De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag

30 minuten leestijd

VAN DE JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORMEERDEN BOND OP DONDER­DAG 17 MAART 1921.

II.

Rede van Ds. VAN DER SNOEK : „Het Predikambt in onze Ned. Herv. Kerk."

Geachte Vergadering,

Als ik tot u spreek over (het predikambt in onze Kerk, dan is dit in het gegronde vertrouwen dat er bij u groote belangstelling voor dit ambt bestaat. Wanneer in eene bijeenkomst van predikanten over de Bediening des Woords gesproken moest worden, zouden, tot elkanders opbouwing en onderwijzing misschien heel andere gedachten naar voren gebracht moeten dan ik dat heden wensch te doen. In dat geval zou ik dan ook veel liever de taak van luisteren, dan van spreken op mij hebben genomen. Nu ik echter spreek op de jaarvergadering van onzen Gereformeerden Bond, stel ik mij voor op eenvoudige wijze de gedachten te vertolken die in onzen kring leven of moeten leven over ihet predikambt.

Onze tijd is een materialistische, of liever een tijd waarin met de eeuwige beginselen hoe langer hoe minder rekening gehouden wordt. De dingen des Geestes worden in een hoek gedrongen. Ze tellen niet mee. Geen wonder dat het predikambt, dat toch zoo geheel geestelijk van oorsprong is, geestelijk in zijn optreden, geestelijk in zijn doel, geen eer heeft in de wereld. Dit moet ons bedroeven, maar het bevestigt het woord van Christus, den ambtsdrager bij uitnemendheid. Deze zeide toch, toen Hij verworpen werd : indien zij dit aan het groene hout doen, wat zal dan aan het dorre geschieden ? Het Evangelie des Kruises is'den Jood een .ergernis en den Griek eene dwaasheid. Het moet ons niet verwonderen als ook de predikers van het Evangelie in de versmading deelen.

Ook in onze Kerk verflauwt de' waardéering van het predikambt.  Wij moeten het met leedwezen constateeren. Er is geen lust om zich voor te bereiden tot Bedienaar des Woords ! Wij willen de verschillende hoofd oorzaken en bij-oorzaken van dit droeve verschijnsel.thans niet trachten op te sommen. Trouwens dit is niet slechts van de predikanten-wereld, maar ook van die der onderwijzers te zeggen. Ja, al wat eenige geestelijke arbeid vertegenwoordigt taant in waardeering. De achting daarvoor brokkelt af.De liefde verkoelt. Wij kennen een fonds waaruit jonge menschen van een bepaald deeltje van ons vaderland in de theologie mogen studeeren. Vroeger waren er aanvragen te veel. Nu weet men met het geld geen raad. Dit zegt veel In leder geval is 't zeker dat een ieder die niet nauw leeft met God en met Zijn Woord, in onze dagen van materieelen nood en ongeestelijk streven, wordt meegesleurd door den geest van den tijd, en eerder dan hij er aan denkt meedoet in het minachten van allen geestelijken arbeid Neen, dan zegt Calvijn ons heel wat anders van het predikambt  Mooht die echt calvinistische geest ons in dezen ernstigen tijd bezielen. „Want, zoo schrijft hij in zijn Institutie : „het lioht en de warmte der zon, of ook spijs en drank zijn zoo noodzakelijk niet tot voeding en ondenhouding van het tegenwoordige leven, als het Apostolisoh en Herderlijk ambt tot bewaring van de Kerk op aarde". Calvijn was zeker van alle paapsche smetten vrij en gruwde van alle Roomsche priestervereering. Maar tooh schrijft hij verder : „dat God de waardigheid van dit herderlijk ambt ons dikwijls heeft aangeprezen met zoo heerlijke lofspraken als mogelijk was ; opdat het bij ons in de hoogste eer en achting staan zou, als eene zaak die alle andere in uitnemendheid te boven gaat. Dat Hij den menschen eene bijzondere weldaad verkent als Hij hun Leeraren verwekt, getuigt Hij, wanneer Hij den Profeet beveelt uit te roepen dat de voeten dergenen die den vrede verkondigen liefelijk zijn en hunne aankomst heilrijk is ; wanneer Hij de Apostelen het licht der wereld en 't zout der aarde noemt.

Hij kon ook dit ambt niet treffelijker vereeren dan toen Hij zeide : Die u hoort, hoort Mij ; die u verwerpt, verwerpt Mij. Maar èr is geen treffelijker plaats dan bij Paulus in zijnen tweeden brief aan de Corinthiërs (hst. 3 en 4) waar hij dit stuk als het ware opzettelijk behandelt. Hij beweert dan, dat er in de Kerk niets bestaat dat treffelijker is dan de bediening des Evangelies, naardien zij is de bediening dies Geestes, der gerechtigheid en des eeuwigen levens".

Tot zoover de aanhaling uit Calvijns Institutie. God geve dat de geest van dezen Hervormer velen in onze Ned. Herv. Kerk bezielen mag.

Nu is er in onze Kerk groot gevaar dat men het predikambt verkeert waardeert, of liever gezegd dat het uit een verkeerd oogpunt geëerd wordt. Met name dat men veel meer den prediker hoogacht .dan den ambtsdrager. Het is zoo goed te verklaren dat men daartoe komt. Wij hebben helaas nu eenmaal het groote verschil in richting, dat er in onze Kerk is. Stonden alle predikanten op den bodem van Schrift en Belijdenis om met warme liefde Christus en Zijne gemeente te dienen, dan was het wat anders. Nu er zijn die het wél doen, maar anderen van wie dit niet gezegd mag worden, komt men er haast van zelf toe, om onze gereformeerde predikanten hoog te achten meer ais verkondigers der Waarheid aan als'ambtsaragers van Jezus Christus. En omdat eike scheef getrokken waardeering nadering moet werken, is het goed allereerst na te gaan welke plaats het predikambt in onze Kerk hebben moet.

De geschiedenis herhaalt zich vaak, ook die der Kerk, en daarom is zij ons ook van God gegeven tot leering en waarschuwing. Het is bekend dat Luther om wat wij de uitwendige zijde der Kerk noemen, heel weinig gaf. De vorm van kerkregeering achtte hij tot op zekere hoogte eene uitwendige, onverschillige zaak. , Dat kwam er niet zoo erg op aan. Zoiets was hem een (bisschoppelijke regeering goed. ja, hij wilde wel aan de Christelijke overheid het werk van reformatie en visitatie overlaten, dat was hem alles best. Mits maar éen zaak geschiedde. Deze n.l. dat de verkondiging van het Evangeiie onbelemmerd piaats vond. Niet de minste hindernis mocht daaraan in den weg geiegd ! Hij haatte elke belemmering voor het evangelie der genade met een doodelijken haat. En hij branade van liefde om het Woord Gods alom te verkondigen. Zelf betoonde hij hierin een ijver die groot was. 't Vvas hem nooit te veel; hij trok er soms dag aan dag op uit, om met preeken den satan in het nauw te drijven. Inderdaad wij hebben God te danken voor dezen hervormer die tot zooveel zegen is geweest voor het behoud van zondaren en de verheerlijking van Gods Naam. Maar er was bij hem een verklaarbare reactie tegen alle kerkinstituut. Hij had toch de Roomsche hiërarchie in al haar verderf leeren kennen. En uit reactie daartegen zou hij wel allen vorm van kerkregeenng als een tamelijk onverschillige zaak over boord willen werpen.

De geschiedenis herhaalt zich. omdat het er in onze Kerk lang niet rooskleurig uitziet, (laten wij het maar eerlijk bekennen, hoewel wij thans haar zonde-register niet willen aflezen) zijn er zeer veel gemeenteleden voor wie onze kerkinrichting een zoo goed als onverschillige zaak is geworden. Zij zijn tevreden als zij elken Zondag maar het Evangelie der genade van den kansel mogen beluisteren. En zoo zijn er ook mannen die wij hebben te eeren wijl zij hun krachten met lust en liefde eraan geven om het Evangelie des Kruises naar den zin der Schrift en de meening des Geestes te verkondigen. En het schijnt wel dat het woord van Paulus ook in hen leeft: wee mij, als ik dat Evangelie niet verkondig! Maar van de Kerk trekken zij zich weinig aan en wat tot haar herstel kan dienen laat hen koud. En dat is erg jammer. Immers nu gaan Gereformeerde predikanten langs elkaar heen ; zij begrijpen elkander niet en van niet begrijpen komt verdachtmaking, oneenigheid en haat. En dat moest zoo niet zijn. De Gereformeerde predikanten hebben elkaar veel te veel noodig ; maar zij staan vaak erg hoogmoedig tegenover elkaar Nu weet ik wel, wat gij zeggen wilt. „Mocht de Geest des Heeren eens werken in onzen kring en onze Kerk" Ja zeker, dan kwam alles in orde ; daar behoeven wij geen oogenblik aan te twijfelen ! Maar die Geest des Heeren werkt nu eenmaal ook door middel van eene beschouwingswijze die in overeenstemming is met Gods Woord.

Welnu, naar Gods Woord wijst het ambt heen naar de Kerk. De voorganger der Gemeente vervult niet de betrekking van predikant, maar is een ambtsdrager van Christus' wege. Zeg nu niet, dat dit er nu niet zooveel toe of afdoet, dat dit maar „woorden" zijn. Is de Kerk een menschelijke vereeniging, opgekomen uit eene vrije, willekeurige schepping van menschen, die nu eenmaal zekere gemeenschappelijke opvattingen hebben, dan kunnen wij niet van een ambt spreken. Dan hebben wij te doen met eene vereeniging tot het aankweeken van godsdienstzin. Zooals er inrichtingen en ver eenigingen zijn van barmhartigheid, zoo is dan de Kerk een vereeniging en inrichting voor geestelijke belangen. Zóó , is de beschouwing der modernen en ik geloof, dat vele ethischen er precies zoo over denken. In zulk eene vereeniging kent men geen ambt ; daarin spreekt men alleen van een betrekking. Inderdaad zijn er dan ook in onze dagen in de predikanten-wereld verschijnselen, waaruit blijkt, dat men zich met dit denkbeeld geheel homogeen verklaart. Is de Kerk een menschelijke vereeniging, en vervult men daarin een betrekking, dan heeft men ook zijn lastbrief ontvangen uit de handen van menschen.

Maar deze , opvatting is niet naar de Schrift. Volgens het Gereformeerd beginsel zijn er vier objecten die een bovennatuurlijk karakter dragen. In twee groepen verdeeld, n.i. de Heilige Schrift en het dogma, de Kerk en het ambt. Deze zijn niet uit de menschen, maar zijn uit God. Het is Christus, die door Zijn Woord en Geest de uitverkorenen ten eeuwigen leven zich tot een Gemeente vergadert. En zoo is de Kerk in wezen niet een stichting van menschen. Zij ontstaat niet door den wil des vleesches, noch door den wil des mans, maar door de geboorte uit God. Zij is in haar oorsprong en wezen een wonder, vrucht van een bijzondere, genadige werkzaamheid van God. En hiermede hangt samen het bovennatuurlijk karakter van het predikambt. Het ambt behoort in den meest voortreffelijken zin bij Christus. Hij is de Ambtsdrager bij uitnemendheid, door God bestemd en bekwaamd tot onzen hoogsten Profeet, tot onzen eenigen Hoogepriester en tot onzen eeuwigen Koning. Natuurlijk zou Christus zonder menschelijke tusschenkomst al den arbeid'in Zijn Gemeente persoonlijk kunnen verrichten. Hij, Die naar Zijn Geest en Waarheid overal is waar men in Zijn Naam samenkomt. Maar het heeft Hem behaagd menschen in Zijn bijzonderen dienst te nemen, om Zijn eigen opdracht te vervullen. Die menschen, die in zichzelf zondaren zijn, „aarden vaten", zooals de apostel zegt, wil Hij gebruiken als organen waardoor Hij werkt. In zekeren zin heeft elk levend lidmaat der Kerk een amibt; hij is profeet, priester en koning. Wij behoeven u slechts te herinneren aan het woord van Petrus tot de Gemeente, als hij zegt : „gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom." Op den grondslag van dat algemeene ambt heeft Christus bijzondere ambten in Zijn Kerk ingesteld. Dus niet zóó, dat de geloovigen onderling overeengekomen zijn om verschillende bedieningen in het aanzijn te roepen ; immers dan zou een ambtsdrager slechts een primus inter pares, een eerste onder gelijken zijn, maar Christus Zelf stelt Zijn dienaren als ambtsdragers aan. Hij doet het middellijk ; Hij doet het rechtstreeks ; dit laatste wete elke ambtsdrager voor zichzelf. „En deze", zegt Paulus van den verhoogden Zaligmaker, „heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot Evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot den opbouw des lichaams van Christus.

Het onderzoek van Gods Woord zegt ons dus dat de predikant geen betrekking vervult, maar een ambtsdrager is, door den Koning der Kerk daartoe aangesteld. Dat ambt heeft geen heerschappij-voerende maar een dienende macht en het is er ter wille van de Kerk !

En nu, wat wil dat zeggen voor het predikambt in onze Ned. Herv. Kerk ? Indien wij daarin slechts prediken willen, getrouw en ijverig dat wenschen te doen, en daarmee uit, terwijl de inrichting en openbaring onzer Kerk naar buiten ons koud laten, verstaan wij toch niet de beteekenis van dat ambt in het midden van onze Ned. Herv. of Geref. Kerk. Het verband van dat ambt en onze Kerk verdoezelen wij dan, wij letten er niet op ; wij loopen er over heen ; wij doen alsof het niet bestaat. De zonde onzer Kerk beweenen wij dan niet; haar schuld gevoelen wij niet, die toch ook onze zonde is en onze schuld — en haar herstel smeeken wij niet van God af. Als het ons toch een onverschillige zaak is, is het ook geen zaak des gebeds en wij slaan de handen als Gereformeerde menschen dan ook niet ineen om met vereende krachten op te trekken. En toch, zoolang het bij ons vaststaat dat de Hervormde Kerk door haar historie en door haar~belijdenis is de aloude Gereformeerde Kerk in ons vaderland, is het een recht van den Heere en Koning der Gemeente dat ook onze Hervormde Kerk een openbaringsvorm heeft in overeenstemming met haar wezen. En als dit het recht is van den Koning, dan ligt hierin ook een roeping van het ambt, dat van dien Koning afdaalt. Wat den Koning niet onverschillig is, mag het ook voor Zijn dienstknecht niet zijn.

Waarlijk, het moet ons maar niet te doen wezen om eene Gereformeerde prediking te brengen, te hooren. Daarom gaat het in onze Kerk niet alleen. Daarmede is 't probleem van onze Kerk nog lang niet opgelost. Wij hebben straks van Luther gezegd, dat deze allen Kerkvorm wel goed vond als hef Evangelie maar vrij gepredikt kon worden. Maar dan zegt ons Calvijn toch heel andere dingen. Wij zouden wel met aanhalingen uit zijn Institutie (4e boek) kunnen beginnen, maar wanneer zouden wij dan eindigen. Het is van begin tot eind altijd weer de Kerk in hare zichtbare zijde, waarvan hij de kenteekenen noemt, waarmede hij de ambten in verband zet, wier regeering hij uit Gods Woord voorstelt. Lees er ook onze confessie maar eens op na, vooral lettende op wat Art. 28 zegt: „maar dat allen schuldig zijn zichzelf daanbij te voegen en daarmede te vereenigen, onderhoudende de eenigheid der Kerk enz.

Luther legt als hij het predikambt noemt, nadruk op het prediken. Calvijn op het amibt. Luther gaat ook meer uit van den mensch, d.w.z. de Kerk is er om menschen te redden en te zaligen ; een kanaal, waardoor het heil komt. Terwijl toch Calvijn meer van God uitgaat, van Zijn Wezen, Zijn-wil. Zijn openbaring. Zijn souvereiniteit. Het gaat hem om de eere van den Koning in Diens Kerk hier op aarde. De Kerk is in de eerste plaats het lichaam van Christus, de vergadering der geloovigen, gemeenschap der belijders, waarin het Hoofd alleen zeggenschap heeft.

Wanneer wij zoeken naar het herstel van onze Kerk, dan is het niet in de eerste plaats opdat er vele zondaren gered zullen worden, maar wel 'Omdat de eere van den Koning het eisoht. Hij is de eenige, de groote Amibtsdrager, en allen die in onze Kerk een ambt bekleeden, doen dit als Zijne dienaren, opdat zij ook in de regeering onzer Kerk Hèm zouden eeren, Hèm, Wien heel de triomfeerende Kerk eens zal toeroepen : „Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging."

Tot nog toe spraken wij over den ooisprong van het predikambt, dje zijn plaats bepaalt. Thans komen wij tot ons tweede punt. Het karakter van het ambt, dat zijn roeping aanwijst. Al houden wij vast aan de ambtelijke bediening van het Woord, die bediening bestaat dan toch hoofdzakelijk in het prediken. Het werkelijke karakter van het predikambt is, dat de man, die optreedt, niets uit de wereld of uit zichzelf zegt, maar enkel en alleen optreedt als de stem van God Dit ligt toch al reeds opgesloten in het woord prediken. Het komt van een Latijnsch woord, dat beteekent : het uitroepen van den heraut (den praeco). Een heraut brengt niets van zichzelf, maar alles wat hij zegt is van zijn zender. Hij is maar een overbrenger van de boodschap. Als hij er iets anders van zou willen maken, er wat aan toevoegen, er van aflaten, dan zou hij een leugen-heraut zijn, of liever het karakteristieke van een heraut had hij verloren. Prediken is in de Schrift nooit anders bedoeld dan het prediken van het Evangelie, het verkondigen van het Woord Gods.

Wij hebben het diep te betreuren, maar het is dan toch zoo, dat door vele predikers in onze Kerk het Woord Gods niet gepredikt wordt. En zij, die in zulke gemeenten wonen, gevoelen het Zondag aan Zondag, wat het is, de prediking van het Evangelie der genade te missen, voor zichzelf en voor hun huisgezin. Geen wonder, dat zij zeggen : ik ben vooreerst wel tevreê als wij het Woord Gods dat naar de meening des Geestes verkondigd wordt, van den kansel mochten hooren.

En toch, zulk een prediker die het Woord Gods niet brengt, is een ambtsdrager van onze Kerk. Dit mogen wij niet ontkennen. Het wordt iets pijnlijks, maar strikt genomen moeten wij. Gereformeerde predikanten dezulken als onze ambtsbroeders begroeten. Zij zijn ook door oplegging der handen in het ambt bevestigd ; zij hebben „ja" gezegd, 'zij zijn op dezelfde wijze ambtsdragers geworden als de andereri.

Welnu, daar hebben wij te doen met een jammerlijke misvomiing van het ambt, omdat het karakteristieke eruit is. Het prediken is er uit.

Het is een wilde loot, geënt op een goeden stam. Laat zulk een boom zioh krachtig ontwikkelen, hij blijft onnut zijn plaats innemen. De landman die zulk een planting zoo goed mogelijk zou willen behartigen, doet niet anders dan die wilde loot opkweeken. Een prediker, die het Woord Gods niet predikt, maar overigens werkzaam en ijverig is, zijn' meeningen zooveel mogelijk ingang wil doen vinden, omdat hij zeker gelooft dat zij voor de menschheid tot zegen zijn, maakt van zijn ambt een wangestalte en hij doet niet anders dan die wangestalte aankweeken.

Laat ik in een ander beeld onze bedoeling nog verduidelijken. Ik neem u mee naar de Betuwe. Vanuit de pastorie doen wij een wandeling naar den Rijn. Wat is het daar mooi ! Zie, daar de bocht die de rivier maakt, slingerend haar stroomend water, dat glinstert onder het zonnelicht. Gij ziet den heuvelrug aan de overzijde, beplant met ranke dennen en groene heesters, terwijl aan deze zij de breede waarden zijn ; zij vor men een tapijt van frisch, groenend gras... 't Is alles even mooi, omdat 't alles natuur is. Het verveelt u nimmer om er naar te zien, omdat het altijd nieuw is. De groote Schepper heeft iets van Zijn maaksel daar neergelegd en er is niets van den mensch in dat ontsiert Maar stel u voor, daar is iemand, die met zijn geld geen raad weet, en hij laat heuvelrug en uiterwaard vergraven, hij wil wat rechter lijnen zien in den stroom, hij laat de heesters rond knippen, hij maakt een plantsoen van de uiterwaard en zet er misschien ook nog een vierkant huis op En gij gaat weer eens zien. Afschuwelijk, zegt ge, ik heb er bij het eerste gezicht genoeg van ! Ge ergert u vreeselijk ; de rivier is er nog wel, maar het karakteristieke is er uit weg En nu de conclusie : het is eene totale misvorming van het ambt, ontvorming, deformatie, wanneer er geen prediking van het Evangelie des Kruises is. Het is om er ons aan te ergeren als wij het mooie gezien hebben, het mooie van het ambt.

Want het predikambt is zoo schoon ! Als een prediker zioh door God geroepen mag weten, en hij is in het verkondigen van het Woord niet anders dan de stem van God, dan is alles uit God. En wat uit God is, is het eeuwig schoone. Zeker, de apostel zegt dat wij dien schat in aarden vaten dragen , en daarom zijn wij geneigd met onze menschelijke beschouwingen het Kruis van Christus te verijdelen. Er is dan ook genade noodig en veel Geesteskracht voor de rechte waa'rneming van het ambt, opdat wij ook waarlijk 'God alles laten zijn. Zijn Woord moet in die prediking alles zijn. Zijn Woord met Zijn heiligen eisch, met Zijn rijke beloften. Dan eerst komt het predikambt tot zijn recht ; dan is het predikambt wat het wezen moet, in zijn schoonste ontplooiing, wanneer het is de stem van God !

Prediken ! Dat is het karakter van het ambt, wat ook zijn roeping omvat. En vooral in onze dagen, waarin onze Kerk staat in een wereld vol tegenstrijdige meeningen, in een wereld vol vragen, vol strijd, vol beroering, verkrijgt deze roeping dubbelen ernst. „Predik het Woord", schrijft Paulus aan 'l'imotheüs, „houd aan tijdiglijk, ontijdig „lijk, wederleg, vermaan, 'bestraf in alle „lankmoedigheid en leer" En die prediking mag niet slechts voorwerpelijk zijn, ook niet slechts onderwerpelijk. Wij behoeven hier maar te herinneren aan het referaat dat door prof. Van Leeuwen hierover van deze zelfde plaats is gehouden. Als het slechts eene onderwerpelijke prediking is, loopt het grondig onderzoek van Gods Woord gevaar en dan is de stem Gods niet zuiver. De gansche rijkdom van het Woord des Heeren .moet toch ontvouwd worden en overeenkomstig de behcyeften der Gemeente toegepast. Wij hoorden eens een leeraar eens zijn prediking aanvangen. Hij had een schoonen tekst gekozen, die werkelijk wel eenige verklaring noodig had „Ik zal niets", zoo werd gezegd, „van de verklaring en van het verband zeggen, daarvan kunt gij lezen in dat en dat boek. Wij gaan onmiddellijk over tot de toepassing"... Neen, dat is niet goed te keuren. Er moeten uit den ouden schat oude en nieuwe dingen voortgebracht worden. Zoo zal ook de toepassing nieuw blijven en zich niet verliezen in allerlei herhalingen.

En zoo mag ook de onderwerpelijke, bevindelijke prediking niet gemist worden. Dat is het schoone van het predikambt, dat het de stem Gods is.-Als er alleen maar eene voorwerpelijke prediking is, dan wordt het contact gemist tusschen het levende Woord va^ God en het werk des Geestes in 't hart. En dan zou de stem Gods evenmin zuiver zijn. Versta wel, onderwerpelijke prediking, niet slechts van wat de ziel ervaart in het stuk der ellende, zooals het zoo vaak schijnt opgevat, maar het tweede en het derde stuk van den Catechismus mogen daarin niet gemist worden. De stem Gods moet zuiver zijn. Anders komen ook wij te vallen in de misvorming van het ambt.

Zoo heeft dan het predikambt de hooge roeping om door het Evangelie des Kruises de gemeente te vergaderen en haar op te bouwen op het fundament van apostelen en profeten, opdat de Kerk zou wezen een pilaar en vastigheid der waarheid, dit is een zuil en grondslag, die de waarheid draagt en uitstalt voor ieders oog en allen kenbaar maakt Het gaat dus bij het predikambt in den grond om de stem te wezen van God tot Zijn volk, opdat het Hem behage dat middel te gebruiken, om zondaars tot Christus te bekeeren, hen te redden van het verderf, maar ook om te troosten en te bemoedigen, te leiden en te weiden. Het predikambt is de schakel tusschen God en Zijn volk, opdat dat volk zou zijn een licht op den kandelaar, een stad op een berg.

Daar zijn er, die van een ernstige waarschuwing in de Kerk niet hooren wiilen. Het is de gemeente van Christus, zegt men, die daar samenkomt. Die heeft geen waarschuwing voor Gods oordeel noodig, moet alleen maar opgebouwd worden in de kennis des levens Maar leg naast deze opvatting eens wat Calvijn zegt van de Kerk ! „In deze nu zijn zeer vele huichelaars onder de leden gemengd, die van Christus niets hebben dan den uiterlijken naam en schijn ; zeer vele eerzuchtigen, gierigaards, nijdigaards, kwaadsprekenden ; zeer veel schapen zijn er buiten en zeer vele wolven binnen de zichtbare Kerk." Neen, Calvijn zal het ons niet zeggen dat de roepstem tot bekeering en de waarschuwing voor Gods oordeel in de Kerk niet gehoord mag worden

Prediken. Dit woord geeft karakter en roeping van het predikambt aan. En gelukkig mag ook in onze Kerk dat prediken vrij geschieden. Van menigen kansel mag jaar in jaar uit de heraut zijn boodschap brengen. Dat moeten wij toch met dank erkennen, bij alles wat ons bedroeft. En meer en meer openbaart zich een vragen naar de prediking, waarin een zondaar op het diepst vernederd wordt en Christus op het hoogst geprezen. Waarlijk, dat is van groote beteekenis. Van die prediking heeft toch de Heere gezegd : Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld Het gaat zeker om de eere van den Koning wanneer wij een zoo zuiver mogelijke kerkinrichting wenschen. Maar wij turen ons daarop niet blind ! Want het is ook tot eere van Christus als er door de prediking een zondaar gered wordt van den dood, als er dwalenden mogen worden terecht gebracht, aan vermoeiden rust wordt geschonken en zij, die den Heere vreezen, gesterkt worden in het geloof Wat een mooi werk is het, als God menschen verwaardigt, daarvoor een middel te zijn ! Want in de veelheid van des Konings onderdanen is Zijne heerlijkheid. Wij moeten niet hard oordeelen over de redenen, waarom een predikant vaak in onze dagen tot een anderen staat des levejis overgaat. Daarin heeft de gemeente dikwijls groote, schuld. Maar wij kunnen het ook begrijpen, dat iemand die het voortreffelijke van het ambt gezien heeft, zegt: „ik wil nog maar het liefst dominé zijn." God geve* dat er velen mogen komen die met lust en liefde het predikambt in onze Kerk vervullen naar het karakter en de roeping daarvan ; zij zuilen dan een stpm Gods wezen die uitgaat tot de duizenden bij duizen.; , , die nog door onze Kerk te bereiken zijn.

111. Wij komen tot ons derde punt. Dat zal kort wezen. Wij bedoelen de moeite die aan dat predikambt, bepaaldelijk in onze Kerk verbonden is. Het stuk der ellende komt het laatst. Als wij daarover kort zijn, is het niet omdat die moeite maar gering is. Het stuk der ellende is in onzen Catechismus ook het kortst, maar er wordt genoeg in gezegd. Erger kan het al niet.

De moeite van het predikambt... ja, dat is ook de moeite van alle Gereformeerde menschen in onze Kerk, maar de ambtsdrager komt er wel het meest mede in aanraking.

Wij noemen onze Kerk een kranke Kerk, nochtans een ware. Maar met een kranke is niet veel te beginnen. Vele doktoren komen hem bezoeken, de een geeft dézen raad, de ander doet dat middel aan de hand, een derde zegt : laat hem eens opzitten ; een vierde : probeer eens of hij loopen kan maar er is verder niets mee te beginnen ; ge kunt hem niet aan het werk zetten.

Onze Kerk is een kranke. En toch is er zooveel werk voor haar. In het midden van ons volk moet zij zijn een stad op een berg. En dat is zij niet. Inplaats dat zij stuur geeft aan de meeningen, richting bepaalt in de woeling der geesten, stroomen allerlei meeiiingen uit de wereld haar muren binnen. Precies 't tegenovergestelde van wat moest. Terwijl de gescheiden Kerken ('t is er ook niet alles goud wat daar blinkt) er toch pogingen toe doen om hunne belijdenis uit te bouwen, opdat naar Gods Woord daarin wordt uitgedrukt wat de Kerk belijdt tegen de dwalingen van onze dagen, kunnen wij daar zelfs niet aan denken ! Wij komen nooit verder dan de ziekekamer, als wij iets van onze Kerk zouden verwachten. En toch, er gaat een breede schare langs de Kerk heen, de jeugd groeit op zonder haar en blijft van de kennis des Evangelies verstoken, heel de cultuur gaat buiten het Christendom om, de heidensche ideé's en de heidensche praktijken vinden ingang, en dat bij zooveel woeling in het sociale en nationale leven. Dat is de moeite waarmede Wij als ambtsdragers, maar ook de leden dèr gemeente, telkens weer in aanraking komen. Maar er is nog meer, hoewel het alles verband houdt met de ziekte van onze Kerk. Straks heb ik u in gedachte meegenomen naar den Rijn, om het mooie daar te zien, wijl het alles natuur was, van God den Maker daar neergelegd. Maar ik stelde u ook voor dat het alles door menschelijke hand anders en leelijk was gemaakt. Ontvormd was alles, omdat het karakteristieke er uit v/eg was. En niet waar ? Ge hebt toen dadelijk gezegd : „Daar ga ik nooit meer heen ; daarnaar wil ik niet meer kijken" Goed, daar hebt ge groot gelijk in. Ga maar zien waar 't mooier is... Maar als ge er nu altijd op kijken móét, dan wordt het naar, dan schudt ge die moeite maar zoo niet van u af Er is in onze Kerk jammerlijk veel misvorming van het predikambt. En daar moeten wij altijd naar kijken. En daar begint de moeite weer. Daar wordt het ons weer bang. Wij zijn in dezelfde Kerk ; wij wonen in één huis. Die band wordt niet eerst gelegd door het nieuwe reglement, waardoor men nu ook nog voor elkaar offeren moet, maar hij was er reeds lang. Als wij er nu in de praktijk niet zoo mede in aanraking komen, gevoelen wij dat niet als iets pijnlijks. Wat heeft een Gereformeerde gemeente in Friesland practisch te maken met een moderne in Noord-Brabant ? En toch , het verband ligt er even goed. Soms komt het in de practijk duidelijk uit. Om maar eens een voorbeeld te noemen.

In de eene gemeente, A, zullen wij haar  maar noemen, is geen enkele ambtsdrager  die met de belijdenis der Kerk instemt of de  heiligheid van het ambt beseft. In een andere gemeente, B, slaan alle ambtsdragers  op den bodem der belijdenis, buigen voor  Gods Woord en hebben de eer van Koning  Jezus lief gekregen. Iemand komt met attestatie uit A naar B I De kerkeraad  van A. verklaart dat het met de leer en het  leven goed is. Sommigen zouden zeggen :  „hadden wij nu maar 't independentistische  stelsel van Kerkregeering (elke gemeente  los van de andere), dan hadden wij met  zulk eene attestatie niets te maken". Maar  het independentisme is niet naar Gods  Woord. Het zou een gemakkelijke weg zijn,  maar niet de zuivere. Wij zouden de kranke  (de Kerk) van de eene ziekenzaal naar de  andere dragen. Wat zou ons dat baten ?  Zulk eene attestatie moet aanvaard.  De naam moet ingeschreven worden. Natuurlijk ! Kerkrechterlijk is alles in orde.  Wij 'behooren allen tot dezelfde Kerk. Daar  is geen speld tusschen te steken. Maar gij  gevoelt met mij, dat hier de wangestalte van  het ambt optreedt. En die wangestalte geeft  eene verklaring van groote beteekenis, over  de meest belangrijke zaken, de zaken des  Konings. En wij moeten die goedkeuring en  verklaring aanvaarden alsof de Koning der  Kerk Zelf het deed. Hier ligt de moeite. Hier  ligt de zorg die maar drukt een ieder die  nauw leeft met zijn predikamtot. Dit is tot „ smaad van onzen Koning. Want er , treedt een wangestalle in Zijn Naam op... wij moesten kort geleden een doopdienst vervullen in een moderne gemeente. Twee leden van dien kerkeraad moesten tegenwoordig zijn ; 2ij waren ambtsdragers, die .zicht houden moesten, terwijl zij toch iets gevoelden van de heiligheid van den doop enz. Het misvormde ambt trad weer op om toe te zien .en dat toezicht moesten wij aanvaarden alsof Christus Zelf het deed. zoo zouden wij kunnen voortgaan ! Maar doen wij niet. Wij hébben iets aangestipt een kort stukje van ellende genoemd, waarmede in het bijzonder het predikambt in onze Ned. Herv. Kerk in aanraking komt. Dat veler oogen daarvoor open mochten gaan! Wij moeten die ellende zien ; wij moeten weten waar de zonde van onze kerk ligt. Wat helpt het ons, wanneer wij met vele en groote woorden over die zonde spreken, zonder te verstaan waar eigenlijk de ellende wringt en pijnigt. Het moet ons niet te doen zijn om op onze Kerk te smalen want wij hebben van dag tot dag deel aan haar sohuld. Maar wij hebben elkander te wijzen op Hem, Die Zijn Gemeente regeert opdat wij ook Hem al onze ellende dén klagen. Die machtig is te doen boven alles wat wij denken of vragen.

Moet ik dan met het stuk der ellende maar eindigen ? Neen, dat niet ! O zeker, het is al veel, dat wij elkander wijzen mogen op Hem, Die aan Zijn dienstknechten zeide, Ik ben met ulieden" Veel, als wij ook op die belofte mogen leeren pleiten. Maar hebben ook nog iets anders te zeggen. Denk aan een sohip, dat op de golven der zee heen en weer slingert. De orkaan drijft water woest omhoog en het valt neer, bruisend, klotsend naar beneden. Wind en golven schijnen samen te spannen om het schip doen vergaan Aan bakboord staat de stuurman ; een ander staat aan het roer, een ander, dien hij niet vertrouwt. En zijn handen jeuken, om het roer te grijpen en vast te houden zoolang hij kan. Wat denkt hij dan wel ? Zal hij idie golven kunnen bezweren, zal hij die bulderende orkaan kunnen overwinnen ? Neen, dat niet. Och, het roer doet tegen die machten niet veel ! een weinig ! Als het stuur verloren is, alles verloren ! De eenige plaats waar hij wat zijn kan, is aan het roer. En vandaar die aandrift zijns harten, en de wenschap, 'k wou dat ik aan het roer stond ! Onze Kerk is ook een scheepje ! De golven van ongeloof en zonde trachten het te doen neerploffen in de diepte ! Ach , wij voelen ons zoo nietig, zoo onmachtig tegenover zooveel geweld ! Er is er maar 1, Hij, die overwonnen heeft over dood en die ook deze machten kan beheerschen. het scheepje van onze Kerk wordt heen weer geworpen. Maar wat die stuurman wilde, dat is het onze. Och, dat ik het roer mocht vasthouden, is zijn wensch ! Gereformeerde predikanten in onze kerk, die wenschen te staan op den bodem van onze belijdenis, wij hebben de eenigste plaats die een stuurman maar wensen kan. Al moet zijn scheepje vergaan, hij zal het stuur zoolang mogelijk houden. wij wekken elkander op dezen dag om onze plaats niet te verlaten ; biddend het roer vast te houden ; om getrouw te wezen aan het beginsel der Heilige Schrift I Wij wekken elkander op om getrouw te zijn in de verkondiging van Gods Woord; in de onderwijzing der jeugd op school en catechisatie. Wijl God daarover den zegen gebieden wil, maar niet minder dat wij gelooven in de trouw van Christus voor Zijn Kerk, Die gisteren en heden Delfde is, en tot in eeuwigheid.

Vij wekken ook jonge mannen op om naar het predikamibt te staan. Want het is ; altijd een schoon ambt, en het heeft ook in onze Kerk nog een plaats en nog eene roeping.

Wij houden het roer vast en wekken daartoe elkander op. Ook onze Herv. Kerk heeft ! een roeping. Zij is altijd nog de Kerk van ons volk, zij heeft nog veel menschen binnen haar bereik, om ook Gods Waarheid te brengen aan het volk, ook om zielen te leiden tot de kennis der zaligheid.

Het predikambt worde in onze Kerk geerbiedig om zijn verheven oorsprong, en zijn plaats die het hebben moet, het.worde geeerbiedigd om zijn uitnemend karakter en grootsche roeping. Het is uit Christus, het worde ook aangewend tot roem van Hem, Die de groote Ambtsdrager is. Hij zal de schapen bewaren, al wandelen zij hier weerloos te midden der wolven. Niemand zal ze uit Zijne hand rukken. Hij heeft gezegd : op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

Ik heb gezegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verslag

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's