Stichtelijke overdenking.
„Eer zij roepen zal Ik antwoorden, terwijl zij spreken, zoo zal Ik hooren." Mare. 16:6—9.
HIJ IS OPGESTAAN.
Dit Schriftwoord wordt u vanzelf voor den geest geroepen, als ge u de geschiedenis der vrouwen ziet voorgelegd op den paaschmorgen.
Zij dachten den steen nog vóór de opening van het graf te vinden, en ziet, deze is reeds afgewenteld.
Maar nu doet zich iets voor, waarop ze niet hebben gerekend ; het graf is leeg.
Wat nu? Zou men het schandstuk dan toch hebben bestaan, dat men het lichaam van Christus ! laatste eer had misgund ?
Wat een schrikwekkende gedachte. Ze zijn binnen geen tijd de opening van ; grafspelonk binnengetreden.
Doch wat merken zij nu ? Daar zit ter rechterzijde een engel. Zij schrikken geweldig.
De hemelbode zoekt dadelijk de vreeze, welke hen bevangen heeft, weg te nemen.
„Zijt niet verbaasd", aldus de eerste klank der lippen.
Wat een liefelijke prediking. Wat zijn de hemelboden toch zacht en tegemoetkomend voor zoekende zielen. Zoo schrikwekkend hun komst is geweest voor de wachters, zoo liefdevol zijn ze voor de zoekende vrouwen.
Zou hier niet een aanwijzing zijn voor ieder, die in opdracht verkreeg zondaren voor te lichten omtrent de gangen des Heeren inzake het heil voor verloren schepselen?
Wat leven in de ziel verkreeg, is spoedig verschrikt. Daarom is maar o zoo weing noodig om een zoekenden zondaar of zondares in bangheid op de vlucht te drijven. Weet ge van wien dit alleen verwacht mag worden : enkel van den duivel en zijn trawanten.
Wie een boodschap van den hemel ontving, heeft toe te zien, dat hij de kleinen niet ergert Toch zou een woord van vermaning verdacht kunnen worden. Het was immers de derde dag, waarvan de Heere gesproken had, dat Hij opstaan zoude. Zij konden het dus weten dat het graf ledig moest zijn.
Evenwel is elke harde bejegening verre te zoeken. Zooals eene moeder haar kind, nauwelijks uit den slaap wakker geroepen, niet toespreekt dan op een zacht vermanende wijze, zoo hier de Godsgezant uit den hemel.
Geldt dit de zijde, welke zich keert naar de predikers, voor wie naar den Heere zoeken wordt hier al de teederheid des hemels uitgestald.
Wat was hier betrekkelijk weinig wetenschap van den Heere en Zijne werken. Wat weinig inzicht; toch is er niet één woord van verschrikking.
..Gij zoekt den Gekruiste", alzoo hun sprake.
Hij is hier niet. Hij is opgestaan. Het éenige wat zich laat aanwijzen is de plaats waar Hij gelegen heeft. Wel de doeken, doch niet Hij Zelf.
Ledige doeken in een ledig graf, met een engel daarbij, die haar henenwijst naar het pad, waar zij den Heere Zelven kunnen vinden. Kunt ge u één ding ter wereld denken, wat hiernaast mag worden gesteld ?
En toch kan nog niets worden gemerkt wat naar blijdschap henenwijst. Zij zouden veel en veel liever hebben heengebogen over een dooden Christus, dan dat zij van dezen Godsgezant een zoodanige boodschap 'beluisterden.
Wat voor conclusie moet nu hieruit worden getrokken ?
Weet gij het niet, lezer ? Mij dunkt, het kan geen andere zijn dan deze : wat is het toch noodig, dat zoekende zielen worden voorgelicht.
Wat kan er een krachtige levenskiem in het harte zijn gelegd en toch nog maar weinig inzicht zijn in de gangen des Heeren.
De discipelen zouden zich hebben verheugd in een dooden Christus, terwijl zij onthutst stonden en er niets van begrepen, dat het graf ledig kon zijn. Zij waren rijk en zij wisten het niet.
De eenige die hierin onderricht kon geven was de Heere Zelf. Hiermede is Hij nu bezig. Hij zond op den Paaschmorgen uit dienstknechten uit den hemel.
Doch thans gebruikt Hij uitsluitend daartoe Zijn discipelen op aarde. In beider lastbrief staat het zelfde te lezen : de Gekruiste is opgestaan. Die uwe ziele behoudt leeft. Hij doet niet anders dan in hun herinnering terugroepen wat Hij Zelf hun heeft gezegd. Let er maar eens op, het staat er aan het einde van de toespraak van den engel tot de vrouwen : „gelijk Hij ulieden gezegd heeft."
Van het Woord des Heeren wijken ook de engelen geen haarbreed.
Zij vertellen niet anders, dan wat hun Van Hooger Hand is overgereikt.
Zou ons hierin niet een duidelijke wenk worden gegeven, lezers ?
Wij kunnen niet meer gaan naar de plaats waar de Heere gelegen heeft. De doeken zijn sedert eeuwen aan de vergetelheid prijsgegeven, verteerd tot den laatsten vezel.
Alleen het Woord is gebleven. Tot den jongsten dag toe zal blijven gelden voor Christus Gemeente : „gelijk Hij ulieden gezegd heeft."
Is 't niet kenschetsend, dat de discipelen zoo moeielijk dit woord verstaan, zoo slecht vasthouden ?
Zou het nu anders zijn, lezers ? En toch wilde de Heere zich van zulke boodschappers bedienen. Het Evangelie voor zondaren moet door zondaren worden verbreid.
Doch geeft nu eens bizonderlijk acht. Uit de woordenkeus van den Engel valt iets te lee'ïen voor ons. Hij zegt tot de vrouwen : gaat heen en zegt 's Heeren discipelen en Petrus dat Hij hen voorgaat.
Wat laat zich nu hier opmerken ? Dat Petrus apart komt te staan. Hij krijgt dus een expresse boodschap thuis. Hij, die die zich had zoeken los te maken geheel, krijgt eene noodiging ook alleen.
„Zegt het Mijn discipelen en Petrus." Het is alsof de Heere Zijn wijd uitgestrekte armen nog verder uitbreidt. Zegt het aan allen, die Mij zoeken ; ja, zegt het ook aan hem, die trouwelooslijk zich van Mij heeft zoeken los te scheuren.
„En aan Petrus." Zijn hier ook niet zoodanige, zulke zondaren, die sedert een vorig Paaschfeest zich verder van den Heere hebben zoeken te verwijderen dan ooit, die bij de wereld hun thuis gezocht hebben en het, Gode zij dank, niet hebben gevonden ? Hoort gij het wel, wat de Heere hier laat uitdragen ?
„Zegt het aan Petrus." Wat zullen deze discipelinnen zich zonder eenig verwijl hebben gekweten van hun liefdevolle taak.
Toch is het niet waar. Ook dit woord des Heeren gaat haar voor bij. Geen enkele teleurstelling, wat de discipelen betreft, blijft ons gespaard. Zij hooren het ternauwernood.
O, die wondere gangen bij den mensch ! Als Absalom is gestorven, melden zich twee boodschappers tegelijk aan om het den ongelukkigen vader te vertellen.
Een vreeselijke boodschap, daarvoor bieden zich twee gelijk.
En als de Heere de liefelijkste tijding wil zien uitgedragen, dan, ja, wat staat er — gaat er niet één.
Zij vloden van het graf, beving en ontzetting had hen bevangen. Wilt gij precies weten wat er van terecht komt: „zij zeiden niemand iets , want zij waren bevreesd."
Niemand iets. Zal dit het slot zijn ? Zal het Paasch-evangelie dan door niemand worden beluisterd?
Als de Heere er Zelf niet voor gezorgd had, ja.
Maar nu. Zien de discipelen den Heere niet. Hij ziet hen wél. Als zij door angst en beving zich wegmaken van die plaats, volgt de Heere haar op den voet.
Als ik u de werkelijkheid eens zóó mag voorstellen.
De discipelinnen vluchten weg, doch ziet, één blijft spoedig achter. Wanneer ge haar gevraagd zoudt hebben waarom zij dat deed zou zij zeer waarschijnlijk geen antwoord hebben geweten. Wij weten het evenwel zeer goed ; de Heere hield haar staande, de verborgen koorden Zijner liefde lieten het niet toe, zich verder van het graf te verwijderen. Immers hier zou de Heere Zich aan haar Zelf openbaren.
Daar hebt gij 't nu. Hier staan in ons verhaal twee namen apart vermeld. Den eersten hebben wij u zooeven reeds genoemd, d.i. Petrus, die den Heere verloochend heeft. De tweede brengt niet minder teekening aan.
Met deze discipelin had de satan een keer mogen doen schier wat hij wilde. Toen waren er zeven duivelen in haar. Ge moogt zeggen ; men vond schier haar gelijke niet. Doch uit de zondemacht had de Heere haar ontslagen. Zij behoorde tot de verlosten.
Nu vat ge het, waarom zij zoo in de voorste rij wordt vermeld. Zij heeft aan den Heere zoo alles te danken. Zij is met zulk een liefdeband aan Hem verbonden. Van haar matelooze droefenis.
Petrus en Maria zijn de eerste twee, aan wie de Heere Zich na Zijn opstanding openbaart.
Hebt gij de noodiging, hierin verscholen, al opgemerkt, lezer?
Zou het op dit Paaschfeest nog niet net zoo zijn als op het eerste ?
Heel Jeruzalem ligt te slapen. De wereld in haar breede lagen laat zich met den Gekruiste en thans Verrezene niet in.
De groote schare zegt het den ongeloovigen dichter na : „de blijde boodschap ken ik wel maar ach, het geloof ontbreekt me".
Dit is nog de meest zachte vorm. Verreweg de meesten weten van de blijde boodschap niet meer af. Nu zijn er toch ook nog discipelen en discipelinnen, die naar den Heere zoeken. Van hen geldt: „ik weet, dat gij zoekt den Christus, den Gekruiste."
Zij zouden zoo gaarne eens meerder vastheid hebben omtrent het heil in Christus geopenbaard. Zij twijfelen niet aangaande den Christus. Maar het is bij hen als bij de vrouwen ; 't is nog zoo donker en zoo ledig. Als de Heere ook hen mocht antwoorden.
Geliefden. Gij zult u moeten buigen voor het Woord. De Gekruiste en Verrezene wordt alleen met armen des geloofs omvangen. En ziet, nu heeft het Paasch-evangelie zulk een rijke vertroosting in. Aan degenen, aan wie het meeste wordt kwijtgescholden, de grootsten der zondaren, komt de Heere zich het eerste openbaren.
Het is alsof ik de hand des Heeren zich zie uitstrekken naar dolendeen schreiende Maria's. Vlucht niet verder de donkere wereld in. Verwijdert u niet ver van het graf.
Staat in den geest op den afgewentelden steen en zegt: „Heere, openbaar U aan mij in Uwe lichtende glanzen, Spreek één woord Noem mij weer „Maria" en ik zal zeggen : „Rabbouni."
Tot de dolende jongeren strekt de Heere de andere hand uit even ver. Zegt het ook aan Petrus, dat Ik hem zoek. Hij moet weten dat Ik hem alles vergeven heb. Ik zal hem nimmer iets verwijten. Het handschrift zijner zonde zit vast. Met vaste hand is het vastgeklonken op het kruis.
Dat Ik verrezen ben is om hem en alle verlegen zondaren te toonen, dat eeuwige gerechtigheid en zaligheid is verworven voor verlorenen.
Draagt deze boodschap uit. Dat ieder het beluistere : de Heere leeft. Hij troont boven deze wereld uit. Al is het hier donker en duister. Zijne boodschappers dragen voor een deel hier reeds het witte kleed. Let maar eens op de Engelen. Straks verkrijgen ze het allen, ook die hier nog in het zwart zijn getooid.
De Heere is de Zijnen voorgegaan. Zij mogen getroost hun weg reizen, pleitende op het woord : „Ik leef, en gij zult leven, "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's