De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag

13 minuten leestijd

Velsag van de 16de Jaarvergadeting van den gereformeerden Bond op Donderdag 17 Maart 1921, gehouden te Utrecht.

I.

Onze jaarvergadering werd ditmaal gehouden onder bijzondere belangstelling.

Mog maar zelden is het zeker voorgekomen, dat zoowel onze middag-als onze morgen-vergadering zóó tot tiet einde toe bezet waren.

Wellicht hebben zoowel de keuze van het onderwerp van het referaat als de punten die voor de middagvergadering aan de orde waren, het hunne daartoe bijgedragen.

Nu is 'het geenszins onze bedoeling om iets af te dingen van de belangrijkheid van hetgeen 's middags behandeld werd, maar toch meenen we te mogen zeggen dat de morgenvergadering ook ditmaal weer de hoofdschotel was en dat het referaat van ds. Van der Snoek de betoonde belangstelling dubbel waardig was.

Op tijd werd de vergadering door onzen voorzitter geopend met het doen zingen van psalm 145 vers 2, het voorlezen van Psalm 122 en 123, en gebed.

Hierop spreekt de voorzitter in zijn inleidend woord als volgt: De mensch voelt zich niet gelukkig ! Zeker! de mensch weet veel, vermag veel. Wónder veel zelfs. Toch voelt de mensch zich niet gelukkig. En hij voelt bij tijden, dat hij zoo weinig weet ; dat hij zoo weinig vermag ; dat hij zoo klein, zoo nietig, zoo zwak is — en dat het leven niet beantwoordt aan het doel, dat het leven niet geeft wat de mensch noodig heeft, om gelukkig Ie zijn.

Er zijn zooveel raadselen. En daar weet de mensch geen weg mee. En dat bewijst, dat de mensch zoo klein is.

Dat is een heel stuk voor den mensch, om Ie bekennen, dat hij klein is ; dat hij niets weet en niets vermag.

En dat is toch in werkelijkheid het geval. Dat werkt pessimisme, zwartgalligheid. Dat maakt moedeloos, lusteloos. Dat maakt, dat de mensch gaat zeggen : er is tegen het noodlot niet te strijden ; 't beste is, zich stil te onderwerpen en al lijdende hoelangs hoe meer af te leeren iets te hopen, om tenslotte hopeloos te sterven en in te gaan in het donkere graf, waar men slapen kan, lang en rustig, in eeuwige vergetelheid.

„!k ben zoo moe van het vragen en ik l'en zoo moe van het klaigen •— mijn ziel is moe " dat is de grondtoon van zoo menig hart; dat is het thema van zoo menige belijdenis.

't Boeddhisme uit het Oosten reikt hier de hand aan het pessimisme van het Westen.

Eigenlijk is het de klacht van den ouden Griekschen dichter : „waarom hebt gij ook de slechtste wereld geschapen, die gij kondt uitdenken, o God" — om er dan op te laten volgen : 't beste en het begeerlijkste is, om zoo spoedig mogelijk te sterven en deze ongelukkige wereld te verlaten."

De menschen hebben wel gelijk, dat de wereld zoo ongelukkig is ; dat het leven zoo vol raadselen is ; dat des menschen bestaan als het uitnemendste voortbrengt moeite en verdriet.

't Zijn kapellen, 't zijn vlinders die men najaagt, schoon en veelkleurig. Men grijpt er naar. En men vangt ze niet. En als men ze vangt, dan worden de kleuren uitgewischt door onze aanraking, dan is de vlinder niet mooi meer en onze vingers zijn vuil — en 't beestje, dat pas zoo vroolijk vloog en ons boeide door schoonheid, sterft gehavend en wordt door ons onder den voet vertrapt.

Ja —men heeft wel gelijk, dat het leven tegen valt. Dat er zooveel teleurstelling is. 't Is als een kaars, die brandend kleiner vviordt en tenslotte walmend uitgaat, met onaangename, benauwende dampen.

Maar men heeft niet gelijk, als - men de vuist balt tegen den hemel ; als men de hand opheft tegen God.

Men heeft niet gelijk, wanneer men zegt dat het Gods schuld is ; en dat het ónze roeping is, om daarbij lijdelijk stil te zijn en zoo spoedig mogelijk te sterven.

Neen ! dan vergist men zich. Dan wil men het levensprobleem oplossen, met een wijsheid, die dwaasheid en zonde is. Met een wijsheid, die de ellende grooter maakt ; die ze eeuwig doet voortduren.

Men heeft wèl gelijk, dat men staat voor de moeilijkste raadselen ; dat men heeft te zuchten onder tijden ; dat men heeft te worstelen met veel strijd en smart.

Maar men heeft ongelijk, als men zegt : er is geen oplossing.

Want ja, de oplossing is moeilijk ; de oplossing is een geheim — maar niet een geheim van Egyptische toovenaars, die waanwijs boven de menigte gingen staan, of van Oostersche sterrewichelaars, die arglistig de menschen bedrogen. Neen ! de oplossing is een geheim, dat God wil leeren, de levende God, aan allen, die Hem vreezen.

De ellende is, omdat men losgescheurd is van God De ellende is, omdat men God kwijt is ; omdat men Hem kwijt geraakt is door de zonde en overtreding en sinds als een balling ronddoolt in een vreemd land. En nu worstelt en strijdt men wel. Nu zucht en klaagt men wel. Maar men zoekt de oorzaak van de ellende niet daar, waar de oorzaak ligt — terwijl de Heere in Zijn wondere genade nog genezing wil geven als de breuk' wordt gevoeld en met schulderkentenis beleden.

Men is God kwijt. En nu moet men weer met God in aanraking komen. Men moet God weer terug vinden. Men moet Gods omgang weer gaan ervaren. En dan is het opgelost. Dan kan men leven. Dan kan men leven, óók te midden van den strijd en de worsteling ; ook temidden van de ellende en de smart.

En dan wil men de vleugels van het leven breed uitslaan, om ook anderen te zeggen, hoe ze leven kunnen, om ook anderen toe te roepen : „bij den Heere is de levensbron. Zijn licht doet, klaarder dan de zon, u het heuglijkst licht aanschouwen."

Als God gevonden wordt, gaat het licht op. Dan vloeit de fontein des levens. „In Uw licht, zien we het licht" belijdt Sion. En alles wat tot leven en tot zaligheid is komt voor de ziele, die 'God gevonden heeft, in C h r i s t u s te liggen, in Wien de Vader zich geopenbaard heeft, om met een gevallen wereld gemeenschap te kunnen hebben en een ellendig zondaarsvolk zaligheid te schenken.

In Christus juicht Sion : Immanuël, God met ons !

Want wie Christus vindt, vindt God, in den weg der verzoening. Wie Christus vindt, sterft zelf, om op te staan tot een nieuw leven, overwinnaar zijnde voor tijd en eeuwigheid, in Hem die dood is geweest maar nu leeft en zit aan de rechterhand des Vaders. Ook geloovende, dat die Christus door God gezalfd is over den berg Zijner heiligheid, om straks te heerschen als Sions Koning van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde.

Dat is de jubel des geloofs tusschen den klaagzang der wereld.

Of het leven dan niet moeilijk meer is ? Of de aarde dan omgetooverd wordt in een paradijs ?

De wrange vruchten van de zonde zijn en blijven. Ook bij de geloovigen. Overal waar menschen wonen. Overal, waar het Woord des Heeren de aarde geslagen heeft met Zijn rechtvaardig maar vreeselijk vonnis, om uit haar vervloekten schoot distelen en doornen voort te brengen.

Daarom zullen de klachten blijven ; de raadselen des levens zullen blijven benauwen. Maar er is een lichtbron. Er is verlossing. Er is zaligheid en vrede, voor een iegelijk, die Jezus Christus mag leeren kennen in den weg des geloofs. Daarom moet Christus verkondigd worden

Christus — om te zeggen, dat Hij het is, die kwam om te troosten, om te redden, om te verzoenen met God, om zaligheid, ieven, kracht, vreugde en sterkte te geven, een iegelijk die in Hem gelooft.

Daartoe is Sion geroepen, om een verkondigster te zijn van deze goede boodschap. Van de hoogten der bergen van Gods gerechtigheid en genade is deze blijde tijding komende, dat in Jezus Christus verzoening is voor een in ziohzelf verloren volk. En de Kerk van Christus heeft dat heil te verkondigen met luide stemme.

Bizonderlijk nu, nu de wereld bloedt uit duizend wonden. Nu de stelsels der wijzen dezer wereld schipbreuk geleden hebben op de wateren der levenszee die koken en bruisen, het wrakhout wegslingerend, heinde en vèr.

Nu heeft de wereld, de ongelukkige wereld behoefte aan mannen ais Henoch, die wandelde met God; aan mannen als Noach, die een prediker der gerechtigheid was, honderd twintig jaar lang ; aan mannen als Jozef, die zeggen : zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God ; aan mannen als Elia, die zeggen, dat allen die het Woord Gods verwerpen dood en verderf over zich halen — aan mannen als Job, die op den aschhoop zijn geloofsbelijdenis uitjubelt, zeggende : ik weet, mijn Verlosser leeft !

Waar de Ezau's sIurpen van dat roode, dat roode ; —. waar de Jerobeam's eigenwillig den godsdienst omzetten in een dienst van het gouden kalf— waar de Achabs en Izebels de schare voorgaan om den eenigen, waarachtigen God in te ruilen voor de afgoden — daar heeft de wereld behoefte aan mannen als Samuel, Daniël, Jesaja, Jeremia, — aan mannen als Paulus, - die het kruis-Evangelie opnemen en staan in het geloof, dat de wereld overwint.

Wonde op wonde bloedt; ruïne naast ruïne rookt ; ellende op ellende roept en schreeuwt — alles bewijzende, dat de wereld, de van God afgevallen wereld, zoo diep ongelukkig is.

En dan daalt Jezus van den berg der verheerlijking en zegt tot Zijn discipelen, die met de ellende aan den voet van den berg geen raad wisten om het te genezen : dat het ongeloof van de geloovigen de ellende doet voortduren, maar dat het geloof van Gods kinderen hier medicijn heeft en hulpe kan biên.

Jezus Christus is de groote Trooster, Redder en Zaligmaker. En Hem heeft de Kerk van Christus te verkondigen, te brengen, voor te stellen, overal. Geloovende, dat in Hem genezing is voor een iegelijk die gelooft.

De duivel voert heerschappij, als de Kerk zelf niet gelooft, dat zij Jezus Christus te verkondigen heeft en Hem alleen. Als de Kerk daarin nalatig is. Als de Kerk zelve dat verhindert of verijdelt. Dan Is de duivel de machtige en hij gaat van overwinning tot overwinning.

De wereld lacht dan om de Kerk, die machteloos staat, zooals de farizeën en schriftgeleerden in de handen wreven van genoegen, toen zij zagen, dat de discipelen, zonder geloof zijnde, den ongelukkigen zieken jongen aan den voet van den berg niet konden helpen.

Daar denken we onwillekeurig aan in onze dagen, als we zien op de Kerk des Heeren, in dezen lande zich geopenbaard in de gestaite waarin wij haar zien en kennen.

Ze weet zelve niet wat zij wil. Ze gelooft zelve niet, dat er een geneesmiddel is. Ze weet zelveniet recht, wat en wie dat geneesmiddel is. Ze zoekt, ze disputeert, ze loochent, ze ontkent — maar ze is intusschen geen pilaar en vastigheid der waarheid. Ze is niet Sion, de verkondigster van goede boodschap.

Wat de een zegt, spreekt de ander tegen. En ze teert weg in innerlijke kracht ; ze smelt weg in haar schoonheid, alsof de mot haar heeft verteerd. Dat is de zonde-schuld der Kerk, der aloude Geref. Kerk, door den Heere in dezen lande geplant.

En intusschen groepeeren zich andere Kerkgemeenschappen rondom ons, godsdienstige gezelschappen, religieuse secten, terwijl zelfs heidensche godsdienstvormen zich inwortelen onder ons alles om de verwarring grooter te maken, de kracht van het Evangelie van Christus te breken — waarbij de satan zijn triomfen behaalt en de wereld wegkrimpt vol eilendesmart, waarvan zij de diepte en de hoogte evenwel niet peilt.

Dat is de zonde-schuld van Christus' Kerk in dezen lande, voor zoover zij zich van ouds openbaarde in het midden van de Hervormde of Gereformeerde Kerk, waarvan wij allen leden zijn ; en zóó wordt het ónze zonde-schuld ; de zonde-schuld van onze vaderen, voor zoover het niet van vandaag of gisteren is die afwijking van den reohten weg ; en ónze zonde-schuld, voor zoover wij onze vaderen overtreffen in nalatigheid, om het goede te doen.

En nu gaat het elk jaar meer naar een crisis heen. Om te kiezen : óf rechts, óf links. Om te kiezen : óf er op, óf er onder.

Zal de zon rijzen ? Zal het licht winnen ? Er is een worsteling.

En Gods Woord is het criterium. Daar zal de beslissing moeten vallen. Voor of tegen dat Woord. Voor of tegen den Christus Gods.

Zal het licht op den kandelaar uitgeblazen worden ?

Zal het helderder opvlammen ? De Kerk-die het Woord niet predikt ; de Kerk die den Christus Gods niet brengt, is niet waard dat zij nog een plaats vindt in dezen lande. Dan zal een ander haar plaats innemen. God zorgt voor Zijn eer, óók' in het afbreken, óók in het uitroeien.

Maar het Woord is nog niet weg. De Christus wordt nog verkondigd. Er mag zelfs een opwaking komen in deze. Er is een zacht suizen door de toppen der boomen waarbij de Heere Zelf zegt: „veracht den dag der kleine dingen niet!"

Maar dan moet het ook om een keuze, om een beslissing nu gaan. Om een keuze als Kerk. Om als Kerk niet langer te 'hinken op twee gedachten. Om te kiezen vóór den Heere en Zijn Woord te grijpen als banier en Zijn Christus te volgen overal.

Dat zijn de helden der eeuwen, die dat gedaan hebben door genade. Die hebben een lichtspoor nagelaten, der wereld tot vertroosting, der booze wereld tot een oordeel.

't Zijn geweest Henoch, Noach, Elia, Jesaja, Daniël, Petrus, Paulus en zooveel anderen.

De helden Gods ! die der wereld tot zegening zijn geweest.

En de Kerk des Heeren in dezen lande heeft nooit sierlijker kroon gedragen, dan toen zij niets anders wist, dan Gods eeuwig getuigenis als hoogste waarheid en Jezus. Christus als Sions allervolmaaktsten Borg.

Nóg is er hoop voor onze Hervormde Kerk, dat zij in dezen lande een toekomst zal hebben om een grootsche en heerlijke taak te vervullen — op voorwaarde, dat zij haar algehele zonde belijdt, den Springader des levenden waters te hebben verlaten en zichzelf bakken, gebroken bakken te hebben uitgehouwen.

't Gaat hoe langs hoe meer naar de beslissing, of onze Hervormde Kerk nog leven zal in den voortgang of dat zij sterven zal.

De Heere leeft tot in eeuwigheid.  Zijn Woord bestaat altoos. Zijn Christus verduurt der eeuwen kracht.

Als nu onze Hervormde Kerk in den'name des eeuwigen Gods dat eeuwlgblijvende Woord mag grijpen, om het fier te dragen als een banier, verkondigende den Christus der Schriften, dan kan ze den haat en tegenstand van den booze en van de wereld verduren. Want onze God is een God van krachten, van Wien het volk zijn sterkte heeft. En de Kerk zal dan héél het volk tot een zegen kunnen zijn, zooals Israël gezegend werd als een vroom koning regeerde en. zooals het geplaagd en geteisterd werd als een goddeloos vorst op den troon zat, het volk brengend tot afval en goddeloosheid.

Om het Woord gaat het; om het Woord des Heeren.

Diene onze Bondsactie, diene deze onze Bondsvergadering, diene ook het referaat van ons Bondsbestuurslid ds. Van der Snoek er toe, dat onze Hervormde Kerk meer en meer kieze vóór dat Woord, om op dat Woord gefundeerd, dat Woord uit te dragen 't Zal haar tot sieraad en tot sterkte zijn en onzen God tot eere !

Als nu is het woord aan ds. Van der Snoek tot het houden van zijn referaat dat in het volgend nummer in zijn geheel zal worden afgedrukt.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verslag

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's