Wat nimmer vergaat.
Al mijn vroeg're idealen, Waar 'k mijn hoop op had gesteld, Die 'k verwachtte telkenmale, Zijn als rook voorbij gesneld ; Niets daarvan is meer gebleven, Als een droom is 't al vergaan ; Niets verwacht ik meer van 't leven, Doelloos zie ik 't voor mij staan.
Maar ik heb geleerd te zwijgen, Stil te zijn in mijn verdriet; Dat 'k mijn wensch niet kon verkrijgen, Was naar recht, 'k verdiende 't niet ; Want ik was zoovele jaren, Met de zonden als vervuld ; Daarom moet ik nu ervaren, Alles is mijn eigen schuld.
Telkens echter rijst nu weder, En dat drukt mij zoo gestaag Als een zwaren last terneder, In mijn hart de bange vraag : Heb 'k ook niet in eigen krachten, 't Huis voor d' eeuwigheid gebouwd ? Is niet daarvoor rnijn verwachten, Ook op ijd'le hoop gebouwd ?
Daarom, schoon ik steeds moet klagen : Waardig ben 'k ook dat niet meer; Blijf ik toch gedurig vragen, Klinkt mijn bede telkens weer : „Leer mij, Heere, te vertrouwen Op dien Rots, die imm'er staat, Leer mij 't eeuwig huis te bouwen, Op een grond, die nooit vergaat.
Als dan 't oogenblik zal komen, Dat mijn stervensuur zal slaan ; Wordt mijn hoop niet weggenomen, Zal ze niet als rook vergaan ; Dan behoef ik niets te vreezen, Niet beangst te wezen, neen ! Laat daarom mijn hopen wezen Christus Jezus, Hij alleen.
COR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's