De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

15 minuten leestijd

Maak mij als één uwer huurlingen. Lukas 15 vers 19b.

ALS EEN VAN UWE HUURLINGEN *) I.

Het is een bekende uitspraak die de Heere eenmaal door den dienst van den profeet Zacharia gedaan heeft : Ik zal Mijne hand tot de kleinen wenden. Daar blijkt uit dat er in het Koninkrijk Gods niet alleen grooten, rnaar ook kleinen zijn. Nie alleen eikeboomen der gerechtigheid, maar ook rieten, die van den wind heen en weder bewogen worden.

De apostel Johannes spreekt in een zijner brieven immers ook van vaders, maar ook van jongelingen en ook van kinderen in de genade. En de dichter van Psalm 8 bedoelt het niet alleen in letterlijken zin.als hij zegt dat de Heere zich uit den mond der kinderen en zelfs der zuigelingen sterkte gegrondvest heeft.

Ja, daar heerscht op den weg des levens, daar heerscht in den staat der genade de allergrootste verscheidenheid.

Als gij Bunyan's Christenreis naar de eeuwigheid opslaat, wat een verschil dan tusschen den Christen die nog maar nauwelijks de stad des verderfs werd uitgeleid en den Christen die aan den oever van de doodsrivier staat.

Als gij de plant beziet waarop ons een teekening van den breeden weg des verderfs en den smallen weg des levens gegeven wordt, wat een onderscheid dan tusschen den reiziger die nog maar nauwelijks de enge poort doorging en dien anderen, die nog maar enkele schreden van het nieuwe Jeruzalem af is en aan wien weldra de kroon der eere en de palm der overwinning geschonken zal worden.

Toch zijn zij beiden op den zelfden weg en komen zij straks beiden aan op de zelfde plaats. En ziet, daar komt het nu voor ons allen en inzonderheid ook voor.haar voor wie deze ure een ure van belijdenis is, op aan, of onze voeten nog staan op den breeden weg van zonde en dood of dat zij door genade gezet zi|n op den smallen weg van leven en zaligheid.

Neen, het is niet in de eerste plaats de vraag, hoe ver we op dien weg reeds zijn gevorderd, of we de stad, die' fundamenten heeft, reeds dicht genaderd zijn. Maar het is wel de vraag of ons aangezicht reeds is als reizende naar Jeruzalem, of het dus reeds met den dichter onze belijdenis werd : Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden. Wil mij voor struikelen bevrijden. En ga mij met Uw heillicht voor.

Immers als dat het geval is, al zijn we dan nog zoo ver van het Vaderhuis, dan zullen we iets verstaan van de biddende belijdenis, die gij als stof onzer overdenking voor deze ure beschreven vindt :

Lukas 15 vers 19b : „Maak mij als een van Uwe huurlingen."

Een bekende gelijkenis, waaraan dit tekstwoord ontleend is. We zouden zeggen haast te bekend dan dat uit dezen schat nog nieuwe dingen kunnen voortgebracht worden.

Zooals we weten, is het de derde der gelijkenissen, die ons in Lukas 15 bewaard zijn gebleven.

De eerste is de gelijkenis van het verloren schaap ; de tweede is de gelijkenis van den verloren penning ; en de derde is de gelijkenis van den verloren zoon. Gij kent eenerzijds de opklimming, maar anderzijds ook de afdaling die er in deze gelijkenissen gevonden wordt.

Eenerzijds de opklimming in de waarde van hetgeen verloren was. Hoeveel waarde het verloren schaap voor den herder ook had, van meer waarde was de verloren penning voor de vrouw, en van nog meer waarde is de verloren zoon voor den vader. Daarmee in verband staat ook anderzijds de afdaling. Immers het verloren schaap was er één van de honderd ; de verloren penning was er één van de tien ; maar de verloren zoon is er één van de twee.

En zoo zouden nog meer punten van vergelijking in deze drie gelijkenissen kunnen aangehaald worden. Ook deze : de gelijkenis van het verloren schaap beschrijft ons meer de genade des Zoons, die het verlorene zoekt; de gelijkenis van den verloren penning teekent ons riieer de opzoekende daad van den Heiligen Geest, die het machtelooze vindt ; en de gelijkenis van den verloren zoon schetst ons 'meer de liefde des Vaders die den berouwvollen zondaar weer in Zijn Vaderarmen ontvangt, weer in Zijn Vaderhuis inleidt en weer aan Zijn Vaderhart drukt.

Nu is het natuurlijk niet onze bedoeling dezen paarlen der gelijkenissen, zooals men ze wel eens genoemd heeft, in bijzonderheden te gaan behandelen. Dat zou in één predikatie ook vrijwel onmogelijk zijn.

We kozen alleen dat gedeelte, waarin de verloren zoon tot zichzelven gekomen zijnde uitroept : Ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden, en dan voornamelijk die biddende belijdenis, die hij als een ootmoedige smeekbede voor zijn vader wilde afleggen : Maak mij als een van uwe huurlingen.

Van dat woord mogen we immers wel wenschen dat het ook in onze harten en inzonderheid in de harten van deze meerendeels jeugdige belijderessen geschreven mocht staan.

Komt, staan we achtereenvolgens stil : Ten eerste bij de diepe oorzaak van deze belijdenis ;

Ten tweede bij den rijken inhoud van deze belijdenis ;

Ten derde bij de kostelijke vrucht van deze belijdenis.

»Maak mij als één van uwe huurlingèn.«

Hoe kwam de verloren zoon er toe om dat uit te roepen ?

Ach, laten we maar aanstonds antwoorden dat hij uit of van zichzelf daartoe nooit gekomen zou zijn.

Integendeel, wie de verloren zoon uit en van zichzelf was, was genoegzaam gebleken, toen hij het huis van zijn vader den scheldbrief gaf. •

Wi| weten allen hoe de Heiland hem voor gesteld had. Het goed dat hem toekwam, had hij van den vader begeerd, en toen hij het van den vader had ontvangen was hij heengegaan. Het vaderhuis was hem toen te eng, de vaderband was hem toen te knellend geweest.

De verloren zoon had vrij willen zijn en die vrijheid was voor hem een los zijn van allen band, een los zijn van alle gezag, een zich kunnen uitleven in den dienst van wereld, zonde en ijdelheid.

Erkent gij daarin niet aanstonds de trekken van het beeld van den natuurlijken mensch ? Immer vrij zijn, dat was het wat ook wij hebben begeerd en wat de mensch steeds zal blijven begeeren. Ach, we hadden het in het huis van onzen Vader, in den staat der rechtheid zoo goed. Maar wij wilden vrij zijn, dat wil zeggen, we wilden los zijn van allen band, ook van dien band die ons aan den Eeuwig Levende bond. Wij wilden vrij zijn, dat wil zeggen, we wilden los zijn van alle gezag, ook van dat gezag, dat rechtstreeks door den Heere Zelf over ons werd geoefend.

En toen heeft God ons, met eerbied gesproken, onzen gang laten gaan. Voorzien van het deel des goeds dat ons toekwam, zijn we toen, net als de verloren zoon, ver van het huis onzes Vaders een nieuw leven begonnen.

Den band aan God hadden we gebroken. Helaas dat we niet voelden en dat we van nature nog niet voelen, dat, als we het zachte juk des Heeren verwerpen, dan juist het harde juk van satan ons opgelegd wordt

Hoe duidelijk wordt ons dat door het voorbeeld van den verloren zoon !

Immers als hij in het vreemde land is aangekomen dan leeft hij er overdadiglijk. Hij maakt dus misbruik van de gaven en de talenten die zijn vader hem had toebetrouwd. De verloren zoon meende dat zijn-rijkdom grenzeloos was, dat zijn schatten onuitputtelijk waren. Hij meende in zijn dwaasheid dat er aan de weldaden van dit tijdelijk leven geen einde zou zijn. Dezelfde rneening die de mensch van nature nog toegedaan is ?

Of meenen we van nature ook niet dat er aan ons leven in het midden der wereld nooit een einde zal zijn ? O zeker aan anderer leven gelooven we wel dat er straks een eind zal komen, maar van ons eigen leven, van onze eigen gaven en talenten, waar in die ook bestaan, gelooven we dat zij onverslijtbaar, dat zij onuitputtelijk zijn.

•• En toch, hoe spoedig had de verloren zoon alles verteerd. Hoe spoedig kan al het onze, kan zelfs ons leven ons-benomen worden, 's Werelds goed is eb en vloed. ' En wat ons leven betreft, hoe telkens worden wij er weer-aan herinnerd dat er maar als ééne schrede is tusschen ons en tusschen den dood,

O, dat wij het toch mochten bedenken, dat ook al sluiten wij onze oogen er voor en al stoppen wij onze ooren er voor, de wereld voorbijgaat met al haar 'begeerlijkheid.

De dienst van zonde, wereld en ijdelheid raakt eenmaal uitgeput. " .

Ook de verloren zoon ondervond het dat er vaak zoo plotseling een algeheele ommekeer in ons leven kan komen en dat het dan niet zelden een snelle afloop als der wateren is. Immers daar wordt met zoovele woorden gesproken van het gebrek waaraan, deze weleer zoo rijk beweldadigde weldra ten prooi bleek te zijn.

Hij begon gebrek te lijden. Dat wordt hier gezegd van hem die zich eenmaal in weelde had gebaad, die zich eenmaal in zulk een rijken overvloed had mogen verlustigen. De verloren zoon was rijk, schatrijk geweest en nu was hij arm , doodarm geworden. Al weer een punt van overeenkomst tusschen dien verloren zoon en den zondaar die van God is afgedwaald. Of zijn ook wij eenmaal niet rijk, schatrijk geweest ? Waren het niet de goddelijke schatten van kennis, gerechtigheid en heiligheid, waarin wij ons eenmaal verlustigen mochten ? Maar zijn ook wij inplaats van schatrijk niet doodarm geworden ? Hebben we door de zonde niet al onze gaven verloren ? Zijn we niet verduisterd in het verstand en vervreemd van het leven Gods ? Is daar inplaats van gerechtigheid wel iets anders dan ongerechtigheid, inplaats van heiligheid wel iets anders dan onheiligheid ?

Maar toen de verloren zoon gebrek kreeg, zal er toch, zoo meent ge, wel aanstonds een begeerte naar het huis zijns vaders bij hem zijn ontwaakt, en zullen wel aanstonds de noodige stappen door hem gedaan zijn om tot dat huis weder te keeren ? Wie zoo denkt echter, heeft zich in den verloren zoon deerlijk vergist. En daar blijkt nu juist dat de oorzaak waarom de verloren zoon tot de belijdenis van ons tekstwoord is gekomen, niet in, maar wel buiten hem lag.

De verloren zoon toch is niet aanstonds tot zijn vader gegaan. Zooals we weten heeft hij zijn toevlucht in het land zijner, vreemdelingschap eerst bij de menschen gezocht. En zoo is hij dus bij een van de burgers van dat land zwijnen-hoeder geworden-Ach, een mensch houdt het, zoolang mogelijk, buiten den Heere uit. Van nature valt hij veel liever in de handen des menschen dan in de handen van God. Voor de menschen willen we ons desnoods nog wel vernederen, voor de menschen willen we det noods het verachtelijke werk van zwijnen hoeden wel doen, als we ons maar niet voor den Heere behoeven neder te buigen.

Neen, uit of van-zichzelf was de verloren zoon er nooit toe gekomen om de belijdenis van ons tekstwoord te doen. Uit en van zich zelf begeerde hij liever zijn buik te vullen met den draf der zwijnen, dan zijn voet te zetten op den weg naar het vaderhuis. En zoo was het niet alleen met den verloren zoon, maar zoo is of zoo was het ook met u en mij van nature. Liever het meest verachtelijke slavenwerk in dienst van de wereld, dan het meest zalige liefdewerk in den dienst Van God.

Maar als hij het van zichzelf niet had, hoe is de verloren zoon dan tot de begeerte gekomen om als één van de huurlingen zijns vaders te zijn ?

De reden daarvan moet gezocht in wat aan het begin van vers 17 staat : »En tot zichzelven gekomen zijnde.«

Daar hebben we eigenlijk de spil waarom heel deze gelijkenis draait. De verloren zoon kwam tot zichzelf. Jarenlang had hij buiten zichzelf geleefd en nu kwam hij weer tot zichzelf. En h o e kwam hij nu tot zichzelf ? Door den honger, dien hij had geleden ? Door de ellende waarin hij had verkeerd ? Door den aanblik der zwijnen die hij had gehoed en met wier draf hij zijn buik had zoeken te vullen ? O, zeker, al deze dingen waren de middelen geweest om hem tot zichzelf te brengen. Maar al deze dingen waren tenslotte door den Geest des Heeren aan zijn hart toegepast en verzegeld geworden. En zoo kunnen we dus zeggen : dat de verloren zoon tot zichzelf kwam was een werk van Gods vrijmachtige, van Gods onweerstandelijke genade. De oorzaak daarvan moet niet in den verloren zoon zelf worden gezocht en ook niet in de omstandigheden waarin hij verkeerde. Integendeel, de diepste oorzaak waarom een mensch tot zichzelf komt is altoos weer dat de Heere zich heeft ontfermd, dat de Heere gedachten des vredes heeft gehad en dat de Heere nu op Zijn tijd komt om den zondaar aan zichzelf te ontdekken en met zich zelf bekend te maken.

Als een mensch tot zichzelf komt, dan is dat altoos een werk dat door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alléén geschiedt en waarvan het dus met den dichter gezongen kan worden : Het is een wonder in onze oogen ; wij zien het, maar doorgronden 't niet.

Maak mij als één van uwe huurlingen ! Dat de verloren zoon tot dezen uitroep gekomen is en dat wij misschien ook tot deze belijdenis kwamen, daarvan moet de diepste oorzaak dus in den Heere, in het werk van Gods vrijmachtige en onwederstandelijke genade gezocht.

Maar welke is nu de rijke inhoud, die er in dezen uitroep van den verloren zoon besloten ligt ? En dan zouden we u in de eerste plaats willen wijzen op het besef van diepe onwaardigheid dat in die woorden ligt opgesloten. Het is er den verloren zoon om te doen om één van de huurlingen van zijn vader te worden. Het gaat er hem dus niet meer om om in het huis van zijn vader weer een zoon te wezen, weer als kind aangenomen te worden. O, neen, hij beseft veel te diep dat hij dat zich zelf ten eenenmale onwaard heeft gemaakt. Toen hij tot zich zelf was gekomen immers, had hij zijn zonde gezien. De belijdenis die hij voor zijn vader zal afleggen zal dan ook in de eerste plaats een belijdenis van zonde zijn. Het zegt het zelf met zoovele woorden, als hij bij zijn vader komt, dan zal hij tot hem zeggen : Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u.

Juist deze woorden zijn ons een bewijs dat de schuldbelijdenis van den verloren zoon de ware is geweest. Immers er blijkt zoo duidelijk uit dat hij gevoelt dat de zonde tegen zijn vader in de eerste plaats geweest is zonde tegen God. En dat is altoos het kenteeken van de ware boetvaardigheid.

O, zeker, dat wij onzen vader hebben beleedigd, dat wij onze moeder hebben ge-griefd, dat wij onze medemenschen vaak gesmaad en .gelasterd hebben, doet ons reeds schuldig staan. Maar dat zal altoos in de eerste plaats door ons gevoeld en beseft en beleden moeten worden dat onze zonde bovenal een zonde tegen den hemel, — omdat de Joden den Jehovah-naam niet mochten uitspreken, wordt voor den naam des Heeren hier het woord hemel gebruikt — dat onze zonde dus bovenal een zonde tegen den Heere, tegen den heiligen en waar achtigen God is geweest

Het is dan ook volstrekt niet hetzelfde hoe de belijdenis : ik heb gezondigd, door ons wordt afgelegd. Daar zijn in de Heilige Schrift verschillende menschen geweest die hun zonden beleden hebben maar slechts weinigen hebben het gedaan als de verloren zoon.

We lezen van Farao dat hij zeide : ik heb gezondigd, maar we weten dat hij met die belijdenis van zonden op zijn lippen zijn hart in de zonde heeft verhard.

We lezen van Bileam dat hij zeide : ik heb gezondigd, maar we weten dat hij met die belijdenis van zonden op zijn lippen toch door ging op een weg die de weg des Heeren niet was.

We lezen van Saul dat hij zeidè : ik heb gezondigd, maar we weten dat hij met die belijdenis van zonden op zijn lippen in zijn overtredingen gestorven is.

We lezen van Achan dat hij zeide : ik heb gezondigd, maar we weten dat hij met die belijdenis van zonden op zijn lippen het oordeel Gods heeft gedragen en door gansch Israël gesteenigd is.

We lezen van Judas dat hij zeide : ik heb gezondigd, maar we weten dat hij met die belijdenis van zonden op zijn lippen geen plaats des berouws vond, hoewel hij dezelve met tranen zocht en we kennen allen het droeve, het schrikkelijk einde, waartoe deze belijder van zijn zonden-gekomen is.

Wel een bewijs dat het volstrekt niet hetzelfde is hoe daar belijdenis van zonde en schuld door ons wordt gedaan.

Dat is echter zeker dat de schuldbelijdenis van den verloren zoon voortkwam uit een verbroken hart en uit een verslagen geest. Ons tekstwoord, waarin hij maar als een huurling wil zijn, heeft ons 'dit onweerlegbaar getoond.

En o gelukkig als wij nu in denzelfden zin als waarin de verloren zoon het gedaan heeft, belijders en belijderessen mogen zijn dat wij in de eerste plaats tegen God en in de tweede plaats dan ook voor de menschen gezondigd hebben. Gelukkig als wij maar kennis hebben aan wat David eens heeft gezongen :

Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad Mijn zonde zie 'k mij steeds voor oogen zweven 'k Heb tegen U, ja U alleen misdreven. Uw wil en wet, hoe heilig, stout verzaakt.

(Wordt vervolgd).


*) Predicatie uitgesproken te Veenendaal op Zondag 10 April 1921 bij de openbare Geloofsbelijde.nis van vrouwelijke lidmaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's