, door Hem zelf eens gesproken : De Zoon .des Menschen is gekomen om te zoeken èn zalig te maken.wat verloren is.
Wij hebben hier te doen met de genade Gods, die wonderlijk is in al hare openbaring. Er ligt eene prediking in van de liefde des Heeren, die alle beschrijving te boven gaat. Met die prediking mogen wij gaan naar elken kranke, die tot nabij den dood is. Wij mogen hem zeggen, dat het nog niet te laat is. Op grond van Gods eigen Woord. In een korte spanne tijds, zelfs bij het naderen van den dood, kan God een zondaar redden van het verderf, hem alles geven wat tot verlossing en zaligheid noodig is.
Hij kan en wil en zal in nood, Zelfs bij het naderen van den dood, Volkomen uitkomst geven.
Maar dan zal toch ook verootmoediging des harten moeten zijn, zooals die er was bij den moordenaar. Let er wel op dat deze niet vroeg om in den hemel te komen. Dat heil was voor hem veel te groot. Daarop durfde hij niet hopen. Dat was hem een onbereikbaar goed, . Maar hij smeekt of de Heere aan hem gedenken wilde. Hij vroeg slechts een gedachte van den grooten Koning Laat ons maar eerlijk zijn. Het gaat ons maar al te vaak om den hemel. Daarheen richten zich onze gedachten als wij aan God en Zijn heil denken. De korte hoofdzaak van ons bidden en wenschen is dan deze : geef mij het paradijs. Wij grijpen dan naar het meeste, naar het heerlijkste, naar het grootste, naar het zaligste. Alsof het mindere dat de Heere geeft niet reeds groot is ! Alsof de kleinste genadegift niet meerder waard is dan alle schatten dezer wereld. Weet wel : wie het kleine niet acht, wien het groote niet wacht.
Als wij komen aan de ziekbedden en wij spreken over het ééne noodige, dan bemerken wij het telkens weer, uit alles wat uit den mond dier lijdenden komt, dat het hen enkel en alleen om de zaligheid na het sterven gaat. Wij zouden het wel uit hun hoofd willen praten. Maar 't blijft een worstelen tegen een starre gedachten-wereld. God zelf moet er aan te pas komen. Hij moet met Zijn Geest de begeerte werken naar het kleinere, dat nog altijd veel te groot is voor een doem waardig zondaar.
Dat kleinere is dat God aan een zondaar gedenkt; dat Christus met gedachten, van liefde vervuld is voor een verlorene.
Wij lezen in de Schrift van de Kananeesche vrouw. Zij sprak van kruimkens die van de tafel vielen. Daarmede wilde zij het wel doen als zij lette op de macht die de Heiland in Israël openbaarde Of denk ook aan haar die twaalf jaren krank was. Zij had bij zich zelf vastgesteld : als ik slechts den zoom van Jezus' kleed aanroer, zal ik gezond worden. En hoewel deze hunne begeerte slechts doelde op tijdelijke uitreddingen, zégt zij ons toch ook wel iets over de begeerte naar het geestelijk heil.
De biddende moordenaar vraagt slechts kruimkens. Hij smeekt slechts om eene aanraking van het kleed van Jezus. Het kleinere van het Koninkrijk Gods is hem een onnoembaar groote schat geworden. Het mindere dat de Heere geeft; gaat hem alle beschrijving te boven.
Zie, als wij elkander zeggen dat het nooit te laat is, zoolang wij in dit leven zijn, om door God gered te worden, moeten wij niet vergeten elkander er op te wijzen dat er dan toch schuldgevoel moet zijn: Immers er is groot gevaar dat wij met den Bijbel in de hand gaan troosten zonder dat er behoefte aan troost is. De geschiedenis van den moordenaar aan het kruis is misschien wel vaak misbruikt. In de hand van satan is zij geweest, om de gerusten in zich zelf nog te sterken in hun vleeschelijke rust. En hij heeft er duizenden toegefluisterd : , , gij hebt nog wel den tijd. De moordenaar werd nog wel op het laatst van zijn leven bekeerd." En dan wordt vergeten dat er slechts één voorbeeld in de Schrift staat van iemand die als van den dorpel van de hel werd afgerukt. Durft gij, mijn lezer, het op dat ééne voorbeeld te laten aankomen? Bovendien wordt vergeten, dat het schuldgevoel van den moordenaar zich uitstrekte over heel zijn verzondigd leven. Hij staat schuldig over elken dag en elk uur waarin hij volhardde in het kwaad. Hoort toch wat hij tot den anderen kwaaddoener zeide : „wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan". Tegenover het volkomen heilig leven van den Heere stelde hij zijn eigen totaal verzondigd leven. Schuldgevoel over elken dag van uitstel, waarin hij zich niet tot God bekeerde. Dat was er bij den moordenaar. Maar dat zal er ook zijn bij een leder die op het uiterste van zijn kostbaren levenstijd nog door Gods genade .beweldadigd wordt. Nooit te vroeg zal men den Heere zoeken. En de schüldvergevlng die de Heere door het geloof geeft, de gerechtigheid waarmede Hij hier op aarde Zijn volk bekleed is de hemel die aan den hemel voorafgaat ; het kleinere paradijs dat eerst begeerd moet worden, , zal men eens het grootere binnentreden.
„Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn." Het was een bede vol ootmoed, maar tegelijkertijd een bede waarin de grootheid van Christus geroemd werd. Schuldbesef staat nimmer alleen. Het leven des Geestes dat God in het hart werkt, is nu eenmaal niet in afzonderlijke stukken in te deelen. Het is een samengesteld leven, omdat het uit God is, uit Hem spruit, en opgroeit als een plant. Dezelfde Geest die schuldbesef werkt, verkondigt ook de grootheid van den Christus, door Wien de schuld wordt uitgedelgd. De tollenaar die zichzelf veroordeelde, had de genade des Heeren liefgekregen Zoo ook bij dezen moordenaar. De Heere Jezus was voor hem zoo aanbiddelijk groot, dat het minste van dien Koning hem lief was. Wel was het opschrift boven het kruis van Christus als bespotting bedoeld : „Deze is de Koning der Joden." Maar het was toch eene prediking van het Evangelie, die in drie talen uitging. De moordenaar heeft dat Evangelie begrepen. God schreef door Zijn Geest dat opschrift in het hart. Met aanbidding zag hij .op tot dien gesmaden Christus, maar nochtans een Koning, Die het Koninkrijk des Geestes met vaste hand zou regeeren, het Koninkrijk, dat niet van deze wereld is. Deze Koning regeert door Zijn Woord en Geest. Een aardsche koning kan alleen door zijn woord regeeren, maar hij kan zijn onderdanen niet gewillig maken. Dat kan Christus wél. Hij heeft macht over het hart. Hij is de Almachtige Koning. Niemand zal de onderdanen van dezen Koning uit Zijn hand kunnen rukken. Zijn Rijk, dat hemelsch van oorsprong is, zal zich ook eens in uitwendige heerliikheid openbaren. Dat Koningschap draagt Hij slechts als Middelaar en Verlosser. Het komt er ook voor ons op aan, om Hem in al Zijn grootheid te aanschouwen, Hij draagt de banier boven tienduizend. En een ieder die zijn schuld en zonde leerde kennen, zal voor dien Koning in aanbidding nederknielen en smeeken : Gedenk ook aan mij, o eeuwige Koning, Die in Uw Koninkrijk gekomen zijt.
Van dien Koning wordt een weinig begeerd. Enkele druppelen uit den rijken stroom. Enkele kruimkens van de overvloedige tafel. En al zou de Heere slechts dit weinige geven, het zou voldoende zijn voor den vrede der ziel. Als Christus aan een verloren zondaar gedenkt, is dit duizend maal meer waard dan alle schatten der wereld.
Weinig wordt dan begeerd. Maar veel wordt verkregen.
Wie een kruimel afsmeekt van den Heere, zal veel meer dan een kruimel ontvangen. Hij zal het brood des eeuwigen levens ontvangen, tot verzadiging der ziel. Christus is geschonken tot rechtvaardiging, tot heiligmaking, maar ook tot eene eeuwige verlossing. Wie het minste van den Heere Jezus begeeren mag, ontvangt een Goddelijk deel, een groot goed dat weggelegd is voor degenen die den Heere vreezen.
Wie veel van deze wereld begeert, wordt tenslotte ledig heengezonden en met een dood-arme ziel gaat hij de eeuwigheid in. Maar als er iemand is, die vol schuldbesef bidt om een gedachte van den Heere Jezus, ontvangt hij het eeuwige paradijs.
„Voorwaar zeg Ik u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn" Opmerkelijk dat Christus, als Hij de poort des doods ingaat, aan het paradijs denkt. Het paradijs, dat door de zonde verloren was, dat door Zijn zoendood herwonnen wordt.
Het paradijs, waarvan Christus hier tot den moordenaar spreekt, is de onafgebroken vereeniging met God. Paulus' begeerte strekte er zich naar uit. Hij kende den strijd tusschen vleesch en Geest. Een strijd, waar in hem altijd weer zijn armoede geopenbaard werd, zijn bittere ellende, zijn dood zijn door de zonden en misdaden. Geen wonder dat hij begeerde ontbonden te zijn. Dan zou hij altijd met den Heere wezen. Altijd ! Wie kan dat meten ? Wanneer het hier op aarde reeds zoo goed-is om ..met den Heere te zijn, zoodat men zeggen mag : „ik zal geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij", wat zal het dan zijn om altijd met God vereenigd té leven ? En dat voor een zondaar die zich van oogenblik tot oogenbük Gods toorn waardig maakt.
Misschien heeft de moordenaar gemeend, dat hij er in ieder geval nog op wachten moest, als Christus eens aan hem gedenken wilde. Maar zie, nu zegt de Heere : „heden! Op dit zelfde oogenblik zult gij overstappen. Eén schrede is er tusschen uwe zelfveroordeeling en de eeuwige - vrijspraak." Eén schrede is er van hét kruis naar den hemel.
In één oogenblik een verlorene en een gezaligde ! Laat ons niet klein denken van de liefde Gods, van Zijn macht, van de wegen Zijner eeuwige ontferming. De uitnemendste van Gods kinderen kan daarvan slechts stamelen. Voor een moordenaar werd het paradijs geopend ! Maar hij, die het minst van zichzelf denkt, zal dit Evangelie bet best verstaan. En hij, die zich voor God als een verlorene buigen mag, zal in oprechtheid vragen : Heere, geef mij het deel dat Gij aan den boetvaardigen moordenaar geschonken hebt.
Zij sloegen 't oog op God, Zij liepen als een stroom Hem aan : Hij liet hen nimmer schaamrood staan, Hij wendde straks hun lot.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's