Feuilleton.
Van 's levenspad
door COR.
't IS ALLES GOED.
Vele stormen waren over het hoofd gegaan van den ouden man, die op een der zalen van een groot ziekenhuis lag. Vele stormen, aleer hij den leeftijd, dien alleen de zeer sterken bereiken, overschreden had. Nu echter werd ook zijn levenslamp gebluscht, kwam de dood om zijn levensdraad af te snijden. Zelf wist hij daar echter niets van, want zijn denkvermogen, dat in de laatste jaren steeds minder was geworden, zoodat hij reeds gerulmen tijd als kind behandeld werd, scheen geheel verdwenen.
Dag aan dag kwamen zijne kinderen hem bezoeken, doch meestal lag hij bewusteloos neder, gingen zij weer heen, zonder een woord uit zijnen mond gehoord te hebben, of zonder zelfs door hem herkend te zijn. Hun ouden vader nu zoo te zien liggen, zoo zijn einde te zien naderen, deed hun zoo'n pijn, dat maakte hen zoo droevig. Zoo gaarne zouden zij nog eens met hem gesproken hebben, hem vragende of hij nu wist waar de reis heen was, of hij nu wist dat zijne ziel geborgen was in Christus Jezus, of hij op Hem steunende den dood kon ingaan, wetende dat die ook Zijn Borg en Middelaar, zijn Voorspraak bij den Vader was.
„Zou vader dan zoo heengaan ? " vroegen zij elkander telkens weer, „zouden wij hem dan zoo zien sterven, zonder met zekerheid te weten wat de dood hem zal brengen, eeuwige vreugde of eeuwige smart, eeuwige blijdschap of eeuwige droefheid? "
Wel had hij den Heere altijd gezocht, wel altijd geleefd, zoekende naar den weg ter ontkoming. van het eeuwig verderf, maar nimmer had hij durven zeggen dat zijne ziel vrede in Christus bloed had gevonden, altijd was hij het antwoord schuldig gebleven op de vraag, of hij wist den Heere te zullen ontmoeten als zijn God en Koning, Wiens lof hij eeuwig zou vertellen. Dat nog uit zijnen mond te hooren, was de wensch zijner kinderen, dat wetende hun ouden vader aan den dood over te geven, hun vragen en verlangen.
't Was nacht.
Op de flauw verlichte zalen van het groote ziekenhuis was alles rustig en stil, behalve de zaal waar die oude man lag, want hij kon niet stil zijn. Steeds opnieuw weer vroeg hij den verpleger wanneer zijn „moedertje" (zoo noemdehij zijn dochter, die hem geruimen tijd verzorgd had) zou komen, en deze was niet in staat hem stil te doen zijn. Steeds beloofde hij hem weer dat zij spoedig kwam, doch dat hij eerst nog een poosje moest gaan slapen, maar enkele minuten later klonk weer zijn vraag : „Wanneer komt mijn moedertje nu ? "
Onderwijl kon ook zijn moedertje, zijne dochter, dien nacht geen rust vinden. Rusteloos wendde zij zich op haar bed om en om, verlangende naar het aanbreken van den morgen om weer naar haar vader te kunnen gaan. Langzamer dan ooit scheen de klok dien nacht te tikken, was het alsof het uren duurde eer haar slagwerk weer vertelde dat een half uur voorbijgegaan was Eindelijk echter brak toch de dag aan, naderde het uur waarin zij naar haar vader kon gaan. Met haastige schreden spoedde zij zioh in het vroege morgenuur naar haar vader, zonder zichzelf rekenschap te kunnen geven, waarom zij thans zoo gejaagd was, waarom zij dien morgen zoo naar haar vader verlangde. En op weg naar het ziekenhuis maakte een bang voorgevoel zich meester van haar, rees de gedachte op, dat haar vader misschien reeds niet meer zou zijn, dat hij reeds den tijd met de eeuwigheid had verwisseld......
De oude man had ook met blijdschap den dag zien aanbreken. „Nu komt moedertje zeker wel spoedig ? " vroeg hij den verpleger, welke vraag deze nu kon beantwoorden met de mededeeling, dat zij nu heel spoedig zou komen. Opeens richtte hij zich op. „Daar komt mijn moedertje eindelijk", riep hij uit ; wat den verpleger deed vermoeden, dat zijn hoofd weer in de war geraakte, want er was niets te hooren of te zien. Maar neen, dit was thans niet het geval, zijn luisterend oor hoorde en herkende haar voetstap reeds en onmiddellijk daarop kwam zij dan ook de zaal binnen. Haar eerste werk was te kijken naar de plaats waar vader lag en vol verwondering zag zij, dat hij niet, als altijd, lag, maar zich opgericht had. Blijde vreugde begon uit haar oog te stralen ; zou zij nu nog eens met hem kunnen spreken, hem nu nog eens die gewichtige vraag kunnen doen ? Ja , nu zou het gaan, want van verre reeds zag zij vaders oog haar zoo helder tegenblikken ; nu was de dofheid daaruit verdwenen. Voor zij echter nog een woord had kunnen spreken, riep hij haar toe': „'t Is goed hoor, 't is alles goed !" En nauwelijks had hij die woorden geuit of hij viel weer terug in zijn kussen, was de heldere blik uit zijn oogen verdwenen, lag hij weer te staren met die doffe oogen, welke blijk gaven dat hij niets herkende, niets wist. Enkele uren ilater was hij niet meer, was zijn ziel het lichaam ontvloden, heengegaan daar, waar hij zijn God aanschouwen mocht in eeuwige heerlijkheid. De wensch zijner kinderen was echter vervuld, hun vragen gehoord, hun vader was niet heengegaan zonder dat hij hun toegeroepen had, vrede te hebben gevonden in Christus' bloed, te weten, dat zijne ziel geborgen was in dien grooten Borg en Mididelaar, want dat toch alleen werd vertolkt door dien uitroep : „'t Is alles goed !"
Droefheid heerschte in hun midden, nu hun vader was heengegaan, doch nochtans werd hij zoo gewillig aan den dood overgegeven, konden zij hem aan de aarde toevertrouwen, wetende, dat eenmaal het lichaam, weer met de ziel vereenigd, eindeloos den Heere groot zal maken, Hem lof, dankzegging en aanbidding toebrengende.
Oud, zeer oud was die man geworden, den leeftijd der zeer sterken had hij overschreden voor de dood hem kwam opeischen maar gij, zijt gij zeker, dien leeftijd te zullen bereiken ? Misschien binnen korten tijd, wellicht morgen of heden nog, breekt uw stervensuur aan en zal dan ook uw laatste woord zijn : „'t Is alles goed" ?
O, indien gij daar nog nimmer om dacht, doe het dan heden nog ; bedenk dan nu dat de dood ook uw levensdraad eenmaal zal afsnijden ; bedenk dan nu nog dat uw voortgaan op 's levenspad alleen mogelijk is, omdat uw Schepper, tegen Wien gij ontelbaar vele malen zondigde, nog in genade en ontferming op u neerziet, omdat Hij u nog niet naar recht komt verdelgen maar Zijn liefdevolle roepstem ilaat hooren, opdat gij voor Hem leert buigen en feukken ; Hem voor alles wat Hij u wil schenken, voor al Zijne weldaden en zegeningen, voor Zijne liefde en trouw den lof en dank toebrengen, welke Hij zoo waardig is te ontvangen. Dan ook zult gij Zijne liefde ervaren voor een zondig schepsel, zoo wonder groot, dat Hij zelfs Zijn eigen, eenigen Zoon niet spaarde, doch Deze overgaf om een weg te ontsluiten, waardoor aan Zijn goddelijk recht werd voldaan en tevens het zondige schepsel weer met Hem verzoend kon wórden. Hem aanroepende, zult ervaren, dat die Zoon, die Borg en Middelaar, Christus Jezus, ook tot uwe ziel kon spreken : „Ik heb uw schuld bij den Vader voldaan ; Ik heb u 'met Mijn bloed gekocht Ik heb u gered van het eeuwig verderf" om dan ook straks te sterven met den uitroep : „'t Is alles goed !"
Zoo gij echter blijft voortleven, zonder naar den Heere te vragen of te zoeken, .dan zult gij verschijnen voor dien God, Die nu nog in genade en ontferming gadeslaat als voor een vertoornd en heilig en rechtvaardig Rechter, Die u voor eeuwig verwerpt de buitenste duisternis, waar satan zal lachen om uw verderf.
Gaat gij echter gebogen onder den schuld van uwe zonden, gaat uwe ziel naar de Heere uit, doch vreest gij telkens weer, dat gij, aan het einde uws levens. Hem nog zou missen, houd dan maar aan in het vragen en roepen naar Hem ; 'blijf dan maar hopen, want gewisselijk zal Hij u hooren en al zou het in uw stervensuur zijn, u uit satans macht rukken, zoodat gij de door de rivier kunt ingaan steunende op Christus Jezus, met den uitroep tot hen, die u nastaren : „'t Is alles goed !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's