Uit het kerkelijk leven.
Het Mormonisme.
„Wij gelooven in den Bijbel als 't Woord van God, in zooverre als hij nauwkeurig vertaald is. Wij gelooven ook in het boek van Mormon als het Woord van God zoo verklaren de Mormonen in art. 8 en 9 hunner geloofsbelijdenis ; en verder: „Wij gelooven al hetgeen God geopenbaard heeft, al hetgeen Hij nu openbaart en wij gelooven, dat Hij nog vele groote en voorname duigen openbaren zal, aangaande het Koninkrijk Gods."
Op den Bijbel toegepast, beteekent dat dan, dat de bijzondere openbaring Gods niet is afgesloten met de Schriften van Oud-en Nieuw Testament, maar dat Hij nog steeds voortgaat nieuwe dingen te openbaren door heilige mannen Gods, die door den Heiligen Geest gedreven worden. Het boek van Mormon en andeie gewijde Mormoonsche geschriften zijn vrucht van deze voortgaande openbaring Gods. „En. het is het voorrecht van de Heilige Priesterschap om met de hemelen gemeenschap te oefenen, en om den onmiddellijken wil des Heeren te leeren kennen, en wel door middel van droomen en gezichten, door bezoek van engelen, of door de hoogere gave om van aangezicht tot aangezicht met den Heere gemeenschap te oefenen. De geïnspireerde uitingen van zulke mannen, die spreken door de kracht des Heiligen Geestes, zijn Heilige Schrift voor het volk. En waar God een God van orde is, treden slechts zij voor 't volk in 't algemeen op als openbaarders van Gods wil, die geroepen en verordineerd zijn tot het Presidentschap."
Uit den Bijbel wil de Mormoon bewijzen, dat er nog nieuwe openbaringen moeten volgen ; hij poogt aan te toonen, dat de Bijbel nergens leert, dat de bizondere openbaringen Gods met hem zijn afgesloten.
Met een woord uit Jesaja wordt dan bewezen, dat het Boek van Mormon een open baring Gods is. Want in Jesaja 29 vers 4 lezen we : „Dan zult gij vernederd worden en gij zult uit de aarde spreken, en uwe spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uwe stem zal zijn uit de aarde als van eenen toovenaar en uwe spraak zal uit het stof piepen." Het te voorschijn komen van het Boek van Mormon is daar de directe vervulling van Het Boek van Mormon is toch waarlijk de stem van een volk, dat vernederd is, en dat uit het stof spreekt, waaruit het boek in letterlijken zin werd gehaald!
Wie Jesaja 29 vers 4 in z'n verband leest, zal wel tot een andere uitlegging komen, gelooven we.
Ook beroept men zioh op Ezechiël 37 vers 16—19. Daar is sprake van twee houten, enz. Nu zegt men, dat het eene hout de Bijbel is (voor Juda) en dat het Boek van Mormon het andere hout is (voor Jozef). Een zeker Mormoonsch zendeling had zelfs op z'n naamkaartje dezen tekst staan. Hij geloofde vast, dat nu de twee boeken er waren, die daar bedoeld zijn ; twee boeken, die één zijn in hun getuigenis van het eeuwig Evangelie.
Wie Ezechiël 37 weer in z'n verband leest, zal wel bemerken, dat er allerminst sprake is van twee boeken, wel van twee volken.
Tot de teksten, die dienst moeten doen, om te bewijzen dat wij nieuwe profeten en openbaringen kunnen verwachten en niet kunnen missen, behooren o.a. Spr. 29 vers 18 : „Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot." Mal. 4 vers 5, 6, waar de zending van den profeet Elia wordt voorzegd, in verband met Openb. 14 vers 6, waar een . engel wordt voorgesteld, die het eeuwig Evangelie had om dit te verkondigen, aan degenen, die op de aarde wonen ; en Openb. 18 vers 4 waar „een andere stem" wordt vernomen, die het volk Gods oproept, om uit Babyion te gaan, „opdat het geen gemeenschap hebbe aan' haar zonden en van haar plagen niet ontvange."
Dat de Mormonen veel verstand van „inlegkunde" hebben, meer dan van „uitlegkunde", wordt duidelijk voor ieder die de Schrift onbevooroordeeld leest en Schrift met Schrift vergelijkt.
De Godsbeschouwing der Mormonen leidt er hen toe om God van den troon te stooten. Hun Schriftbeschbuwing is om het heilig Woord Gods te verminken.
Dat blijkt ook, als we nagaan wat de Mormonen leeren in betrekking tot de zonde
De mensch is boven in den hemel door den Hemelschen Vader voortgebracht.
Hij is geboren en opgegroeid in de hemelsche woningen.
Aan de geesten, die hun eersten staat gehouden hebben, werd-toegestaan af te dalen op aarde en daar vleeschelijke tabernakelen aan te nemen. Zoo komen ze in hun tweeden staat.
Feitelijk zijn we dus op aarde, omdat we 't ons hebben waardig gemaakt.
En nu is het groote levensdoel om een lichaam van vleesch en been op aarde te verkrijgen, want zonder dit is het onmogelijk op te klimmen tot dat hoogere zijn, waarin de mensch zich in de eeuwige werelden zal bewegen.
De duivel heeft geen lichaam, en daarin bestaat zijn straf.
De zonde nu is noodzakelijk voor den mensch tot redding en volmaking.
De Mormoonsche catechismus vraagt , , Moest het dan geschieden, dat Adam van de verboden vrucht zou eten ? " en antwoordt : „Ja, want had hij dat niet gedaan, dan had hij geen onderscheid geleerd van goed en kwaad, zou geen sterfelijke nakomelingschap hebben gehad en kon met Eva niet vereenigd zijn geworden na den val, zooals de Heere had beloofd." (blz. 33). Zie ook „Paarl van Groote Waarde", blz. 20 en Boek van Mormon, 2 Nephi 2 vers 22—25.
Waar zoo de z'onde wordt goedgepraat en de zondaar wordt verheerlijkt, spreekt 't vanzelf, dat men van den weg des heils zeer onschriftuurlijke gedachten koestert.
Van erfzonde wil men niet weten ; art. 2 van de geloofsbelijdenis zegt : „V/ij gelooven dat de mensch voor zijne eigene zonden zal gestraft worden en niet voor Adams overtreding."
Ook wil men niet hooren van de totale onmacht van den zondaar ten goede ; art. 3 zegt daarom ook : „Wij gelooven, dat door het verlossingswerk van Christus alle menschen kunnen zalig worden door gehoorzaamheid aan de wetten en verordeningen van het Evangelie" ; waarbij art. 4 zegt i „Wij gelooven dat deze verordeningen zijn : ten eerste Geloof in den Heere Jezus Christus ; ten tweede Bekeering ; ten derde Doop door onderdompeling tot vergeving der zonden ; ten vierde oplegging der handen voor de Gave des Heiligen Geestes.
Feitelijk gaat het dus om de leer der algemeene verzoening en het zalig worden door de werken. Het is een opklimmen tot deugd door eigen kracht, gelijk b.v. de Mormoonsche catechismus ook zegt „bekeering is de zonde niet meer te doen en van ganscher harte deugden'te beoefenen." (blz. 39). Waarbij diezelfde catechismus dan zegt: „door geloof en bekeering alleen krijgt men geene vergeving der 'zonden ; men moet door een gemachtigde op de ware wijze zijn gedoopt, (blz. 42).
Van het verlossingswerk van Christus wordt maar terloops gesproken en geheel in de schaduw gesteld bij 't geen de mensch te doen heeft. Trouwens de verzoening door Christus' bloed dient niet om onze persoonlijke zonden uit te delgen, doch om ons te bevrijden van de macht des doods, welke over ons kwam door de overtreding van Adam. Daarom zijn kleine kinderen heilig, geheiligd zijnde door de verzoening-van Jezus Christus („Leer en Verbonden", afd. 74 : 7) en moeten zij gedoopt worden tot vergiffenis hunner zonden, wanneer zij acht jaren oud zijn. („Leer en Verbonden", afd. 68 : 27).
Is het niet of we hier de Remonstranten hooren spreken ?
Men leze nog maar eens, wat onze Geref. Vaderen ter Synode van Dordt in den jare 1619 zoo kostelijk hebben getuigd en geschreven over „den dood van Christus en de verlossing der menschen door denzelven" en van „des menschen verdorvenheid en bekeering tot God en de manier van deze" ; waarheden, die in onafscheidelijk verband staan met „de leer van de Goddelijke verkiezing en verwerping" en die van „de volharding der heiligen." '
Bij de Mormonen vinden we dus oude dwalingen in nieuwe vormen, waarbij het van kwaad tot erger gaat.
(Wordt vervolgd).
Het Regl. op de Predikantstractementen.
1. Waarom dit Regl. een oordeel Gods genoemd moet worden.
Toen het Regl. op , de predikantstractementen nog ontwerp van wet was, hebben wij aanstonds gezegd : als er niets gebeurt gaat het in onze Herv. Kerk verkeerd en als dit gebeurt loopt het vast mis. „Als er niets gebeurt" — daar bedoelden we tnee, als de Kerk, als de Gemeenten, als de Kerkvoogden en de Kerkeraden blijven doen wat ze doen, of liever, als ze blijven volharden bij wat-ze nlet-doen, dan loopt het verkeerd, dan igaat het mis In onze Kerk.
Want de Gemeenten, de Kerkvoogdijen en de Kerkeraden voelen, in doorsnee-genomen, ja, zoo goed als allen zonder onderscheid, niet, dat het met de financiën der Kerk niet goed gaat.
De tienden worden niet betaald. En de predikanten moesten pro Deo werken, maar pro Deo betalen verstonden de Gemeenten niet, óók onze Gereformeerde Gemeenten niet. Zoo is er armoede geleden op de dorpen, zoo is er armoede .geleden in de steden ; terwijl van uitbreiding van arbeid en van vermeerdering van predikantsplaatsen of aanstellen van hulpkrachten geen sprake was.
Armoede is geleden door degenen die werkten in den wijngaard des Heeren, die stonden in het heiligdom. En de Gemeente besefte niet, dat de huishouding Gods moest worden onderhouden naar behooren. Dat er zoo pro Deo gewerkt moest worden, was zoo erg nog niet. Dat er zoo pro Deo armoede geleden werd, was óók zoo erg nog niet.'
Er is dikwijls gezucht ; óók geweend. Maar er is óók, dikwijls gebeden, óók gedankt, óók gezongen ; al is 't dan méér geweest : „maar de Heer zal uitkomst geven" — dan : „Gij doet mijn beker overvloeien."
Neen ! Pro Deo te werken is het ergste niet.
Ook niet pro Deo armoede te moeten lijden.
Maar dat pro Deo niét gégèven, ' niet betaald, niet geofferd wordt door de Gemeente des Heeren ; dat de tienden niet toetaald worden in het huis onzes Gods, dat deed ons zeggen en zuchten : het loopt mis in onze Herv. Kerk !
Oude predikanten, die 40 jaren gediend hebben in den wijngaard des Heeren — kent de Kerk, kent de Gemeente niet. Ze bestaan zelfs voor de Gemeente niet. Ook voor onze Geref. Gemeenten niet. En ze hebben honger geleden, die stumperds.
Pro Deo? Neen ! Neen ! ! Maar omdat de Gemeente ontrouw was, onbarmhartig, wreed.
En de predikantsweduwen en - weezen ? Roerende staaltjes van ellende-leven zouden kunnen worden bijeengebracht. Omdat — neen ! niet omdat God de weduwen en weezen vergeten heeft, maar omdat de Kerk ze onbarmhartig heeft vergeten, heelemaal vergeten. Geen stuiver, geen cent hebben ze van de Kerk ontvangen. Ook in dé dunste tijden, ook bij honger niet.
Neen ! het predikambt is niet verwerpelijk.
Het is een treffelijk ambt. Maar de Kerk maakt het zoo moeilijk, zoo moeilijk voor den dominé, zoo moeilijk voor de dominéesvrouw, zoo moeilijk voor de kinderen van den dominé.
Staat het groot aantal vacaturen er mee in betrekking ?
Houdt het gering aantal theologische studenten er ook verband mee ?
Zeker! we leven in een moeilijken tijd, geestelijk moeilijk, omdat de problemen waarmee we worstelen velen zijn en kerkelijk is het zoo moeilijk bij ons, omdat twist en tweedracht en partijschap en broederhaat alle Gemeenten verteert en de kerkelijke misère als een enge band onze ziel kan benauwen.
Maar als dan de Gemeente niet verstaat pro Deo —-om Gods wil — te geven, dan wordt 't dubbel moeilijk èn vragen we onwillekeurig : iheeft de Gemeente er nog wel recht op, dat er een dominé komt en kan het nog wel worden verwacht, dat er zóó door een leeraar dan zal kunnen worden gezegd : „ja, ik van ganscher harte" ?
Zeker ! er is nog wel hier en daar een rijke dominé, die geen armoe te lijden heeft ; als hij van zijn kapitaal maar jaarlijks wil afschrijven.
Ook zijn er nog wel gezinnen, zonder kinderen, die door bizondere omstandigheden het hoofd boven water hebben weten te houden.
Ook is er hier en daar, door bizondere omstandigheden, nog wel offervaardigheid. Of er, .zijn rijke fondsen of bizondere bronnen van inkomsten.
Bijvoorbeeld : plaatsen-verhuring ieder jaar ! wijd vermaard in den omtrek. Elk jaar een paar honderd gulden hóóger. Bij elken opvolgenden dominé nog wat méér.
Omdat er zoo groote honger is, geestelijke honger?
Omdat men zooveel voelt voor Gods huis en voor den eeredienst ?
Ja — óók wel. De Heere heeft en houdt z'n kinderen en openbaart nog wel Zijn bizondere bemoeienissen onder de predikanten en in het midden der Gemeenten. Maar 't is ook veelal dorpstrotsch I
Men wil daar, bepaald daar zitten in de Kerk ; men wil die 'bepaalde plaats hebben in die bepaalde bank ; men is toch niet minder dan die en dan die, — en zoo jaagt men op, vooral wanneer veel geld wordt verdiend, en men betaalt buitensporig hooge prijzen. Zóó •—dat menigeen, die het werkelijk goed meent met de Kerk, met de Gemeente, er zich over schaamt. Is dit nu de manier om in Gods huis te verkeeren ? Liever, lionderd maal liever zou men zien, dat minder blufferig en minder aanstootelijk en minder wereldsch, meer overeenkomstig den regel van Gods Woord en de heiligheid van Gods huis tienden betaald werd den Heere, met een Godlievend hart.
Voelt de Kerk, voelt de Gemeente, voelt de kerkvoogdij, voelt de kerkeraad wel waarom het gaat ?
De regel van Gods Woord is niet verstaan. Art. 13 van de Dordtsche Kerkorde is niet in gedachtenis gehouden. Men weet niet eens, óók onder onze Gereformeerd Hervormde menschen niet, dat zoo'n artikel bestaat. De Staat, de fondsen en de Kerkcent — hebben het moeten doen onder ons. De Gemeente bleef toezien.
Dat de Kerk voor de publieke oefening der religie, dat de Kerk als dienstmaagd des Heeren regelmatig recht heeft op vaste jaarlijksche contributies, met blijmoedigheid vrijwillig te geven door al de leden van het Kerk-gezin, werd niet gevoeld.
Als een bedelvrouwe moest ze rondgaan week na week, bij deze en bij gene vragend om een gave.
Om een gave, welke het licht meestentijds niet zien mocht.
En zoo sukkelde rnen voort in armoe. En de predikant met zijn gezin was niet zelden de dupe er van.
En de emeriti-dominé's, de weduwen en de weezen leden gebrek.
Toen kwam het ontwerp van wet, bovenbedoeld.
In ellende-tijd geboren.
(Wordt vervolgd).
Losmaking van den financiëelen band tusschen Staat en Kerk.
De financiëele band tusschen Staat en Kerk moet losgemaakt worden.
Wat daartoe vooral dringen moet, zijn de ernstige tijdsomstandigheden, waar in we leven. De revolutionaire geest die thans als een orkaan over Europa heeft gewoed en nog niet is uitgewoed, heeft overal de Kerk groote schade gebracht, door wreed, op het onverwachts de banden tusschen Staat en Kerk los te scheuren, waarbij de Kerken zoo plotseling van alle Staatssubsidie stonden beroofd en aan allerlei hare vrijheid beperkende maatregelen werden onderworpen.
Dat gestrand schip moet voor ons een baken in zee zijn.
En ten onzent moeten tijdig maatregelen genomen worden, dat de Kerken financieel op eigen beenen komen staan engeen schade lijden van mogelijke politieke gebeurtenissen.
Want mag algehoopt worden, dat de revolutionaire geest onder ons volk niet de overhand verkrijgen zal, zooals in Rusland of Duitschland, toch is het eisch van wijs Staatsmansbeleid reeds nu maatregelen te nemen, die noodig zijn om de gevaren voor de Kerken zooveel mogelijk te voorkomen en haar een van den Staat zooveel mogelijk onafhankelijke positie te verzekeren.
De financiëele band zooals die nu ligt tusschen Staat en Kerk moet daartoe losgemaakt. Want Buys heeft terecht opgemerkt, dat die financiëele band naar Art. 171 'van de Grondwet een gevaar èn voor den Staat èn voor de Kerk is. Door deze subsidieering toch kan de Staat telkens gedwongen worden in kerkelijke aangelegenheden in te grijpen, wat voor de vrije ontwikkeling der Kerken niet zonder bedenking is. Terwijl de Kerken, die deze subsidie ontvangen, gevaar loopen, wanneer zij plotseling werd ingetrokken, zooals thans in verschillende landen is geschied, daardoor van haar inkomsten beroofd en in zeer moeilijke positie geplaatst te worden.
Daarom losmaking van den financiëelen band.
En natuurlijk dan niet, door kortweg alle subsidie aan de Kerken in te houden. Want dan zou aan de Kerken groot financieel nadeel worden toegebracht en geen klein onrecht aan de gesubsidieerde Kerken worden aangedaan, aangezien toch de financiëele uitkeeringen door den Staat aan de Kerken nu gedaan, ten nauwste verband houden met kerkelijke goederen, vroeger door den Staat genaast.
Naar recht en gerechtigheid zou dus naar verhouding door den Staat aan de gesubsidieerde Kerken moeten worden uitbetaald een kapitaal, evenredig aan de subsidies tot nu tóe genoten. Of met andere woorden ; de thans verleende subsidies moeten worden gekapitaliseerd, procentsgewljze niet te schriel, maar liefst wat mim berekend, en deze kapitalen moeten aan de rechthebbenden worden uitgekeerd. Waarbij we, wat onze Herv. Kerk toetreft, aanstonds op den voorgrond stellen, dat deze uitbetaling niet mag geschieden aan de Synode, ook niet aan het Alg. College van Toezicht, maar aan de Gemeenten en wel aan de pastorieën ; dewijl het in uitkeering in hoofdzaak gaat om het dominé's-tractement en wat daarmee samenhangt; rakende dus allereerst wat noodig is tot onderhouding van de pastoriebewoners.
Billijkheidshalve zou daarbij ook aan de Kerkgenootschappen, die dusver geen subsidie ontvangen, een kapitaal, verband houdende met hun zielental, dienen te worden uitgekeerd.
Arm modemisme.
Wat is het modernisme in onze Herv. Kerk toch futloos.
Neem de Gemeente Bolsward. Daar staat de bekende moderne dominé dr. Niemeyer, een modern voorvechter eerste klasse.
De rechtzinnigen moeten daar maar buiten de Kerk vergaderen. Voor hen is in de Ned. Herv. Gemeente geen plaats. Ze moeten zichzelf maar helpen. En intusschen is het onder de moderne prediking in die Kerk zoo koud en zoo kil en zoo eenzaam.
De orthodoxen onder leiding van den bekenden godsdienstonderwijzer-evangelist G. J. van der Ploeg, laten zich evenwel niet ontmoedigen. Zij hebben een Evangelisatie met velerlei werkzaamheden. De Broere Kerk is des Zondags geregeld gevuld.
En nu spannen ze zich daar in om een nieuw gebouw te krijgen, in samenwerking met den Chr. Nat. Werkmansbond, binnen welk gebouw dan al de arbeid kan plaats hebben.
Méér nog dan tot nu toe, wil men het Evangelie des Kruises uitdragen onder jong en oud, gezond en krank, belijder en bestrijder. Waarover we ons hartelijk verheugen.
Zou het niet beter evenwel zijn, als daar in Bolsward een rechtzinnig predikant in de Herv. Kerk stond?
De moderne hoort er niet. Zoowel de prediking als de sacramentsbediening in onze Herv. Kerk wijst dat uit.
En de rechtzinnige zou er op z'n plaats zijn.
Terwijl de moderne maar ergens elders een onderkomen moet zoeken ; déér, waar hij krachtens zijn belijdenis — of zijn nietbelijden — thuis hoort.
In de Zaanstreek is het al net zoo. We lazen in verschillende couranten althans een bericht dat zakelijk hierop neerkomt : „Uit Krommeniedijk wordt gemeld, dat de Doopsgezinde Gemeente van West-Knollendam en Krommeniedijk heeft besloten het kerkgebouw met inventaris te Krommeniedijk publiek te verkoopen.
De Doopsgezinde Gemeente van West-Knollendam heeft zich nu vereenigd met die van Wormer. De Doopsgezinde predikant van laatstgenoemde plaats gaat met emeritaat en ook al in verband met teruggaand kerkelijk leven heeft men besloten tot combinatie.
Voorts noemt het bericht het dan een opmerkelijk verschijnsel, dat het R. C. en Gereformeerd kerkelijk leven in de Zaanstreek vooruitgaande is. Ook de Hervormde Evangelisaties van Zaandam en Wormer veer zijn in bloeienden toestand."
Weer dat zelfde verschijnsel dus : het modernisme smelt weg door eigen futloosheid als sneeuw voor de zon ; en terwijl de modernen in de Herv. Kerk de lakens uitdeelen moeten de rechtzinnigen maar rondzwerven en hun toevlucht nemen tot een Evangelisatiegebouw.
Maar gelukkig maig daar van een bloeienden toestand gesproken worden.
Hoe lang zal het nog duren voor dat het modernisme bekennen zal, dat zij te futloos zijn om den boel op te houden ? Hoe lang zullen ze nog heerschappij voeren daér, waar ze niet thuis hooren ? Hoe lang zullen ze de orthodoxen nog van hun rechten berooven ?
Nog een oogenblikje. Dan is het met het modernisme in onze Herv. Kerk gedaan.
Ze zullen van armoede moeten heengaan, de een na den ander !
Ook al denkt dr. Engelberts, van Amsterdam, er blijkbaar anders over.
Dat is ook een wonderlijk schepsel ! Die heet orthodox. Zoo is hij tenminste te Amsterdam beroepen. Maar hij konkelt altijd met de modernen.
Die schijnen hem intusschen ook niet al te best te vertrouwen, omdat hij hen blijkbaar achter den rug er tusschen neemt. Tegenover de orthodoxen zegt hij dan ook van de prediking der modernen niet gediend te zijn. Hij wil met hun „godsdienstoefeningen" niets te maken hebben. En dezelfde week dat hij dat zegt, wordt geannonceerd, dat dr. Engelberts, van Amsterdam, Zondag 20 Maart zal optreden voor de Vrijz. Hervormden te Rotterdam.
Vrijzinnigen die een orthodoxe prediking vragen !
Een orthodox predikant, die voor vrijzinnigen optreedt tegenover z'n Hervormde geestverwante-collega's !
Heeft men ooit bespottelijker zaak aanschouwd ?
Waarbij èn de vrijzinnigen èn dr. Engelberts een figuur slaan, waar men eenvoudig om lachen moet.
In Naarden ook zoo iets. Daar is 't modern. Maar het schommelt telkens als het aantal stemmen van rechtzinnigen en vrijzinnigen gemeten wordt. Nu ook weer bij de stemming over de vraag : kerkeraad—kiescollege ? 60 stemmen vóór kerkeraad (en dat zullen wel uitsluitend modernen geweest zijn) en 53 voor kiescollege
De modernen hebben het niet aangedurfd, om de stem der Gemeente jaar op jaar te laten spreken.
Ze zijn op 't kantje van het te gaan verliezen.
Maar toch vasthouden ! En intusschen moet de Gemeente nu nog maar meer uitsterven!
Ongelukkige toestanden toch ! Maar 't zal niet lang meer duren....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's