De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

Het Mormonisme.

Bizonder hebben we nog stil te staan bij twee echt-Mormoonsche leerstukken, n.l. „de doop voor de dooden" en „de verzoening door het storten van het bloed van den medemensch".

De zoogenaamde doop voor de dooden is een machtig lokaas om aanvankelijk gewonnenen naar Utah, in Amerika, te trekken, en hen daar voor goed tot slaven van het Mormonisme te maken. De „profeet" toch verklaarde uitdrukkelijk, dat deze doop slechts mocht geschieden in de op te richten tempels („Leer en Verbonden" afd. 124 : 28 —39) en dus zit er voor hen, die dierbare betrekkingen, welke wegsterven zonder met het „nieuwe Evangelie" van het Boek van Mormon, bekend te wezen, gaarne willen behouden, niet anders op dan naar het beloofde land te reizen, om zich daar voor hunne dooden te laten doopen. Waar dan nog bij komt, dat niemand dat werk mag verrichten, tenzij hij trouw de tienden heeft betaald.

De Mormoon gaat van de gedachte uit, dat er redding is voor de gestorvenen. Niet alleen moet hier op aarde iemand voor hen worden gedoopt, maar tevens zijn er aan de overzijde van het graf zendelingen, die hun daar het Evangelie verkondigen. Zoo is er samenwerking tusschen de nog levende „heiligen", die zich voor hunne dierbaren laten doopen en de gestorvene „heiligen" die dezen veriorenen het Evangelie brengen.

Dat den dooden het Evangelie wordt gepredikt leidt men dan af uit de bekende woorden van Petrus : „Want Christus heeft ook ééns voor de zonden geleden, hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat hij ons tot God zoude brengen ; die wel is gedood in het vleesch, maar levend gemaakt door den Geest. In den welken hij ook henengegaan zijnde den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water" (1 Petr. 3 : 18 —20) en vervolgens : „Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zouden naar God in den geest" (1 Petr. 4:6)

De uitlegging van deze Schriftuur-plaatsen is bekend. Er wordt in gezegd, dat Christus zich het lot der eerste wereld heeft aangetrokken, waarvoor bewijs is de prediking van Henoch en van Noach, die gesterkt en bekwaamd door den Geest Gods, met de menschen hebban geworsteld, om hen van den ondergang te redden, door hun te prediken gerechtigheid. (2 Petr. 2:5). Deze menschen zijn echter ongehoorzaam geweest en hebben de prediking van bekeering en verlossing in den wind geslagen en de lankmoedigheid Gods (die 120 jaren op hen wachtte, terwijl Noach de ark toebereidde) veracht hebbende, zijn zij geoordeeld en geworpen in de gevangenis der hel (Matth. 5 : 25, 2 Petr. 2 : 4, 5), terwijl Noach en zijn gezin zijn behouden in de ark.

Aan hen, die nu dood zijn en zuchten in de gevangenis (de hel) is dus het evangelie gepredikt en wel, toen zij leefden.

Van een prediken des evangelies aan de dooden is dus in boven besproken plaatsen schijn noch schaduw. Overal wordt trouwens in de Schrift geleerd, dat het leven is het heden der genade, de welaangename tijd tot bekeering ; terwijl na den dood en in het graf geen bezinning en geen bekeering meer mogelijk is. Onze verhouding tot Christus aan deze zijde van het graf beslist dus over ons eeuwig wel of wee ; en de boom blijft liggen, zooals hij valt.

Feitelijk is er dus ook nergens in de Schrift — Schrift met Schrift vergelijkend — grond voor het gevoelen, als zouden wij ons voor de dooden kunnen laten doopen. Wel schijnt 1 Cor. 15 : 29 den Mormonen in 't gevlei te komen, omdat de Apostel daar vraagt : „Anders, wat zullen zij doen, die voor de dooden gedoopt worden, indien de dooden ganschelijk niet opgewekt worden ? Waarom zouden zij voor de dooden ook gedoopt ? "

Het is duidelijk, dat Paulus hier in het bekende 15de hoofdstuk van den Isten Corinthebrief, waar over de opstanding der dooden gehandeld wordt, ten sterkste veroordeelt allen die aan de opstanding twijfelen. Laten die dan maar zeggen : eten en drinken en vroolijk zijn ; want morgen zijn we dood ! Dwazen, zoo zegt Paulus, dat gij de opstanding loochent. En dubbel dwaas zijn zij, die van een opstanding niet willen weten en zich dan zouden laten doopen voor zichzelf en daarna zich nog eens zouden laten doopen voor degenen, die reeds dood zijn! Als er toch geen opstanding der dooden is, waarom laten zulke menschen zich dan nog eens voor de tweede maal doopen voor de gestorvenen?

Paulus keurt dat „zich laten doopen voor de dooden" volstrekt niet goed. Hij weet dat het een heidensch inkruipsel is, die „remplacanten-doop". Paulus heeft al vaker getoond bang te'zijn voor een doop uit bijgeloovigheid. En daarom keurt Paulus hier dat „zich laten doopen voor de dooden" zooals dit blijkbaar bij een zekere partij voorkwam, geenszins goed ; en' eigenlijk spot hij er geweldig mee in heel zijn redeneering, door te zeggen : dat zijn nu die menschen, die van geen opstanding der dooden, naar ziel en lichaam willen weten ; dat zijn nu die menschen, die zeggen : dat kan niet, dat de dooden opstaan — terwijl ze tegelijk zich begeven tot heidensche mysteriën en zich voor de dooden laten doopen, meenende zoo gemeenschap met de geesten der afgestorvenen te kunnen oefenen !

Net dus, als in onze dagen, bij spiritisten, theosofen, Buddhisten enz., dat grijpen, tegen de Schrift in, naar het geheimzinnige, terwijl verworpen wordt, wat ons in Gods Woord is geopenbaard !

Paulus schrijft dan ook niet van „wij, die ons voor de dooden laten doopen" — maar hij schrijft over een zekere partij, die in die dwaling vervallen is. Verder wordt er dan in de Schrift met geen woord van gerept! Paulus doet dat meer, dat hij een uitstapje maakt naar degenen, die er een wonderlijk mengelmoes van christelijk-heidendom op na houden. Lees maar eens wat hij in 1 Cor. 8 : 10 zegt, van degenen die nota bene vrijheid vonden om in een afgodstempel aan te zitten, 't Is me de vrijheid wel ! Daarom staat er ook 1 Cor. 10 vers 14—22 „Daarom mijne geliefden, vliedt van den afgodendienst. Als tot verstandigen spreek ik hebben degenen die deofferanden eten niet geaneenschap niet het altaar? Ik zeg dat hetgeen de heidenen offeren, zij het den duivelen offeren en niet Gode. En ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt, enz."

Als tot verstandigen spreekt Paulus. En dan veroordeelt hij, wat onverstandigen doen !

Gelukkig, dat we .later nooit weer in de Gemeente hooren, dat het doopen voor de dooden plaats had; Blijkbaar heeft Paulus dat voor goed den kop ingedrukt en ook deze zaak — blijkens 1 Cor. 11 vers 34 —• nader in de Gemeente geregeld.

En nu komt waarlijk het Mormonisme met deze heidensche dwaalleer der onverstandigen weer naar voren !

(Wordt vervolgd).

V Het Reglement op de Predikantstractementen.

Een oordeel II. Gods.

In ellende-tijd geboren 1

En met centralisatie dacht men genezing te kunnen brengen. Dwang in 't groot; van uit het Synode-huis in Den Haag ; aanslaan de alle doopleden voor een hoofdgeld, aanslaande alle belijdende leden voor een bedrag, alles per jaar te betalen aan de Synode, welke dan uit een nieuw te stichten Synodaal-fonds zou distribueeren over de verschillende predikanten.

Elke gemeente moest dan een minimumtractement geven plus vrije woning — en in de algemeene Synodale Kas moesten de leden der Kerk, naar aanslag in Den Haag vastgesteld, hunne bijdragen storten, om uit die Kas aan de predikanten toelagen te geven voor dienstjaren en als kindergeld. Dwang ! ' Omdat de Gemeente pro Deo — om Gods wille — niet had geofferd.

Omdat de Gemeente niet zich had geschikt en gevoegd naar Gods wil.

Omdat de Kerk als een bedelvrouw met een fooi werd afgescheept of ledig werd weggezonden, terv/ijl Abraham reeds wist, dat voor Gods Kerk tienden moesten worden betaald.

Gods eer is geschonden. Gods Kerk is te kort gedaan. Aan Gods Woord en Wet heeft men zich onttrokken, om willekeurig te handelen met Gods geld.

En dan komt God tusschen beide. Dat doet de Heere altijd.

Als Israël weigert de tienden den Heere te betalen en weelderig leven gaat, der wereld gelijkvormig wordend, dan bestelt de Heere de heidenen en schattingen moeten gebracht den onbesnedenen. En als Elimelech — God is mijn Koning 1 — stil z'n bezittingen tot geld maakt, om te verhuizen naar Moab, dan komt de Heere, die Koning is, hem straffen, totdat zijn weduwe als Mara — die van bitterheid vol is — weer terugkeert naar Bethlehem.

God laat niet met Zich spotten. Men kan den Heere ook niet ontloopen !

't Is vreemd gegaan met dat Reglement op de predikantstractementen, dat wij als een oordeel Gods over onze Herv. Kerk beschouwen.

Jaren en jaren is over de tractementenkwestie gesproken en de Kerk liet maar praten en er gebeurde niets. Vrij zich schikken naar Gods wil in deze verkozen de gemeenten niet te doen. Er waren Rijkstractementen, er waren fondsen — ook was er de blufferige of sufferige plaatsenverhuring ; ook was er de kerk-cent in het bedelzakje, dat heel gemoedelijk, zonder boos te worden, de Kerk Zondag op Zondag den kerkbezoekers soms tweemaal achter elkaar in één dienst onder den neus hield. Voor de Kerk des Heeren ! !

De huishouding Gods moest onderhouden worden uit dood kapitaal — de fondsen ; en daarbij werden wat centen, opgehaald van levende menschen.

Neen! Pro Deo betalen dat wilde men niet. Men begreep, men voelde niet eens, dat het noodig was.

En zoo verarmde alles. Er kwamen geen nieuwe predikantsplaatsen ; geen uitbreiding van arbeid. En toen de crisistijd kwam, was dat armoede bovendien in de predikantsgezinnen, waar toch al nooit weelde gevonden werd — althans niet van het tractement. Was er nog een rijke dominé hier of daar, dan kon hij rondkomen ; maar dan was hij ook aan z'n eer verplicht om z'n tractement zoowat heelemaal weg te geven. Er was immers zoo groote nood hier en zoo groot gebrek daar. En de Kerk kan toch niet alles doen ! !

ledere ouderling, die boer is, houdt graag jaarlijks een paar honderd gulden over.. ledere kerkvoogd, die bakker is, gaat graag jaarlijks wat vooruit.

ledere diaken, die schoenmaker is, ziet graag dat jaarlijks z'n kasboek een batig slot heeft.

ledere notabel, die korenkooper of molenaar of timmerman is, werkt niet graag met verlies.

Er zijn kinderen. En men wil wel wat vooruit.

Maar een dominé mag geen honderd gulden over houden.

Een Gereformeerde bankier wél. Maar een Gereformeerde dominé niet. Een Gereformeerde boer wel. Maar een Gereformeerde dominé niet. 't Is toch een wonderlijke wereld, waarin we leven En de Gemeente verstond het niet om pro Deo te betalen.

Toen moest Gods Kerk verarmen. Toen moesten de dienstknechten gebrek lijden.Vooral toen de vreeselijke oorlogsjaren kwamen en aanhielden.

En waar er geen kantoor en geen fabriek en geen werkplaats is, waar, als de zaken zich uitbreiden, niet dubbel, drie dubbel personeel komt; en waar er geen ambacht of bedrijf is, waar de loonen niet verdubbeld of verdriedubbeld zijn — dat moest immers en omdat het moest, kwam het er! — ziet, daar zijn de arbeidskrachten in de Kerk niet verdubbeld en daar zijn de tractementen van hen, die in Gods huis dienden, niet naar behooren verhoogd. Pro Deo betalen wilde men niet.

Hier en daar werden de collecten wat hooger — en het moest alle den volke luide worden verkondigd ! — maar de kerkcent bleef inderdaad de kerk-cent. De Kerk was en bleef de bedelvrouwe, die de hand moest ophouden en die men naar believen één of twee of drie centen gaf op een Zondag, op een dag, welke de dag des Heeren is !

Men voelde niet eens, dat de eere Gods in het spel was.Om de publieke positie van Kerk bekommerde men zich niet. 

„De dominé's moeten een Kassier in den hemel hebben", — zoo schreef ons een ouderling pas ; een Gereformeerd man, die het niet zoo kwaad bedoelt blijkbaar, maar toch in de verste verte niet begrijpt dat het hier om Gods Kerk gaat.

ja, 't is waar : . de dominé's moeten een Kassier in den hemel hebben.

En die Kassier staakt Zijn betalingen niet. Ook in duren tijd of hongersnood zelfs niet. „In de bangste smarten, blijven onze harten in den Heer' gerust" mag dan ook nog wel eens hier en daar in de pastorie gezongen worden !

Maar die hemelsche Kassier klaagt, dat Zijn Gemeente, welke Hij als rentmeester stelde hier op aarde, niet voelt waartoe zij van Godswege geroepen is. En dat komt die hemelsche Kassier bezoeken op Zijn tijd; want Hem, ja. Hem wordt diefelijk ontstolen wat Hem toekomt.

God laat niet met Zich spotten. Hij laat Zich ook niet bedriegen.

En Hij heeft geschud en geklopt en geroepen en gewaarschuwd.

Maar vrijwillig kwam er niet een zich voegen naar Gods Woord en Wet. Men bleef voortdommelen. Men zag het niet wat noodig was en wat moest gebeuren. Of men dorst niet. Men wilde niet. 't Bleef sukkelen. En toen is uit het midden van den Bond van Predikanten de actie gekomen voor de regeling van de tractementen en voor de regeling van de pensioenen ; en men vroeg hulp voor die arme weduwen en weezen. Waarbij de Synode moest volgen.

Ja, het hoogste wetgevend, besturend, rechtsprekend lichaam heeft niet geleid, maar is geleid geworden. Belachelijke zaak !

Die openbaart, dat alles schots en scheef door elkaar ligt bij ons en alles glad verkeerd gaat. God laat niet met Zich spotten. Hij laat ons vastloopen in ons eigen geharrewar. Een oordeel Gods.

Omdat de Gemeente weigert zich vrijwillig te voegen naar Gods Woord en Wet. Omdat de Gemeente niet verstaat pro Deo te betalen.

„En wilt Zijn straffen gadeslaan." (Wordt vervolgd).

De leer van de menschelijke vrijheid.

Voor velen — en we denken aan modernen en aan ethiischen — is de mensoh, naar ze liet laten voorkomen, een vrij wezen ; met een vrijen wil. Dat vrije wezen met vrijen wil-moet de* waarheid zoeken. Die waarheid moet gepredikt worden en dan heeft de vrije mensch vrij te kiezen. Zoo komt de mensch tot het ware leven en tot den waren godsdienst.

Voor den Gereformeerde is de mensch slaaf ; slaaf van de zonde, slaaf van de dwaling, en God moet hem komen opzoeken in zijn gevangenschap en de waarheid moet hem komen vrij maken.

Voor den Gereformeerde staat daarom de prediking van Gods Woord op den voorgrond.

Of de dorre doodsbeenderen zullen gaan leven ? De Gereformeerde weet het niet. Lees Ezechiël 37 ! Maar op Gods bevel gaat hij prediken en de waarheid naar Gods Woord gaat boven al. „Daar staat geschreven !" is zijn boodschap en zijn wijsheid en zijn sterkte.

De mensch was wel vrij vóór den vail. Thans echter is hij slaaf.

De vrije mensch zou slechts zijne vrijheid hebben te gebruiken om tot de waarheid te komen ? Hoe kan men het toch leeren op deze wijze, nu de zonde alles uit elkaar gerukt heeft en de mensch geworden is een kind der duisternis, een dienstknecht der zonde, een vijand Gods, een kind en volgeling van den vader der leugen ?

Neen, de werkelijkheid is anders met den mensch, dien men valschelijk een vrij schepsel noemt, sprekende van de menschelijke vrijheid.

De mensch zit gevangen. En nu kan de mensch alleen komen tot de vrijheid, als de waarheid hem opzoekt en hem van zijne ketenen verlost, hem de schellen van de oogen rukt en hem tot God komt bekeeren. Niet de vrije mensch zoekt God.

Maar God, die vrij is in al Zijn weg en werk, zoekt den mensch, die in slavernij is. Luther en Calvijn hebben de menschen niet gered door hun vrij onderzoek te geven. Ze hebben hun de Waarheid Gods bekend gemaakt en die hun terug gegeven, naar Gods Woord. Ze hebben hun het kruis van Christus gepredikt. De Hervormers hebben niet de vrijheid gepredikt, om tot de waarheid te komen. Maar — omgekeerd — de waarheid maakt vrij. (Joh. 8 : 32). Die de Zoon zal hebben vrij gemaakt, die zal waarlijk vrij zijn (Joh. 3 : 36).

O ! wat heerscht hier een verschrikkelijke dwaling !

Omdat men den mensch niet beschouwt, zooals Gods Woord zegt, dat we den mensch, den gevallen mensch, moeten beschouwen.

Men verheft en vertroetelt den mensch. Men plaatst hem op een voetstuk. Men leert dat de mensch een vrij schepsel is, die vrij komen moet tot de vrije keuze tusschen waarheid en waarheid. En als gevolg van die verkeerde stelling, leert men dan verder, dat de mensoh, die een vrij wezen is en in vrijheid tot de waarheid komen moet, zoodra hij de waarheid, welke hij waarheid acht, gevonden heeft, zich met gelijkgezinden te vereenigen heeft.

't Eene volgt uit het andere.

En zoo wordt dan de Kerk een vrije vereeniging tot onderlinge stichting en beoefening der Waarheid.

De Vrije-Vereeniging alleen is dan de Kerk.

Eene dwaling van onzen tijd, waartoe men komt als men de orde des heils gaat omkeeren.

Men laat den mensch komen tot de waarheid.

En men laat de waarheid niet komen tot den mensch.

Dan krijgt de mensch de keuze en de leiding en het gezag.

Terwijl de Waarheid Gods het gezag en de leiding hebben en houden moet ; waarbij de Waarheid Gods, Gods Woord, de keuze wordt : voor of tegen.

Alleen zóó krijgt de Kerk van Christus een vast fundament.

Een fundament en sluitsteen, buiten het welk geen zaligheid is.

Dan is het een plantinge Gods, het huis des Heeren, de Gemeente van Christus, waarbij een ieder zich te voegen heeft, die buigt voor Gods Woord en Christus erkent als Zaligmaker.

Waarbij velerlei openbaringsvorm weer is, geweest is en zijn zal, om der zonde wil. Maar waarbij een ieder, zal het wel zijn, Gods Woord als hoogste autoriteit heeft voor te leggen.

De Luthersche Kerk — de Hervormde Kerk - de Gereformeerde Kerk — de Christelijk Gereformeerde Kerk zijn openbaringsvormen van het huis des Heeren, van de Kerk van Christus. Openbaringsvormen die er zijn, omdat de zonde alles gebrekkig doet zijn en scheiding maakt.

Maar waarbij noch de een, noch de ander — zal het goed zijn — een andere leuze mag kennen en voordragen, dan deze : Gods Woord heeft de hoogste autoriteit en aan dat Woord hebben we ons allen te zamen en ieder voor zich, te onderwerpen. Dat Woord eischt, dat we één zijn.

In de toepassing zal men dan verschillen. Neem b.v. maar de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken en de Christelijk Gereformeerde Kerk.

Maar de éénheid is en moet zijn en moet m.6er en meer worden : de autoriteit van Gods Woord. Eén in de Waarheid. Eén in Christus. Eén naar Gods Woord !

Alle valsche vrijheid, die de zondige mensch, die een slaaf der leugen is, opeischt, moet veroordeeld. Het is het verderf voor den mensch en de ondergang der Kerk.

En de Waarheid moet boven alles gaan. Dan is er de ware vrijheid en komt er meer en meer de gewenschte éénheid ! De leugen ontbindt.

Alleen de Waarheid ve.reenigt. En immers de Waarheid d.i. Christus, vereenigt Zijne uitverkorenen.

Zijne kinderen behooren thuis in Zijn Kerk Ze zijn Zijn lichaam ; Hij is hun Hoofd. Niet zooveel Kerken als er overtuigingen zijn.'

De Kerk van Christus is één organisme. De Apostelen beschouwen alle verdeeldheid als een kwaad. Lees maar eens wat Paulus schrijft aan het adres van de Christenen die te Corinthe zijn !

En de Heiland houdt dit als ideaal : dat alle Christenen één zijn, gelijk de Vader en de Zoon.

Neen ! het is nu op aarde, nu onder óns helaas ! zoo niet, dat alle geloovigen één zijn. De éénheid is zoek onder de belijders van Christus' Naam.

Maar dat mag geen oorzaak zijn om te leeren; dat ieder vrij is om te gaan en te staan „naar z'n Christelijke overtuiging." Dat is uit den booze die leer !

De verdeeldheid moet veroordeeld en bestraft worden met heiligen ernst.

En aan allen moet de eisch gesteld worden, niet van de subjectieve overtuiging of meening, maar van de objectieve waarheid, naar Gods Woord. Volgens de Individualisten zal de Kerk van Christus bestaan uit vele vrije vereenigingen, naar de verschillende overtuigingen, die zich zullen vormen in de harten der Christenen.

Maar de Gereformeerde leert, dat Gods Woord boven.alles gaat en dat de Kerk van Christus heeft te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid, waarbij zich allen hebben te voegen, die belijden, dat het God de Vader  is die trekt uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Die toevoegt aan Christus en Hem inlijft door de wedergeboorte, om te leiden door den Geest in de waarheid welke naar Zijn Woord is.

Die objectieve dingen staan boven alle subjectieve meeningen.

En zoo heeft de Kerk, als het lichaam van Christus, de vergadering der geloovigen te zijn, die één Waarheid liefhebben, door één Geest leven en één Hoofd eeren en gehoorzamen — naar uitwijzen van Gods Woord.

Dat ligt verkeerd.

Het wonderlijk verschijnsel doet zich in ons land voor, binnen de grenzen van onze Ned. Herv. Kerk, dat het Kerkegoed gebruikt wordt voor aanleg van wegen, aankoop van plantsoenen, aanleg van electrisch licht enz. enz., en dus voor dingen waartoe dé burgeriijke gemeente geroepen is en dit geheel op het terrein der burgerlijke gemeente liggen — terwijl de burgeriijke gemeente niet zelden overbelast is met de verzorging der vele armen, zieken, gebrekkige ouden van dagen, weezen, enz. enz., waar de Kerk een zoo heilige en heerlijke roepino heeft, maar waar de Kerk niet zelden tekort schiet en gaarne alles wat mogelijk is afschuift op het Burgerlijk Armbestuur.

Hier zouden we aan de leuze : „onderscheiding van terreinen voor Staat en Kerk !" nog eens willen herinneren.

Zou het niet beter zijn, als ieder op eigen terrein bleef?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's