De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

8 minuten leestijd

Van's levenspad

door COR.

Eertijds en nu.

Menig vermoeide of dorstige voorbijganger werd eertijds aangespoord, een kiein huisje, gelegen in de nabijheid van een dorpje in ons land, te betreden, door een daaraan bevestigd bordje, waarop „Verlof" te lezen was.

Menigeen werd door dit bordje verleid daar even binnen te treden om iets te gebruiken ; menigeen, die daar de reis even onderbrak, zich neerzettend in de eenige kamer, welke tegelijkertijd als woonkamer dienst deed. Voor de bewoners werd daardoor in het grootste gedeelte van hun levens onderhoud voorzien, want daarvan moesten zij grootendeels bestaan, wat dan ook de oorzaak was, dat ze enkel voor hun „zaakje" leefden, zich daar geheel aan gaven, zonder te bedenken dat zij voortleefden , , zonder God in de wereld." Verschil tussohen Zondag en werkdagen was daar niet te zien, of het zou daórin bemerkt moeten worden, dat 's Zondags meer .bezoekers dan anders het huisje binnentraden ; dat er dien dag meer dan anders gebruikt werd.

Dat de Zondag, de dag des Heeren, de rustdag was, daar werd niet aan gedacht; dien dag aan 's Heeren dienst te wijden liet men aan anderen over. 's Heeren gebod : , .Gedenkt den Sabbathdag, dat gij dien heiligt", werd vergeten. Men verblijdde zich slechts dien dag meer dan anders te verkoopen en daardoor ook meer te verdienen.

Zoo was het daar eertijds, zoo leefde men daar voort, niet bedenkende dat het leven een doorgang is, een reis langs 's levenspad, waarvan eenmaal het einde bereikt wordt. Een reis naar de eeuwigheid, welke aanvangt met het verschijnen voor pods rechterstoel, om daar te hooren wat die eeuwigheld zal zijn, wel of wee, met of zonder den Heere. Nimmer werd daar echter aan gedacht, nimmer vroegen de bewoners van dat huisje zich af wat hun aan het einde van 's levenspad wachtte, nimmer werd bedacht dat zij, zoo voortlevende en stervende, eeuwig door den Heere verstooten zouden worden. Nimmer bedachten zij dat eenmaal op Golgotha een kruis voor Gods eenigen, dierbaren Zoon werd opgericht, dat Christus Jezus daar den smadelijken en smartelijken kruisdood onderging, om een zondig volk het eeuwige leven te verwerven. Nimmer bedachten zij, dat Hij nu, aan 's Vaders rechterhand gezeten zijnde, op hen nederzag en hun Zijn roepstem deed hooren : „Och, of gij toch wildet bekennen, in dezen uwen dag wat tot uwen eeuwigen vrede is dienende".

Zoo was het daar eertijds ; maar thans is het zoo geheel anders. Nog staat het huisje op dezelfde plaats, wordt het door dezelfde bewoners bewoond, maar zoo ge.heel anders dan vroeger. Het bordje „verlof" is verdwenen en enkelen weten nog maar dat het vroeger er zat. Zooveel is in dat huisje gebeurd, sinds dat eertijds, waarvan de bewoners thans steeds opnieuw kunnen spreken, nooit komen zij uitverteld over de wondere daden des Heeren hun bewezen, want Hijzelf heeft hen opgezocht, hen staande gehouden op den weg naar het eeuwig verderf. Een sterfbed wilde de Heere gebruiken om hun te leeren, dat zij ook eenmaal zouden sterven, voor Hem verschijnende en rekenschap moetende geven van al hunne daden. Diepe droefheid verwekte dit in hunne harten, want zij gevoelden, niet voor Hem te kunnen bestaan. Hem niets te kunnen antwoorden op al Zijne vragen. Nergens vonden zij meer rust of vrede, gedurig klaagde hun geweten hen aan, dat zij den Heere hadden verlaten en daardoor niets meer dan Zijn eeuwigen toorn verdienden. Zij zagen hun schuld, zoo zwaar en igroot, hun zonden zoo hemelhoog opgestapeld.. Maar zij mochten ook leeren, dat hun zonden niet te groot of te veel waren om vergeven te worden, dat Christus ook kwam om hun schuld te betalen, hun straf te dragen. Op dien Borg en Middelaar pleitende, durfden zij tot den Heere gaan, met het oog op Hem den Heere aanroepen om hun schuld ook weg te nemen, hun zonden uit te delgen omwat Hij deed.

Dat alles bracht zulk een groote verandering ie weeg, dat was de oorzaak waarom met het eertijds gebroken werd, want van toen af werd naar den Heere gevraagd en gezocht. Een nimmer te vergeten stond was het toen de man des huizes voor het eerst met zijn gezin neerknielde, biddende en snieekende tot Hem, Dien zij zoolang ver achtten, om genade en ontferming. De vroegere bezoekers bleven weg, gingen zonder even binnen te treden voorbij, doch nu kwamen andere bezoekers, andere vrienden ; Gods volk kwam om te luisteren naar het vertellen van de wondere daden des Heeren en daarvoor was gedurig ruime stof. Steeds konden zij de bemoeienissen des Heeren vermelden, welke Hij met hen wilde houden, want voor alles kwam Hij zorgen. Het bedrijf van vroeger konden zij niet meer uitoefenen, maar de Heere zorgde dat zij nimmer gebrek leden, dat zij al wat voor hun levensonderhoud noodig was ontvingen, wat Hij vaak op zoo wondere wijze deed.

Thans hoort de voorbijganger menigmaal de psalmen klinken, welke daar aangeheven worden ; klaagpsalmen in dagen van moeite en druk, kommer en zorg, maar even vaak ook lof-en dankpsalmen, want hoe bang en donker het somtijds is, altijd weer schenkt de Heere uitkomst, nooit laat Hij hen vergeefs vragen.

Vroeger kon de voorbijganger daar binnentreden om zich wat te verkwikken, om wat uit te rusten, maar ook thans nog staat de deur voor ieder open, nog kan ieder binnentreden om dan te hooren vertellen wat de Heere gedaan heeft. En menigeen kan niet voorbijgaan zonder even binnen te treden, om even uit te rusten voor ziel en lichaam belde en dan weer verkwikt en bemoedigd voort te gaan, want wie daar binnentreedt ervaart dat de vrede en vreugde des Heeren daar wonen, dat daar de Heere Zijn intrek heeft genomen.

Kunt gij ook van zulk een omkeer in uw leven spreken, of gaat uw hart nog uit naar wat de wereld biedt ? Kunt gij nog leven zonder den Heere ? Wat zijt gij dan toch ontzettend arm, wat vreeselijk ongelukkig, want nooit, nimmer zult gij in de wereld vrede of rust vinden, immer zult gij onvoldaan blijven. Alleen de dienst des Heeren schenkt vrede en rust aan het hart, die alleen kan voldoen, die alleen bevredigt. De bewoners van dat huisje kunnen u vertellen, hoe groot het verschil is tusschen den dienst des Heeren en die der wereld, dat de eerste zoo rijk, zoo goed is, zoo gelukkig maakt, wijl de andere zoo arm is en nooit gelukkig maakt. Zoudt gij dan ook den Heere niet willen dienen ? Hem dienen, Wiens liefde voor zondaren zoo groot is, dat Hij zelfs Zijn eigen Zoon overgaf, opdat Die hun straf zou dragen, hun schuld betalen ? Reeds in dit leven wordt ervaren hoe rijk Zijn dienst is en straks, als het einde van 's levenspad wordt bereikt, als het stervensuur aanbreekt, wordt de vrede, vreugde en blijdschap nog veel grooter, want dan zal Hij hun, wier hart uitging naar Zijn dienst, toeroepen : „Komt in, gij gezegenden, beërft het Koninkrijk dat u weggelegd is van voor de grondlegging der wereld" ; wijl zij, wier hart de wereld navolgde, door Hem in de buitenste duisternis verstooten worden. Ach wil dan toch bedenken, gij, die de wereld nog dient, gij, die daarin nog uw lust en vermaak kunt vinden. Nu komt 's Heeren roepstem nog tot u, nu ziet Hij nog in genade 'Op u neer, maar straks zal het voor eeuwig te laat zijn ; dan zult gij den Heere, Die nu in uwen dood nog geen lust heeft, ontmoeten als een heilig en rechtvaardig Rechter, een toornig God en vreeselijk zal het zijn, te vallen in Zijn hand, zonder voorspraak van den Borg en Middelaar Christus Jezus.

Of hebt gij de wereld eertijds ook gediend en wordt gij nu door de bange vraag gekweld : zou voor mij nog vergeving mogelijk zijn ? Denkt gij nu gedurig eeuwig den Heere te moeten missen ? Houd dan maar aan in 't roepen, want de Heere hoort uw bidden en smeeken. Hij weet, dat gij onder den last van uw zonden gebogen gaat en Hij, Die nog nimmer iemand vergeefs liet roepen zal ook tot uwe ziel komen spreken van Zijn wondere liefde-en trouw voor een zondig schepsel. Hij zal ook uwe zonden in Christus' vergoten bloed uitdeigen, omdat Die, uwe zondesmart ziende, zal uitroepen : „Ik wil niet, Vader, dat deze nederdale In het verderf, want Ik heb verzoening gevonden."

En gij, die reeds mocht ervaren dat die dierbare Christus uw schuld heeft betaald, kunt gij ook niet, met de bewoners van dat kleine huisje, de wondere daden des Heeren vermelden ? Kunt gij ook niet steeds weer vertellen wat de Heere u deed ? Gij kunt toch immers ook nooit uitgedacht, nooit uitgesproken komen, over het groote wonder dat de Heere naar u omzag, dat Hij de eerste was om tot u te komen, daar gij nooit, nimmer naar Hem gevraagd zoudt hebben. Welk een vrede en vreugde moogt gij thans reeds smaken en hoe groot zal het dan zijn, als straks uw einde komt, eeuwig t)ij Hem te wezen, Die Uit vrije genade, uit loutere liefde u uit satans macht rukte en aan Zich verbond, om Hem daarvoor eeuwig te danken en eindeloos groot te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's