Uit het kerkelijk leven.
Het Mormonisme.
Jozef Smith, „de Profeet en Ziener", was ook „Openbaarder."
Telkens ontving hij nieuwe „openbaringen", gelijk ook zijn volgelingen.
Johannes de Dooper verscheen hem ; ook Petrus, Jacobus en Johannes ; ook kwamen Elia en andere der vroegere profeten, om hem te ordenen tot priester, hem het apostelschap op te dragen, hem de sleutelen en de macht te geven, enz. enz.
Op deze openbaringen beriep de profeet zich. Deze waren zijn kracht en sieraad ! Vele dezer openbaringen zijn gedrukt in het Boek der Leer en Verbonden en in de Paarl van Groote Waarde, welke boeken met het Boek van Mormon en den Bijbel zijn aangenomen als de standaardboeken der leer en tucht van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste Dagen.
Vraagt men den Mormonen wat zij gelooven, dan zullen zij in den regel u verwijzen naar hunne 13 artikelen des geloofs ; welke geloofsbelijdenis in 1842 door Smith werd opgesteld. Vroeger hebben we die 13 artikelen afgedrukt in „De Waarheidsvriend' en doen dat daarom nu niet meer.
Bekend is het gezegde van den diplomatieken Franschen Staatsman-politicus Talleyrand, dat n.l. de taal dient om de gedachten te verbergen. Dat mag men ook wel zeg gen van de 13 artikelen van de Mormoonsche geloofsbelijdenis. Heel de redeneering Schijnt te moeten dienen om de buitenwacht te verblinden en argelooze zielen in 't Mormoonsche net te verstrikken, 't Is „een echt Jezuiëtisch stuk." Opzettelijk wordt veel verzwegen. De Mormonen gaan van de gedachte uit, dat alleen de dieper ingeleiden met hun mysteriën bekend mogen gemaakt worden. Zij voeden eerst met „melk" en eerst daarna met „vaste spijzen." Daarbij gebeurt het niet zelden, dat de verschillende leeringen elkaar zoo dikwijls tegenspreken, dat eene vaste lijn niet te zien is, terwijl telkens nieuwe openbaringen en verklaringen al de oude bakens weer komen verzetten „zoodra het getij verloopt." Men weet zien te schikken naar elke .omgeving; men heeft geneesmiddelen voor „elk wat wils." Dat is het onbetrouwbare, onvaste, bedriegelijke en leugenachtige. Ze hebben iets van de Christenen, in zooverre zij gelooyen in het Nieuwe Testament en de zending van Christus ; ze zijn Joden met het oog op hun theocratische gevoelens ; Mohammedanen in hun sexueele verhoudingen en hun zinnelijke verwachtingen, Ze gelooven in toovenarij en goede en kwade geesten als de heidenen Aan de Boeddhisten hebben ze hun leerstellingen aangaande de verheerlijking en ontwikkeling der goden ontleend. Al deze wonderen en verschillende elementen hebben ze met het Christendom in harmonie trachten te brengen en van alle mogelijke secten hebben ze daartoe wat overgenomen. Arianen zijn ze, omdat zij Christus maken tot „den grootste der geschapen, wezens." Gnostieken zijn zij, in zooverre zij den Zaligmaker allerlei menschelijke zwakheden toeschrijven en zelfs verklaren dat hij met verscheidene vrouwen was gehuwd. Manicheërs zijn zij, omdat zij 't heelal verdeelen tusschen de booze en de goede geesten. Aan de Methodisten ontleenden zij hun wijze van eeredienst en verder pronken zij met veeren van Arminianen of Remonstranten, Chiliasten, Communisten, enz.
Een mengelmoes ; een ware poespas. Waarbij dé cardinale stukken van. onze bijbelsche geloofsleer worden verknoeid en bedorven. Laat er ons iets van mogen zeggen.
Hoe is de Godsbeschouwing der Mormonen ?
Art. I van hun geloofsbelijdenis zegt: „Wij gelooven in God, den Eeuwigen Vader, en in Jezus Christus Zijnen Zoon, en in den Heiligen Geest."
Dat ziet er , op 't eerste gezicht, nog niet zoo kwaad uit. Maar we hebben hier in wer lielijkheid veelgodendom, zoo grof en zoo onlogisch als het zich nauwelijks denken laat.
„De Vader heeft een lichaam van vleesch en beenderen, zóó tastbaar als dat van den mensch." „Er zijn vele goden."
„God zelf was eens wat wij nu zijn en is een mensch verheven op den troon van het Heelal."
Zóó leert de Mormoonsche Catechismus, (blz. 13, 19 , 20, enz.)
Alle menschen zijn de zonen en dochteren Gods, en Jezus is hun oudste broeder.
De eerste kiemen der goddelijke eigenschappen zijn in den mensch, en hebben beoefening, verbetering, ontwikkeling en volmaking noodig, om tot het toppunt der goddelijke menschheid te komen. Eens zullen zij goden zijn ; want zij zijn uit God. De drieëenige God heeft goden en godinnen voortgebracht, die samen weer zielen voortbrengen, waarvoor op aarde de lichamen geschapen worden. Er is zoowel een Moeder als Vader in den hemel. God zelf was eens, wat wij nu zijn. En wij zijn op weg om te worden wat God nu is. Die in het geloof leven zullen het worden.
Wonderlijk Godsbegrip ! Wonderlijke leer ook van den mensch ! De mensch heeft een voortbestaan gehad als geest, evenals Jezus. Deze geest is, doorde gewone wetten der voortteling, door God voortgebracht. In de hemelsche woningen is hij geboren en opgegroeid.
Geesten, die zich goed gedragen, krijgen toestemming om af te dalen in vleeschelijke tabernakelen ; en zoo is het zijn als mensch op aarde dus een bevordering en een middel. om tot hoogere ontwikkeling te komen. Om
God te worden ; met alle macht bekleed. En men maakt de meeste kans om als God op te treden en een nieuwe wereld te bevolken, als men vele vrouwen en kinderen heeft. Jozef Smith is nu reeds God !
Dat er bij deze Godsbeschouwing van de deugden Gods niet veel terecht komt, is te begrijpen. Wel praat men over de alomtegen woordigheid en de alwetendheid Gods Maar wat men er onder verstaat is héél iets anders, dan wij er onder verstaan naar uitwijzen van Gods Woord. Als de Mormoon b.v. zegt dat God alwetend is, dan bedoelt hij, dat God engelen en dienaren heeft, die Hem voortdurend met elk deel der schepping op de hoogte houden en Hij zelf persoonlijk eenig deel der schepping kan bezoeken, als Hij zulks verkiest.
God is dus in alles afhankelijk van anderen !
Dat de Vader, de eerste persoon van het Goddelijk Wezen, een lichaam heeft, leiden zij af uit de menschheid van Christus. Deze toch, zoo redeneert de Mormoon, heet het Afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uit gedrukte beeld Zijner zelfstandigheid en wordt herhaaldelijk genoemd het Beeld Gods (Hebr. 1 vers 3 ; Col. 1 vers 15 ; 2 Cor. 4 vers 4). En waar Christus nu een mensch was als wij, volgt hier uit, dat God als de mensch een lichaam moet bezitten en dat de Vader feitelijk 'n volmaakt mensch is.
Deze schrikkelijke Godsbeschouwing is de vruchtbare moeder van tal van gruwelijke dwalingen. Waar men God van den troon stoot, randt men natuurlijk ook Gods heilig Woord aan. Doch (daarover de volgende week. (Wordt vervolgd.)
Toch heel vriendelijkI. In het „Doet. Weekblad" dat tevens tot orgaan dient der Chr. Philantropische Inrich tingen te Doetinchem, schrijft ds. J. Groeneweg, directeur van de stichtingen van ds. Van Dijk, een stukje om te gedenken, dat ds. N. P. E. G. van Uchelen te Hilversum dezer dagen zijn 25-jarig ambtsjubileum mocht vieren. En in dat stukje komt dan deze passage voor :
„'k Heb het altijd in ds. Van Uchelen gewaardeerd dat hij een ruim hart blijkt te hebben en dus ook dragen kan, dat er in zijne Gemeente velen zijn, die zonder den band met de Kerk te willen breken, des Zondags gewoonlijk naar het bekende Evangelisatiegebouw gaan.
'k Weet dat dit voor de predikanten een teer punt is en blijft, maar de jubilaris heeft er mij zoover ik weet, nog nooit onvriendelijk om aangezien, dat ik ook wel eens in dien Evangelisatiekring predik. Wij staan dan trouwens niet tegenover elkaar, maar naast elkaar.
Ten slotte gaat het er toch maar om, dat Gods Koninkrijk komt, het Koninkrijk waarin gelukkig voor menschen met verschillende mentaliteit wel plaats is.
En gelukkig de voorgangers in dezen tijd, die hoog genoeg blijken te staan om de belangen van dat Koninkrijk boven die van een of andere Kerk te laten gelden, 'k Geloof dat ds. Van Uchelen tot hen behoort en daarom heb ik mij temeer in zijn feestviering kunnen verblijden."
Dat is toch heel vriendelijk, nietwaar ? Ds. Groeneweg gaat in de Ethische Evangelisatie preeken, terwijl ds. Van Uchelen in de Kerk het Woord bedient. En dan wordt dat op een feestdag wat goedgepraat door te zeggen : gij hebt wat andere „inzichten" dan ik, maar ik weet dat Gij hoog genoeg staat om het Koninkrijk Gods hooger te stellen dan de Kerk, en daarom kunnen we 's Zondags ook gerust naast elkaar optreden.
Wordt hier niet wat gespeeld met de woorden „Gods Koninkrijk" en „de Kerk" ?
Wordt hier „de belijdenis" niet ingewisseld voor „inzichten" die iemand heeft ? Wordt hier niet getooverd met de woorden „tegenover" en „naast" elkaar staan ?
In elk geval is het Kerkbegrip weg in deze „ethische" redeneering.
En we zijn wel benieuwd, of er b.v. over de mannen van den Geref. Bond, die ook wel eens hier of daar in een „Evangelisatie" (geen ethische) optreden, even vriendelijk geoordeeld wordt, als ds. Groeneweg hier zichzelf vriendelijk verontschuldigt !
Want de mentaliteit, ziet U ......
Rottevalle.
Nooit van gehoord, misschien ? Nu, het is een gemeente in Friesland, in de Classis Leeuwarden.
Dr. Niemeyer heeft pas een blijden dag gehad door Rottevalle. Want daar was „kerkeraad" ; een orthodoxe kerkeraad. En er is ook een orthodox predikant geweest (nu is de gemeente vacant). Maar de vrijzinnigen hebben gemaakt, dat er voortaan „kiescollege" zal zijn. En nu hebben de vrijzinnigen hoop op een vrijzinnig kiescollege ; en straks een vrijzinnig predikant.
Dat deed dr. Niemeyer in het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden kraaien van plezier !
Nu lezen we in de N.R. Ct. van Vrijdag 18 Maart j.l. het volgende berichtje :
„De vacante Ned. Herv. Gemeente Rottevalle (Classis Leeuwarden), kan geen beroep uitbrengen, daar aan het vereischte minimum-predikantstractement ƒ 1000.— ontbreekt. Waarschijnlijk zou de zaak tot een goed einde zijn gebracht, indien de predikantsberoeping bij den kerkeraad, die orthodox is, was gebleven. Genoemd recht is bij de tienjaarlijksche stemming echter overgegaan op de stemgerechtigden. Reeds was het ontbrekende bedrag bijna .geheel toegezegd, indien een orthodox predikant werd beroepen. Daar de meerderheid der stemgerechtigden vrijzinnig is, zal de vacature nu waarschijnlijk van langen duur zijn. Reeds wordt in deze gemeente een kleine hoofdelijke omslag geheven. Weinig lust schijnt echter te bestaan onder de gegeven omstandigheden dezen met het voor het predikantstractement ontbrekende bedrag te verhoogen."
We willen zoo'n bericht niet al te hoog aanslaan. Want misschien is er nog wel een of andere liberale boer die er een ƒ 25.— voor over heeft, om die „fijnen" eens dwars te zitten en die een poging om 'n moderne dominé te krijgen wel wil helpen steunen door een royale toezegging. Natuurlijk niet om dan in de Kerk te komen. Maar om die „fijnen" eens lekker dwars te zitten !
Toch teekent zoo'n bericht in zoo'n betrouwbaar" blad als de N.R. Ct. Want dat is toch maar niet het eerste het beste schimpblaadje van deze of gene orthodoxe vereeniging of bond.
Wat is het modernisme toch arm en futloos !
Opnieuw moet het worden geconstateerd.
Sliedrecht.
In Sliedrecht is bij de laatst gehouden 10-jaarlijksche stemming over de vraag : Kerkeraad — Kiescollege ? uitgemaakt — al was 't op 't nippertje ! — dat voortaan het beroepings-en benoemingswerk door een Kiescollege zal geschieden, 't Was Kerkeraad.
Daarover verheugen we ons ten zeerste. Want nu deelt daar het modernisme de lakens uit. In den Kerkeraad zitten alleen moderne mannen. En wel beroept men een rechtzinnig predikant (één van de twee), maar dat is, omdat men anders heelemaal aan den grond vaart. Zóó futloos is het modernisme nu eenmaal. Met veel lawaai en heel autocratisch kan men soms hier of daar een of meer moderne dominees binnen halen, maar o, wee het kerkelijk leven dan. 't Is de dood in den pot. Daarom hebben ze ook in Sliedrecht altijd naast den modernen dominé een rechtzinnigen gehad. En dan is er verder de Evangelisatie, waar men saamkomt, als de rechtzinnige predikant geen dienst in de Kerk heeft.
Nu kon het wel eens anders worden in Sliedrecht, nu er een Kiescollege is. Misschien dadelijk al. Maar zoo dat niet aanstonds het geval is, dan toch in den loop der jaren wel.
Laten de orthodoxen elkaar zoeken daar en saam een aanval doen.
Want natuurlijk als er z.g.n. ethischen zijn, die zeggen : „dan nog liever een moderne dan een confessioneel of gereformeerde" — dan zouden die den boel wel kunnen bederven. Althans in 't begin. Daarom hopen we, dat alles wat rechtzinnig is en voelt voor onze belijdenis zich daar vereenigt, om saam op te komen voor de belangen van onze Herv. Kerk !
Dat zou, onder Gods zegen, nog een verblijdend resultaat kunnen geven.
De Naam HEERE.
Namen zijn middelen om personen en zaken van elkaar te onderscheiden. Als er meer dan één stad is, moeten die steden onderscheidene namen dragen, om te weten, welke stad men bedoelt; evenzoo als er meer dan één kind is, kunnen we niet volstaan met te spreken van „het" kind, maar moeten de kinderen onderscheidene namen hebben.
Daartoe is het nu niet noodig dat de Heere namen heeft; want Hij is een eenig God. Hij heeft niemand Hem gelijk.
Er is dan ook niet een God, die Almachtig is èn een God die Liefde is èn een God die de Getrouwe is. Er is maar één God. De heidenen onderscheiden meer dan één God : Jupiter, Baal, Moloch, Bacchus, Pluto, enz. enz. Wij hebben maar één God, en wel de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
Maar de Heere heeft Zich namen gegeven om Zich daardoor aan ons bekend te maken , alsmede om ons daardoor in staat te stellen Hem te kunnen noemen op gepaste wijze en in onderscheiding van de afgoden.
De namen Gods zijn dan ook geen bloote klanken.
Ze zijn ook niet door menschen uitgevonden.
Neen, ze zijn door God Zelf alzoo genoemd en hebben de heerlijkste beteekenissen. Daardoor drukken zij ook uit Wie en wat Hij is en zijn zij op e n b a r i n g e n van Z ij n Wezen.
Tot de Goddelijke namen der Oude Bedeeling behoort vooreerst de naam Jehova (Jahve), die in onze Bijbels weergegeven wordt door „Heere" en dan altijd in kapitale letters : HEERE.
Dat is dus geen liefhebberij van sommige predikanten om HEERE te schrijven. Maar dat is; om dien naam Jehova te vertolken zooals het behoort.
De beteekenis van dezen naam Jehova of HEERE wordt door God Zelf gegeven in Ex. 3 vers 14 als : „Ik zal zijn, die Ik zijn zal." De Heere openbaart Zich dus met dien naam als de O n v e r a n d e r 1 ij k e, de Getrouwe, en daf, zooals uit de volgende verzen van Ex. 13 blijkt, als de God des Verbonds met de Vaderen.
Jehova of HEERE is dan ook Zijn Verbondsnaam.
Zelf verklaart Hij, dat Hij als Jehova Zijn Verbondstrouw zal toonen, zooals de Vaderen die niet gezien hadden.
Hij zou de vorige dingen overtreffen in Zijn wondere leiding met Zijn volk, in Mozes dagen. Hij zou zich de Verbonds-God toonen, door Israël uit Egypte te verlossen en Zijn volk te brengen in het land, dat Hij Abraham had toegezegd voor zijn zaad.
Jehova of HEERE is dus een naam van de rijkste beteekenis voor het bondsvolk. Maleachi 3 vers 6 : „Want Ik, de HEERE, word niet veranderd ; daarom zijt gij, o kinderen Jacobs niet verteerd."
't Is de naam, die te verstaan geeft, hoe veilig dat volk is, dat op Hem vertrouwt en hoe het volk, dat Hij Zich heeft aangenomen als Zijn volk, van Hem alles goeds kan verwachten. Ps. 9 vers 11 „En die Uwen Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken."
Spr. 18 vers 10 „De Naam des HEEREN is een sterke toren ; de rechtvaardige zal daarhenen loopen en in een hoog vertrek gesteld worden."
Treffend wisten dan ook de geloovigen des Ouden Testaments op dien naam HEERE te pleiten en hun bede was met Psalm 33 vers 22, „Uwe goedertierenheid, HEERE, zij over ons ; gelijk als wij op U hopen."
Minder toeschietelijk.
In Oudshoorn (Z.-H.) had het bestuur der Ned. Herv. Evangelisatie op Geref. grondslag aan den modernen kerkeraad het verzoek gericht 4 maal per jaar gebruik te mogen maken van het Hervormd kerkgebouw voor Avondmaalsviering en Doopsbediening, in welke beurten dan zou voorgaan ds. Beekenkamp, uit Leiden, die geregeld elke week' een dag in Oudshoorn doorbrengt tot het houden van de catechisaties en het bezoeken van Gemeenteleden.
Men zou zeggen : de modernen moesten zoo'n verzoek inwilligen. Ze zijn nog al ruim van standpunt, breed in verdraagzaamheid en mild in het weldoen.
Ook wisten ze nu, dat een geordend Hervormd predikant de diensten zou waarnemen.
Dan kon een zeer groot deel van de Hervormde Gemeente, en niet het minst belangstellende, ook nog weer eens opgaan naar het Huis des Heeren, waar Gods Woord op den kansel ligt en onze vaderen gewoon waren rondom dat Woord te vergaderen.
Maar neen ! 't Mocht niet gebeuren. Eerst probeerde de plaatselijke predikant een slimmigheidje vol domheid. Want hij schreef aan het bestuur, of men niet kon maken, dat ds. Beekenkamp die 4 beurten te Leiden — 4 morgenbeurten nog wel — aan den modernen dominé van Oudshoorn afstond ; dan zou de bespreking van het voorstel in den kerkeraad makkelijker vallen !
Wat dom toch. Wat heeft het bestuur der Evangelisatie te Oudshoorn nu ter wereld te zeggen, over de morgenbeurten in Leiden ?
Immers niets I En toen dat geschreven werd, kwam per keerende post een weigerend antwoord.
De besprekingen in den kerkeraad liepen toen ineens héél vlug.
De deur van het Hervormd kerkgebouw is voor den neus van de rechtzinnigen dicht geworpen.
De modernen met hun breed standpunt maken wel een treurig figuur !
En intusschen wordt de Christus der Schriften geloochend — waartegenover de Evangelisatie in Gods kracht een dam wil trachten op te werpen, om alzoo het Evangelie des kruises te verkondigen overeenkomstig Schrift en belijdenis.
Volkszonden uit vroeger dagen.
Niet zelden zegt men, wanneer het gaat om weer te komen tot herstel van de gereformeerde wijze van kerkregeering, dat het vroeger ook niet alles was ; dat het vroeger zoo in-treurig gesteld was en dat dus die gereformeerde wijze van kerkregeering ook al niet deugt, niet bruikbaar is en dus ook maar niet weer terug moet komen.
Hoe onbillijk dit vervvijt aan de kerkelijke organisatie onzer Geref. Vaderen is, voelt men, als men zich op de hoogte gaat stellen van het volksleven in de 16de en 17de eeuw en als men eens nagaat hoe het toen algemeen stond met de volksgewoonten en de volkszonden, bizonderlijk met de dronkenschap. Wat was heel het burgerlijk leven gansch en gansch anders dan nu ! Wat ook terugsloeg op het kerkelijk leven en uitkwam onder kerkelijke personen. En neen ! niet de Gereformeerde wijze van kerkregeering moet men verwijten maken. Men moet meer zich de werkelijke toestanden des levens voor den geest roepen. Dan zal men, als er van schuld sprake is, z'n beschuldiging aan een ander adres moeten richten, dan aan de presbyteriale wijze van regeering onzer aloude Geref. Kerk.
Uit een geschrift van prof. Knappert over het godsdienstig en zedelijk leven onzer Vaderen, dat we , toevallig" dezer dagen weer eens in handen kregen, willen we hier een en ander mededeelen.
Onze naam was gevestigd als een volk van dronkaards. Spaansche hovelingen in 't paleis van Keizer Karel V te Brussel plachten te spotten, dat de Christenheid door een dronken natie geregeerd werd : want de keizer was uit Gent, de paus uit Utrecht en de onderkoning van Napels, een Nederlander!
Tal van rijmen en spreekwoorden bewaren den roep van overmatig drinken, waarin Duitschers en Nederlanders stonden.
Het dronken zijn tijdens de uitoefening van het ambt was algemeen. Bij het ketteronderzoek waren beul en beulsknechten dronken. Maar ook de rechters leidden het onderzoek terwijl ze beschonken waren. Amelis van Amstel van Mijnden, raadsheer in het hof van Gelderiand, ondervraagt Arnhemsche beeldstormers „wijl beschenckt sijnde" (terwijl hij dronken was). Een aanzienlijk kettermeester als Lindanus was dronken toen hij Jacques d' Auchy moest onderzoeken. En de rechters van den martelaar Huibert Selcaert f 12 November 1542 waren beschonken.
't Zelfde trekt in die dagen bij de geestelijkheid de aandacht. Niet alleen, dat zij wel eens te veel dronken, maar dat zoovelen het heilig dienstwerk in dronkenschap verrichtten. Priesters die zich aan drank te buiten gingen tegen dat zij dienst zouden doen ; priesters zelfs, die half ontnuchterd, de metten met talrijke weglatingen lazen, ja, biecht vaders, die in dronkenschap het biechtgeheim schonden.
En in de tweede .helft van de 16de eeuw werd dat niet beter. Dit toonen o.a. de verslagen van Kerkvisitatiën in het bisdom Utrecht met treurige duidelijkheid.
Het zitten van den dorpspastoor in de taveerne onder het gelag tot in den vroegen morgen, om dan, bij het aanbreken van den dag langs 's Heeren wegen huiswaarts te strompelen, dat is zóó algemeen, dat niemand het schijnt te veroordeelen.
Maar wel zéér erg is het, dat geestelijken tot na middernacht in de herberg zittend, door dobbelsteenen aanwijzen wie de vroeg mis celebreeren zal ; of dat zij dronken op het koor komen en onder den dienst gekheid maken.
Er was geen veroordeeling van onmatigheid in het algemeen, dus óók niet van geestelijken, die er zich aan schuldig maakten. Nicolaas van Nieuwland, bisschop van Haarlem, werd in de wandeling „Dronken Klaasje" genoemd. Philips van Bourgondië, bisschop van Utrecht, overleed in 1524 aan eene in dronkenschap gevatte kou. Dr. Joh. Eck, Luthers geleerden tegenstander, viel eens te Straatsburg in dronkenschap van het paard en werd door een Turkschen dienaar op de been geholpen, onder gelach dei omstanders, die zeiden, dat de steunpilaar der Kerk door den Turk moest worden gestut.
Helaas ! moet worden geconstateerd, dat de predikanten der publieke. Gereformeerde Kerk veelszins in het oude spoor gingen. De kerkhervorming was niet tegelijk een zedenreformatie, althans zij gaf niet een algemeenen ommekeer in gebruiken en gewoonten. Zoo min bij ons als buiten onze grenzen.
Over brasserijen in het Luthersche Saksen en Thüringen bij gelegenheid van kerkelijke feesten wordt ons een donker tafereel opgehangen door een schrijver, die de schuld ervan bij de Lutherschen zoekt. Ten onrechte ! De oorzaak was, dat men drinken overal als een noodige en onvermijdelijke zaak beschouwde. Het hoorde er zoo bij !
Desgelijks ten onzent. En de Gereformeerde predikanten gingen niet zelden met den stroom mee. Provinciale, Classicale en Kerkeraadsacta zijn verbijsterend vol van gevallen van dronkenschap en allerlei kwaad dat daarmee samenhangt, juist als bij de pastoors. En de kerkelijke colleges betracht
ten de uiterste langmoedigheid, omdat zij geen krachtige openbare meening achter zich hadden. Er werden wel strenge bepalingen gemaakt, maar niet nagekomen, tegen 'n kwaad dat wel onuitroeibaar scheen. Teekenend is de procedure tegen ds. H. Swartenius te Erichem in de Classis Buren, die „met dronkenschap, vechten en smijten, op merckten, in velden, herbergen ende wegen, ende dat tegen persoonen van allerlei religie, oock van staat, hem seer verloopt" De zaak begint in 1628 ; in 1633 blijkt dat , de verdraechsaemheyt der classis 't herte Swartenii niet vermorwt hadde" ; in 1634 wordt de „sententie van deportement gheformeert" ; zijn onslag volgt.
Onder de hoogleeraren was 't zelfde. Joh. Wubbema, professor te Franeker, valt in zijn dronkenschap een ambtgenoot met 't bloote mes aan. De professoren J. A. Tronchin en Nic. Blancardus staan als dronkaards bekend. Prof. Ev. Bronchorst (1587—1627), een geleerd en veelszins voortreffelijk man, die bijkans 40 jaar met eere zijn katheder bezette en aller achting genoot, is drie dagen achtereen dronken na een maaltijd op 9 Dec. 1593. En 16 Dec. 1607 ging het bij het terugkeeren van een promotie-partij zóó woest toe, dat een student aan zijn zijde door de stadssoldaten werd neergelegd — en zelf werd hij in de wacht gesleept !
Prof. Domin. Baudius, hoogleeraar in de geschiedenis, was te Leiden om zijn leven berucht en het onderwerp van tallooze akelige grappen, waarbij wijntje en trijntje in het geding kwamen.
Desgelijks stond het in de 18de eeuw met prof. Joh. Ens, hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Utrecht (1720—1732) en S. H. Manger te Franeker. Natuurlijk trekken we niet het besluit, dat onze Vaderen allen dergelijke dronkaard. waren. Gelukkig was dat niet het geval. Maar wel wordt door deze en meer dingen, duidelijk, dat zij in eene wereld leefden waar dronkenschap gewoon was en niet voor buitengewoon ergerlijk gehouden werd
Bij schuttersmaaltijd of schildersfeest, bij bisschopswijding of burgemeesters-installatie werd de drinkhoorn geheven en eere aan hem, die hem in één teug „uitvagen" kon. Goed drinken was naar de schatting van het volk een kunst, een glorie. Wie daarbij het veld behield en de tegenpartij van de bank dronk werd gevierd als bij den edelsten wedstrijd !
Hoe diep de gewoonte geworteld was in den kloeken dronk uit den reuzemdrinkhoorn iets manhaftigs te zien, dat leere ons de toch ingetogen tweeling-schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken, die, als ze den goeden, ouden tijd prijzen, eene tegenstelling maken tusschen onze breedgeschouderde voorouders, die zich met luister van de bank dronken en die akelige petit maitres, die „het spitse mondje zetten aan een fijn likeurtje."
Het gansche leven was vroeger van beker vergezeld.
Het begon bij de geboortemalen, het eindigde bij de begrafenis. Ook werd de route afgelegd met een dronk !
Er was geen gelegenheid, waarbij de volle beker niet geboden en geledigd werd
't Was veelszins zooals de schilderij „Vroolijk gezelschap" van Jan Steen (162{ —1679) te aanschouwen geeft.
Wie het heeft over de dagen van Voetius (1634—1676), Brakel (1635—1711), Smytegelt (1665—1739), Hellenbroek (1658-1731), enz., heeft dus wel te bedenken in wat tijd deze Gereformeerde mannen leefden, hetwelk bij het lezen van hun predicatien ook wel te bemerken is.
En wie zich van de Geref. kerkregeering af wil maken, door te zeggen : „vroeger toen de Dordtsche Kerkorde gold was het óók niet alles zoo schitterend", leere eerlijk achtgeven op de tijdsomstandigheden en inplaats dat de presbyteriale kerkregeering als zoodanig kwaad heeft gewerkt of het kwaad heeft gestijfd, bekenne men, dat het toen voor onze Gereformeerde Vaderen zoo uiterst moeilijk werken was, waarbij juist door kerkelijke behandeling der dingen niet zelden iets goeds is teweeggebracht.
Helaas ! is het verval doorgegaan en de verslapping gekomen om te eindigen in de ellende van de dagen van de Fransche Relvolutie en de dagen van de Kerkelijke organisatie van 1816.
Is er in onze dagen nu te klagen; te klagen over véél — de Heere geeft ons toch ook te ervaren, dat veel ten opzichte van het volksleven is verbeterd, al is 't volstrekt niet alles goud wat er blinkt
En wanneer nu de Gereformeerde Kerk hare eigen, gereformeerde wijze van Kerkregeering mocht terugkrijgen, zou dat voor Kerk en volk tot een onberekenbaren zegen kunnen zijn, onder de gunste Gods.
Dan zou zij meer in kracht kunnen toenemen en als een licht staan op een kandelaar, tot heil des volks.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's