Uit de Afdeelingen.
HOOGEVEEN. Men schrijft ons :
„Reeds jaren waren hier verspreide leden van onzen Bond Op initiatief van enkele dier leden werd j, l. Vrijdagavond, een vergadering belegd om te geraken tot oprichting eenër afdeeling. Dit pogen slaagde bijzonder goed, Aan het eind van de vergadering telde de pasgeboren afdeeling reeds 47 leden. We twijfelen niet of dit getal kan tot 100 stijgen In het bestuur werd o.a. gekozen onze geachte leeraar ds. Bartlema. Zegene de Heere onze jonge afdeeling en schenke Hij den leden brandenden ijver voor deze zaak des Konings, die dringend is." Wij roepen deze nieuwe afdeeling gaarne hartelijk een „welkom" toe.
LEIDEN. Donderdag 10 Maart j.l. was door de afdeeling Leiden van den Gereformeerden Bond eene openbare vergadering belegd in het gebouw van de Chr. Jongemannenvereeniging, waarin als spreker optrad ds. M. van Grieken, van Rotterdam, met het onderv/erp : „Oude nooden, nieuwe zorgen." De zaal was stampvol. Ds. Beekenkamp, die de vergadering met gebed en het lezen van Openb. 3 vers 1—17 opende, sprak een kort openingswoord, vv-aarin hij iict uitkomen dat de Geref. Bond voor velen in de Herv. Kerk nog een soort boeman is. Uit het optreden van ds. Van Grieken zal wel blijken, dat dit • niet het geval is, maar dat deze Bond niets anders beoogt dan de behartiging van de belangen der Herv. Kerk. Na het zingen van Psalm 65 vers 2, werd vervolgens het woord gegeven aan ds. Van Grieken. Dieze begon rnet op te merken dat zij, die de waarheid willen spreken, v/el eens harde dingen moeten zeggen. Dat is de oorzaak, dat ook de Geref. Bond wel eens dingen zegt, die niet aangenaam zijn om te hooren. Als er echter gevaren dreigen, is het niet te misprijzen als alarm wordt geblazen. Een schiidwacht , die dan zwijgt, wordt in oorlogstijd zelfs doodgeschoten. Zoo is het nu ook met den Geref. Bond, die wel genoodzaakt is met krachtige stem te roepen, opdat de Kerk die in verval is, weer wordt een pilaar en vastigheid der waarheid ; om als dienaresse Gods de lampe van Gods Woord te dragen en een getrouwe getuige van Jezus Christus te zijn, voor alle levensterrein ten zegen.
De Bond mag niet worden beschouwd als een soort boeman, ' maar hij is er omdat de nood zoo groot is en de gevaren zoovele zijn.
Uit het onderwerp reeds blijkt, dat het niet van vandaag of gisteren is, dat er geklaagd moet worden en dat nog weer telkens nieuwe gevaren opkomen.
De tijden die achter ons liggen, zeggen ons dat de ontrouw, de afval zoo groot is, Nu is dat op zichzelf niet iets nieuws. De Bruidegom in het Hooglied prijst zichzelf aan bij de bruid als een roos van Saron, en een lelie der dalen." (Hooglied 2).
Ook van de bruid, de Kerk, wordt gezegd, dat zij is een lelie, maar — onder de doornen. Daarmee is het beeld van Christus Kerk door alle eeuv/en heen .geteekend.
't Volk Gods leeft temidden van de zonde, temidden van, een krom en verdraaid geslacht, getrokken uit de kinderen der duisternis. En God moet altijd werken met een Kerk, die bestaat uit menschen die van zich zelf tot niets goeds in staat zijn, terwijl de Overste dezer wereld nog altijd rondgaat als een brieschende leeuw of als een engel des lichts, zoekende wie hij zou mogen verslinden of verleiden.
De geschiedenis van elk kind van God spreekt daarom altijd van grooten nood en vele gevaren, van veel vallen en struikeleni.
Ook in de geschiedenis van Gods Kerk zien we, dat het is een worstelen van Christus met de duisternis, 't Is altijd een vallen en afdwalen, maar toch mag altijd weer getuigd, dat niemand uit 's Heilands hand kan worden uitgerukt, 't Is een geschiedenis van licht en duisternis, van de wonderen van Gods almacht em van een v/ederhoorig kroost.
Als we letten op de geschiedenis van Gods Kerk wat zijn u'e hier dan rijk begenadigd. Waaraan hebben wij het verdiend, dat in dezen lande een volk geroepen werd om Gods Naam te kennen en te belijden ?
Maar we zien ook, dat Gods volk van zichzelf een wederhoorig kroost is, dat altijd tracht zich los te wringen uit Gods hand, af te dwalen van het ware licht.
Er is zoo dikwijls een breuk tusschen de Gemeente Gods en Christus, haar Hoofd. Er is een tijd geweest dat zij, die de waarheid voorstonden, werden vervolgd en bespot, dat het zwaard werd opgeheven tegen hen die Gode meer wilden gehoorzamen dan de menschen. Neen 't is niet van vandaag of gisteren dat de Kerk des Heeren in verval is en dat men tracht de banden te verscheuren en de touwen van zich te werpen, dat de waarheid wordt tegengestaan en Christus wordt gelasterd.
En in de dagen waarin wij leven is het niet anders. Inplaats van een uitschittering van licht en liefde, vinden v/e allerlei wind van leer, partijschap, haat en nijd, en een zich noemen naar allerlei personen. Er is een zoeken en koesteren van het vleesch ; zoo weinig een zoeken van de eere van Christus. Er is een hinken op twee gedachten ; een geven en nemen ; waarbij de Synodale kerkelijke organisatie drukt, en benauwt ; wat, naar de teekenen der tijden doen zien, onze Kerk geen honderd jaar meer zal kunnen uithouden, gelijk er honderd jaar achter ons liggen.
Die nooden schreeuwen voor Gods aangezicht en ons vaderland lijdt daardoor. Want als het met de Kerk niet goed gaat, dan gaat het ook met land en volk niet goed.
Wat moeten we nu doen ? Over dit alles zwijgen ? Maar dan maken we de zonde nog veel grooter. Daarom niet zwijgen, maar de wonde peilen, de breuke openleggen en het der dochter Slons aanzeggen dat het kwaad is van den Heere af te wijken. Er wordt in onze Kerk grootelijks gezondigd Daartegen moet worden getuigd om Gods wil en terwille van de Kerk. En dat getuigen moet telkens maar weer worden herhaald ; er mag geen stilzwijgen bij ons gevonden worden.
Men zegt, spreek daar toch niet van, want immers de ergernis wordt er te grooter door. En zeker, 't is schrikkelijk dat de ICerk vaak aanleiding geeft om smalend te spreken van haar en van God en van den Christus, maar zij die daarom Christus den rug toekeeren zullen het ondervinden, dat uitgeroeid worden, die van God afhoereeren.
De Heere zal met ieder afrekenen ; ieder zal z'n eigen pak in deze dragen.
Maar, zeggen anderen, door zóó over den afval te spreken wordt het gevaar van afscheiding grooter. Spreker geeft toe, het is verklaarbaar ais men soms moede wordt. Maar men vergete niet, dat men de zonde niet ontloopt en dat men de schuld, ook de kerkschuld, niet van zich af kan werpen. Waarbij het ook niet gaan mag om de vraag : hoe kom ik vrij ; maar om de vraag : hoe komt de Kerk des Heeren in dezen lande, ons Vaderlijk erfdeel en het maaksel van 's Heeren hand, uit haar verval ; hoe komt de Kerk vrij.
Neen, zegt spreker, wij mogen ons niet van de schuld der vaderen vrijmaken en we mogen ook niet zwijgen. Kunnen, mogen we zeggen, dat er toch niets verandert ? Is het niet duidelijk, dat God toch nog veler lei bemoeienis heeft met Zijn Kerk, dat Hij h'aar nog niet heeft verlaten ?
Neen, niet wegvluchten en niet zwijgen, maar met Daniël beleden : wij hebben gezondigd, wij en onze vaderen en dan gepleit op de beloften Gods om niet te laten varen het werk Zijner handen.
Mogen we niet telkens opmerken in onze Herv. Kerk verrassende zegeningen, terwijl het in andere Kerkgenootschappen vaak is alsof God blaast in wat men zich had voorgenomen ? Blijkt het niet telkens in stad en dorp, dat de Heere nog in onze Herv. Kerk wil inkeeren om lieflijk Zijn gunst ons te toonen ? Laat ons deze dingen niet over het hoofd zien en laat ons niet schuldig worden bevonden straks, dat we den Heere hebben miskend in Zijne bemoeienissen vol barmhartigheid.
De weg voor Kerkherstel is nooit geweest om de Kerk , waar zonde 'heerscht, te verlaten, om een nieuwe Kerk te stichten, maar wèl om zich onder aanroeping van den Naam des Heeren te scharen rondom Zijn Woord en getuigenis, de zonde als zonde te veroordeejen en te zoeken om uit de zondige wegen uit te komen en zich te richten naar Gods Woord en getuigenis.
Het Woord moet weer het middelpunt worden van allen arbeid : op de plaats waar de schuld gemaakt is, zal ook in den weg des Heeren gestaan worden naar herstel.
Nu doet God wonderen in onze dagen. Overal, in steden en dorpen, is er een vragen naar het Woord Gods. Maar nu zien we, dat de roepstemmen wel vele-zijn naar predikers der Waarheid, maar weinige zijn de arbeiders.
Daarom moet het onze bede zijn, dat predikers gevormd worden die den vollen schat des Woords wenschen te brengen. En wanneer we waarachtig leeren bidden, dan leeren we ook werken.
En nu is het helaas een feit, dat er onder onze jongelingen weinigen zijn, die lust hebben om voor het predikambt te worden opgeleid. Daarom moet ons gebed vermeerderen, opdat er komt een begeerte voor dit heerlijke en treffelijke en begeerlijke werk. Want ja, we kunnen ons voorstellen dat om geestelijke en stoffelijke oorzaken jonge menschen er tegen aan — en er tegen opzien om bedienaar des Woords te worden in onze Herv. Kerk. Er is zooveel ellendige partijstrijd, er zijn zooveel machtige geestelijke problemen, er is dikwijls geldelijke nood. Maar met dat al blijft het waar, dat het een treffelijk werk is, om als predikant te m.ogen arbeiden. Geen schooner roeping, geen heerlijker taak. Stoote de Heere des oogstes ze maar uit in Zijn Wijngaard op het gebed van Zijn Gemeente !
Hierbij is dan een zaak, waarbij wé nog even bizonder willen stilstaan, zegt spreker.
Het is voor de dienaren niet zoo erg als zij om Gods wil moeten v/erken. God is een God van trouw, die niet tevergeefs zegt : wentel uwen v/eg op Mij. God in den hemel betaalt goed uit. We hebben een goed gerucht van onzen Koning te geven.
Wat echter zoo droevig is ? Dat er in de Gemeente vaak zoo weinig voor gevoeld wordt om bij te dragen voor Gods Kerk en Zijn werk. Hierop moet terdege worden gelet, want middellijkerwijs kan dit oorzaak zijn, dat de Kerk nog meer terugzinkt.
Gods Kerk moet zijn een lichtend licht ; zij heeft een grootsche taak, vooral in onze dagen ; maar dan is het ook noodig dat veel gegeven wordt.
Veel te lang is er gesteund op fondsen en collecten en bijdragen hier en daar, terwijl niet verstaan werd dat de kerkelijke huishouding ook financieel behoorlijk moet v/or den verzorgd en dat de lasten die er zijn ook gezamenlijk worden gedragen. Hiervoor moet heel het terrein overzien ; en daar is veel voor noodig. En dan niet een gift hier en een collecte daar. Maar zooais bij de goddelijke huishouding der Kerk past, een goede en ordelijke verdeeling der lasten, waarbij de kerk mag steunen op vaste jaarlijksche vrijwillige bijdragen, van allen die tot de Kerk behooren. Opdat de Kerk ook als publiek lichaam kan staan in het midden des volks.
De Kerk heeft in deze dagen een gewichtige taak ; God legt ons het werk als vlak voor de voeten. Daarom is het noodig dat wij afsmeeken getrouwmakende genade, opdat we zijn een gewillig volk, dat gaarne doet wat de Heere ons opdraagt.
Met dankgebed en, het zingen van „Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort" werd deze goedgeslaagde vergadering gesloten.
Moge mee de vrucht zijn, dat velen in Leiden zich bij de afdeeling van den Geref. Bond gaan aansluiten en velen zich gaan abonneeren op „De Waarheidsvriend."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's