Uit het kerkelijk leven.
Het Mormonisme.
Eene andere schrikkelijke dwaling is de leer van „de verzoening door het storten van bloed."
Leert Gods Woord, dat niemand zijn broeder immermeer zal kunnen verlossen (Ps. 49 vers 8 en 9) en dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde een iegelijk ieder die gelooft (1 Joh. 1 vers 7) het Mormonisme weet het beter ! Althans Brigham Young, de opvolger van Smith, wist, door openbaringen geleerd, te verzekeren, dat dit eerst de ware naasteliefde was, als men voor z'n broeder z'n bloed wilde storten, als hij gezondigd had. „Dit is het liefhebben van uw broeder als uzelven : indien het noodig is, help hem ; help hêm ; als hij begeerd .gered te worden en het noodig is te dien einde' zijn bloed te storten, stort het. Op deze wijze hebt ge uw medemensch lief." (Gesproken 8 Febr. 1857).
De Mormonen betreuren het, dat de goddeloosheid en de onwetendheid der natiën het volgens de landwetten niet toelaten, om dit beginsel van „bloedstorting" in volle toepassing te brengen ; maar de tijd zal komen, dat de wet Gods ook in deze zal worden vervuld I
De noodzakelijkheid van den doodslag wordt hier dus, onder vromen schijn, geleerd ; en intusschen wordt de mensch z'n eigen zaligmaker.
Laat ons hier nu ook iets mededeelen van de K e r k i n r i c h t i n ig bij de Mormonen en van het p r i e s t e r s c h a p.
Het is voor een gewoon mensch niet makkelijk zich een recht begrip aangaande deze dingen te vormen. Want het is een zeer ingewikkeld systeem, dat de Mormonen er op na houden. Maar we zullen trachten het zoo duidelijk en zoo eenvoudig mogelijk voor te stellen.
De Heiligen der laatste dagen verklaren, dat zij de ware Kerkinrichting hebben. Toen de apostelen gedood en hunne onmiddellijke opvolgers gestorven waren, kwam er donkerheid van lieverlede over de wereld en slopen allerlei dwalingen binnen ; en spoedig waren de apostolische volmacht en de ware christelijke geest en leer geheel vernield. Hervormingen, die later werden ingevoerd, hebben slechts eenige kwalen uit gesneden en eenige verbeteringen gemaakt, maar hebben „de volmacht en de macht van de eerste Christelijke Kerk en het Priesterschap niet hersteld en konden zulks ook niet."
Secten hebben zich vermenigvuldigd en godsdienstvormen zijn voortgebracht volgens de opiniën der menschen, tot nu hét Christendom tegen zichzelf verdeeld is en de wijsheid der geleerden de plaats van den geest van openbaring heeft ingenomen.
Jozef Smith was het instrument in de handen des Heeren om het werk der herstelling te beginnen en de laatste bedeeling, n.l. die van de volheid der tijden te openen.
Die goddelijke volmacht ontving hij uit de handen van hemelsche gezanten. Hij verordineerde volgens openbaring en bevel anderen. En zoo zijn er nu op aarde : Apostelen, Profeten, Evangelisten, Ouderlingen, Bisschoppen of Opzieners, Priesters, Leeraars en Diakenen, van God geroepen en gemachtigd om de dingen van het Koninkrijk der hemelen te onderwijzen en te bedienen ; en de macht Gods vergezelt hunne bediening
Het Priesterschap is dus door God weer hersteld sinds het optreden van Jozef Smith.
En dat Priesterschap is verdeeld of onderscheiden in : het priesterschap van Melchizedek (het hoogste) en het priesterschap van Aaron (het mindere).
Het priesterschap van Melchizedek heeft het recht de Kerk te besturen, van den hemel openbaringen te ontvangen voor het bestuur der Kerk en de sleutelen te hebben voor de geestelijke zegeningen. (Zie „Leer en Verbonden" 107 vers 8, 18, 19).
Aan dt priesterschap van Melchizedek is het Aaronische toegevoegd, ook wel genoemd het Levitische priesterschap.
Dit priesterschap heeft de uitoefening van alle uiterlijke verordeningen, naar het voorschrift van het Evangelie en het is geschonken aan Aäron en zijn zaad, tot in alle eeuwigheid.
Niemand, die niet rechtstreeks van Aaron afstamt, kan op het ambt van Bisschop aanspraak maken.
Ook al een wonderlijke geschiedenis ! Want een gewoon mensch kan er toch immers zoo maar niet bij, hoe Jozef Smith, gesproten uit een zuiver Engelsche familie, een afstammeling is van Aaron ; en nog wel „rechtstreeks." Maar men moet dan niet vergeten, dat de dienstknechten volgens de Mormoonsche leer zijn aangesteld „door directe openbaring of weer door goddelijk aangestelde dienstknechten."
't Is en blijft dus een „wonder !"
Het priesterschap' van Melchizedek bestaat uit de volgende ambten : aan, 't hoofd staat de Profeet, met twee Raadgevers, dan volgen 12 Apostelen, Patriarchen of Evangelisten, Zeventigers, Hoogepriesters en Ouderlingen.
Ze hebben tot plicht te prediken en te doopen, andere ouderlingen aan te stellen, alsook priesters, leeraars en diakenen ; het Avondmaal des Heeren te bedienen ; de handen op te leggen tot het ontvangen van den Heiligen Geest; kinderen te zegenen ; en alle vergaderingen te leiden. (Zie „Leer en Verbonden" 20 vers 38—45, 70 ; 107 vers 11—12).
De Ouderlingen, die als Apostelen optreden, zijn bizondere getuigen van Christus tot opbouw van de Kerk ; zij regelen de zaken der Kerk in de geheele wereld, onder het bestuur der Eerste Presidenten.
Die als Patriarchen dienen, deelen zegeningen uit met oplegging der handen.
De Zeventigers zijn meer de Zendelingen en zijn behulpsels voor de Apostelen. Er zijn 150 groepen elk van zeventig. Over elke groep zijn zeven presidenten.
De Hoogepriesters besturen de Kerk. (Zie „Leer en Verbonden" 124 vers 124 ; 107 vers 34, 35 ; 97, 98 ; 107 vers 10 ; 124 vers 134, 135). Ze zijn plaatselijke ambtenaren. Zes en negentig Ouderlingen vormen een groep van Ouderlingen, waarover drie hunner presideeren.
Al deze voornoemde ambtenaren dragen het Priesterschap, dat naar de orde van Melchizedek is.
Het Aaronische Priesterschap telt de volgende ambtsdragers : Bisschoppen, Priesters, Leeraars en Diakenen.
Aan 't hoofd staat de Bisschop, die ook de tijdelijke zaken der Kerk bestuurt en als rechter zitthig houdt voor de overtreders.
De Priester heeft te prediken, te doopen, het Avondmaal des Heeren te bedienen en de heiligen te bezoeken en te vermanen ; ze zijn verdeeld in groepen van acht en veertig, met een Bisschop en twee Raadgevers als presidenten.
De Leeraar waakt over de Kerk en ondersteunt haar en ziet toe, dat de heiligen in liefde en eensgezindheid leven en hunne plichten doen •; terwijl de Diakenen hen daar in bijstaan en hun aandacht vestigen op 't geen de heiligen behoeven.
Het kerkelijk samenstel is dus niet zoo eenvoudig. Een heirleger van ambtsdragers! Bijna alle mannelijke leden der gemeente zijn dan ook priesters. Kwajongens, worden reeds gepromoveerd tot diakenen en leeraars ! Zóó weet men den hoogmoed te prikkelen en allen aan de Kerk te verbinden.
Feitelijk bestaat het Bestuur der Kerk uit : De eerste President, de 12 Apostelen, de 7 Presidenten van de Zeventigen, de districts-Bisschop met zijn 2 raadgevers en de algemeene Patriarch, totaal 26 personen.
Waarbij de Presdent weer de eerste viool speelt, want met een „openbaring" kan hij altijd weer den doorslag geven, zooals b.v. president Woodruff deed, toen hij met zijn manifest de polygamie (het meervoudig huwelijk of veel wijverij) afschafte.
De President (zijnde de Profeet met twee Raadgevers) heeft het Bestuur over de Kerk in de geheele wereld.
(Wordt vervolgd).
Het Reglement op de predikantstractementen
Hoe het voorstel was en wat van geworden is. III.
De Bond van predikanten is tusschenbeide gekomen.
Ook al een teeken des tijds. Een vakorganisatie onder de bedienaren des Woords! Welke vakorganisatie de leiding nam en de Synode dwong te volgen. Per telegram werd het in orde gemaakt !
Het ontwerp was gebaseerd op centralisatie. Alles zou in Den Haag worden klaar gemaakt. De Kerk zou gerekend worden te bestaan uit leden, .over heel het land verspreid. En al die ledén —doopleden en belijdende leden — zouden van uit Den Haag worden aangeslagen.
Gemeenten waren er blijkbaar niet meer. De Gemeente werd uitgeschakeld. De autonomie der Gemeente was weg. De Kerkvoogdijen werden uitgeschakeld. De Kerkeraden werden opzij gezet. De Synode zou alle draden in de hand nemen en met alle leden door geheel Nederland afrekenen.
Dat was de dingen op den kop zetten. Om tot een zékere mislukking te voeren.
Daar is dan ook sterk tegen geprotesteerd Ook wij hebben daaraan mee gedaan. En dat is er uitgenomen. Geheel er uitgelicht.
Hoe het toen geworden is ? •
Er wordt nu gerekend met de plaatselijke Kerken. Maar wat de plaatselijke Kerken niet vrijwillig hebben gedaan, naar uitwijzen van Gods Woord en Wet en naar de beginselen van art. 13 der Dordtsche Kerkorde, wordt aan deze plaatselijke Kerken nu van boven af opgelegd.
Dat is het oordeel, dat de Heere zendt na de ongehoorzaamheid der gemeenten.
Men heeft Gods huis niet verzorgd.
Men heeft ook elkander niet geholpen, in hetgeen saam te dragen is als leden van één groot huisgezin.
Het had vrijwillig moeten gebeuren, dat iedere gemeente voor een behoorlijk tractement en vrije woning zorgde. Dat de eene gemeente de andere hielp en bijstond als er hulp noodig was. Dat men saam in classis en provincie, ja, in heel ons land, zorgde voor de rustende predikanten en voor de predikantsweduwen en weezen.
Maar het gebeurde niet vrijwillig, zich voegend naar Gods wil.
En er is ten slotte, in ellende-tijd, een wettelijk voorschrift gekomen, waarbij men nu gedwongen wordt te doen, wat men vrijwillig niet gedaan heeft.
Voor een minimum-tractement (2500— 3000 óf 3500 gld. naar de grootte van de gemeente) en voor vrije woning of vergoeding daarvoor moet iedere gemeente nu zor gen. Dat is een van de eerste eischen.
Is dat onbillijk?
Immers neen !
Alleen maar — men had er reeds veel vroeger voor moeten zorgen, dan was dwang niet noodig geweest.
Dwang — tot 't geen God van ons eischt. Ja — de Heere vraagt nog veel, véél meer van Zijn Gemeente.
Want heusch ! het gaat niet enkel om den dominé, 't gaat niet enkel'om 't tractement. Voor Gods Kerk is veel, véél meer noodig. De huishouding Gods wordt verv/aarloosd, schrikkelijk verwaarloosd — en dat komt Gods eer té na.
Dat komt Hij bezoeken.
Zal men het nog gaan opmerken ? Bij het Reglement op de predikantstractementen gaat het dan nu alleen nog maar om de pastoriebewoners.
Er moet nu voor een behoorlijk tractement gezorgd worden door de plaatselijke gemeente.
Zóó, dat de pastoriebewoners althans geen armoe lijden. Niet, om hun een weelde-leven te bezorgen.
O, neen ! maar om hen althans voor armoe te vrijwaren.
Daarom is een minimum-tractement genoemd, door de plaatselijke gemeente te betalen ; benevens vrije woning.
Is dat onbillijk ? Immers neen !
Is dat onbijbelsch ? Immers neen !
Alleen maar — het had reeds lang vrijwillig moeten zijn geregeld, door de gemeenten zelf.
Nu komt er in deze zaak nog iets bij. Iets, waar in de geschiedenis der Kerk al zoo lang mee getobd is.
De dienstjaren en de kinderen en de emeriti en de weduwen en weezen.
Moet een predikant bij het toenemen van zijn dienstjaren ook wat meer tractement ontvangen ?
Moet er gerekend worden met de behoeften van groote gezinnen ? '
Moet de emeritus en de weduwe en de weezen voor rekening komen van de laatste gemeente, welke de dominé diende ?
Dat zijn dingen waar men niet met groote woorden overheen loopen moet .
Tot nu toe ging het bij ons makkelijk.
Met dienstjaren werd niet gerekend. Met kinderen werd niet gerekend. Met emeriti werd niet gerekend, met weduwen werd niet gerekend ; met weezen werd niet gerekend.
Dat is wel 't makkelijkst voor de Gemeenten.
Was het ook naar Gods Wil en Wet? Was het ook naar de beginselen van onze oude Geref. Kerk, neergelegd in art. 13 van de Dordtsche Kerkorde ?
Men weet beter!
En waar men hier vrijwillig zich niet voegde naar Gods Woord, daar heeft de Heere nu dwang opgelegd. Een oordeel Gods. Waartegenover de Gemeenten zich niet revolutionair hebben te stellen. „En wilt Zijn straffen gadeslaan"
Om zich zoo spoedig mogelijk te bekeeren van den boozen weg, om het goede te doen met een volkomen hart!
Daar heeft de Heere dan zoo'n rijke belofte voor weggelegd — want de Heere is goed.
Of staat er niet: Vereer den HEERE van uw goed en van de eerstelingen van al uwe inkomst — zoo zullen uwe schuren met overvloed vervuld worden en uwe perskuipen van most overloopen". Spr. 3 : 9, 10.
Het zal dan ook goed zijn om de dingen maar eens onder de oogen te zien ; waarbij de Gemeente zal hebben te betalen. Vrijwillig ; maar met overleg-; naar een systeem ; naar vaste orde ; bij voorbeeld met vaste jaarlijksche bijdragen, al naar de huishouding Gods van noode heeft.
Ook de dienstjaren, het kinderaantal, de kwestie van de emeriti en dê weezen komen in 't gedrang.
Mag een predikant met een groot gezin achtergesteld worden als een „dure" dominé, als er kindergeld betaald zal worden ?
Mag een predikant met dienstjaren gepasseerd worden als een „dure" dominé, als er voor de dienstjaren verhoogingen worden gegeven ?
Mag een bejaarde dominé met den nek worden aangezien, omdat de gemeente straks zal komen voor emeritaats-pensioen?
Immers neen !
En daarom moeten deze „algemeene" dingen ook door de gemeenten saam geregeld worden, zoodat het voor de plaatselijke gemeente feitelijk hetzelfde is, wat de uitgaven, betreft, of er veel of weinig kinderen zijn, of er veel of weinig dienstjaren zijn, of de predikant te A of te B emeritaat vraagt of de dominé te-A of te B sterft.
Dat moet „met elkaar" geregeld worden. De dienstjaren is toch ook eigenlijk iets, dat niet aan één gemeente behoort.
En als de predikant emeritus wordt, heeft hij toch eigenlijk niet met één — met zijn laatste — gemeente te doen, maar met al de gemeenten, die hij gediend heeft.
Regelt men dit plaatselijk, dan krijgt men de moeilijkste — ook de onrechtvaardigste dingen. Waarbij weer niet zelden de predikant of zijn weduwe en zijn kinderen de dupe zijn.
Daarom heeft het nieuwe reglement op de predikantstractementen gezegd : er moet met kinderaantal en met dienstjaren gerekend worden. Men had er ook oorspronkelijk emeritaat-pensioenen en weduwen-en weezengelden in opgenomen, wat er echter helaas ! weer uitvallen moest, daar men zag dat men ineens te veel hooi op z'n vork had genomen.
Zóó groot is de achterstand, door zoo groote nalatigheid — neen ! door zoo groote zonde der gemeenten !
Kindergelden en dienstjaren zijn dus voortaan aan de orde.
En opdat de gezinnen met kinderen en opdat de predikanten met dienstjaren niet achtergeschoven zullen worden als „dure" dominé's door de plaatselijke gemeente — en opdat de plaatselijke gemeente tenslotte niet al te zwaar belast zal worden, door extra uitkeeringen voor het aantal kinderen en voor de dienstjaren, heeft men gezegd : elke gemeente moet zorgen voor minimumtractement en vrije woning — en dan naar een aanslag naar vermogen een jaarlijksche bijdrage aan de Algemeene Kas, waaruit aan de predikanten met kinderen en dienstjaren, zonder onderscheid, naar vasten maat staf betaald zal worden.
Zoo behoeft het dus bij een beroep, waar dan ook, geen bezwaar te zijn, dat er misschien veel kinderen zijn of dat de dominé een aantal dienstjaren heeft. Want de Gemeente betaalt naar vermogen aan de Algemeene Kas en uit die Algemeene Kas ontvangt de predikant dan zijn „verhoogingen" en zijn „kindergelden: "
Ongeveer dus op dezelfde manier als bij de schoolbesturen ; voor welke het ook het zelfde is, of een onderwijzer drie of zeven kinderen heeft en of hij zes of twaalf dienstjaren heeft.
Alleen is nu bij de predikanten het mooie, dat al de gemeenten, elk naar vermogen, in de Algemeene Kas storten en de predikanten uit die kas de uitkeeringen ontvangen.
Zoo helpen de gemeenten elkaar. Zoo helpt de Kerk zichzelf; ook daar waar de plaatselijke gemeente anders onmachtig zou wezen om op een oogenblik bizonder zwaardree lasten op zich te nemen.
Dat is het mooie in het reglement : elkander helpen, in die dingen welke gemeenschappelijke belangen zijn.
De gemeente die er dan misschien dit jaar met zoo bizonder van profiteert, profiteert er toch waarschijnlijk over een paar jaar van. En de gemeente die er nu bizonder baat bij heeft, zal later waarschijnlijk weinig voor deel ervan hebben. Dat hangt er maar van af, of men al of niet een dominé met kinderen of een dominé met dienstjaren heeft.
Dat is naar het beginsel dat ligt in de gemeenschap.
Wat men alléén kan en moet — moet ook alléén worden gedaan.
En wat men dan niet alleen kan en ook eigenlijk niet alleen behoeft te doen — moet wat kan saam worden gedaan.
Onderling hulpbetoon, waarbij ieder op z'n beurt geholpen wordt.
Is dat on-Bijbelsch ? Is dat onbillijk ? Is dat on-Gereformeerd ?
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's