De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

Het Reglement op de Predikantstractementen.

Kindergelden, dienstjaren, emeritaatspensioen, enz. IV.

't Makkelijkst is om met dienstjaren niet te rekenen ; ook geen kindergelden ; ook geen emeritaats-pensioen; ook geen uitkeeringen aan predikantsweduwen en - weezen te geven.

Er behoeft dan ook geen regeling voor gemaakt te worden.

En zoo is het helaas ! tot op dit oogenblik geweest. Waarbij de Kerk des Heeren schrikkeiijk heeft gezondigd en waardoor een zee van verdriet, ellende en armoede is veroorzaakt

Als er dus eindelijk eens over deze dingen gesproken wordt moeten we er op rekenen, dat zioh moeilijkheden zullen voordoen. Maar die zijn er toch niet, om er voor uit den weg te gaan ? Ze zijn er toch zeker, om ze te overwinnen ?

Nu achten wij het een groote moeilijkheid, wanneer de regeling van dienstjaren, kindergelden, emeritaatspensioen, weduwen-en weezenuitkeeringen plaatselijk zal worden geregeld.

Om één ding te noemen : moet de Gemeente, waar de predikant gestorven is, alléén voor de weduwe en voor de weezen zorgen ? En de andere Gemeenten, welke de gestorven leeraar óók gediend heeft, heeft die geen verplichtingen in deze ?

Zoo ook de dienstjaren en kindergelden. Als dat niet gemeenschappelijk geregeld wordt, komt het nooit goed.

Daarom voelen wij er veel voor, dat hetgeen plaatselijk is, n.l. de arbeidsprestatie van den dominé, dat zulks ook plaatselijk betaald wordt (minimum tractement behoeft geen minimum te blijven) en dat hetgeen min of meer voor rekening van meer dan één Gemeente komt : n., 1. dienstjaren, kinder gelden, emeritaatspensioen, verzorging weduwen en weezen, ook zóó geregeld wordt, dat alle Gemeenten saam dat opknappen. Of dat ongereformeerd is ?

Wanneer we art. 13 van de Dordtsche Kerkorde er naast leggen — ja, dan moeten we zeggen, wat wij voorstellen is daar niet mee in overeenstemming.

Ongereformeerd dus ? Laat ons eens zien.

Art. 13 van de Dordtsche Kerkorde geeft dit als regel : de plaatselijke Gemeente zorgt voor tractement, zorgt voor het onderhoud van 't gezin, zorgt voor woning, zorgt voor den emeritus, zorgt voor de predikantsweduwe en voor de weezen.

Dat is het gereformeerd beginsel, met de plaatselijke Gemeente als grondslag. Noodlijdende Gemeenten worden dan door de Classis, desnoods door de Provinciale Synode, ook zelfs door de Generale Synode geholpen en bijgestaan.

Dat is het beginsel. En de practijk ?

Dat moeten de Gereformeerde Kerken en dat moet de Christelijk Gereformeerde Kerk ons leeren.

En dan moet worden geconstateerd, dat er van dit beginsel in de practijk zóó weinig terecht komt, dat het in de Christelijk Gereformeerde Kerk vanaf het jaar 1869 eigenlijk precies omgekeerd gaat — door den nood van de practijk gedreven.

In 1877 werd op de Synode der Christelijk Gereformeerde Kerk deze klacht ten opzichte van het emeritaatspensioen gehoord : dat de algemeene kas te veel in de plaats gekomen was van de plaatselijke Gemeente. En toen is besloten, dat de plaat selijke Gemeente tenminste één-zesde zou betalen, de algemeene kas zou vijf-zesde bijpassen.

En bleef het daarbij ? Neen ! de practijk werkte zóó slecht, dat in 1882. Friesland en Groningen kwamen met het verzoek om die bepaling, van één-zesde door de plaatselijke Gemeente te betalen, maar weer op te heffen en alles te laten gaan door de Algemeene Kas, daar de emeriti en de weduwen en weezen er de dupe van werden. Met 26 tegen 13 stemmen is toen dit voorstel van Friesland en Groningen wel verworpen, doch in 1885 kwamen vier provincies met het zelfde verzoek terug. Eén der docenten zei toen in zijn praeadvies, dat de opheffing van één-zesde in strijd was met art. 13 Dordtsche Kerkorde. En een ander zei : »De Gemeenten moeten niet te zeer van hare plichten worden losgemaakt. Door de opheffing van één-zesde maken wij de Kas een soort van Kerkruif.« Hij adviseerde bij art. 13 Dordtsche Kerkorde te blijven. De predikanten en de ouderlingen — de kerkeraden dus, die de practijken kenden, namen met groote meerderheid het voorstel van de vier provincies aan en het één-zesde werd afgeschaft. Uit de Algemeene Kas zouden dus voortaan de emeriti en de predikantsweduwen en - weezen verzorgd worden.

In 1891 is weer een poging gedaan, om het laatste besluit te veranderen — maar •het lukte niet. 

Evenwel is later weer wijziging gebracht en nu is het zóó geregeld, dat de plaatselijke Gemeente bepale wat een emerituspredikant of de weduwe en de weezen noodig hebben — om dan steun te vragen aan een Algemeene Kas tot steun van Gemeenten die een emerituspredikant enz. hebben te onderhouden.

Men ziet, wat een getob er was en is — in een klein Kerkgenootschap met een zéér beperkt aantal emeriti en een paar weduwen en weezen — waarbij nu van alle Kerken voor een bepaald fonds hulp gevraagd (en gebedeld) wordt.

Docent de Bruin merkte daarbij in »De Wekker« kort geleden op : »Van 1892 tot heden is alles nog goed gegaan met de Algemeene Kas, omdat wij zeer weinig emerituspredikanten enz. hebben, maar straks zullen we voor groote uitgaven komen te staan en dan krijgen we hetzelfde gesukkel als van 1871—1892, n.l. onvoldoende ondersteuning onzer emeriti, weduwen en weezen.«

Hier hebt ge theorie — en hier hebt ge practijk! En in de Gereformeerde Kerken ?

Men leze de brochure van ds. H. C. van den Brink, vroeger predikant te Rotterdam, toen te Dieren, nu te Zandvoort : »Oude en nieuwe Koers«, Rotterdam, drukkerij Libertas, 1918.

Daar wordt geklaagd over den ouden koers naar art. 13 Dordtsche Kerkorde en daar wordt gevraagd om een nieuwen koers - en schamper wordt opgemerkt, dat de Synode der Gereform. Kerken van 1917 den ouden koers wilde handhaven, maar tegelijk verklaarde, dat afwijking daarvan oogluikend zou worden toegelaten. Hij zegt, dat zóó art. 13 een twistappel blijft en de verzorgden het kind van de rekening zullen worden.

Doch hierover de volgende week verder.

(Wordt vervolgd).

Scheiding van Kerk en Staat. I.

Over de brochure van dr. Kromsigt „De leuze „Scheiding van Kerk en Staat" een gevaar voor de Herv. Kerk" worden enkele „persstemmen" gehoord waarop we even de aandacht willen vestigen ; een en ander om te komen, zoo mogelijk, tot-een gemeenschappelijke gedragslijn.

We beginnen met te vermelden hoe in »de Geref. Kerk« mr. J. Schokking gerecenseerd heeft.

We lezen dan „De lezers van »de Geref. Kerk« weten welke groote waarde onze geachte mede-redacteur voor het behoud en herstel der Herv. Kerk hecht aan den geldelijken steun van regeeringswege. En dat komt in deze brochure bij vernieuwing naar voren; inzonderheid wordt op 't belang van een financiëelen band tusschen beide de aandacht gevestigd. Met kracht verzet de schrijver zich tegen de gedachte van losmaking daarvan Met klem bepleit hij een voortdurend geldelijken steun van rijkswege aan de verschillende Kerkgenootschappen."

Mr. Schokking gaat dan verder en zegt : „In de uitwerking hiervan neemt de schrijver ook enkele tegenwerpingen op, welke tegen het door hem ingenomen standpunt worden ingebracht ; en men zou hem bijna kunnen benijden om de gemakkelijkheid, waarmee hij dit weerlegt ; zooals de schrijver in het algemeen de moeilijkheden op dit gebied zeer eenvoudig ziet."

'Dit oordeel van mr. Schokking is teekenend. En neen ! er is bij ons absoluut geen „leedvermaak" •— daarvoor zijn de dingen te ernstig — maar we kunnen niet verbergen, dat het oordeel van mr. Schokking — 't is een goed vriend die z'n vriend de waarheid zegt — ons buitengewoon trof en ons als zéér juist voorkomt.

Dr. Kromsigt jaagt een ideaal na en zijn schrijven mist dan niet zelden argumentatieve kracht, waarbij hij, althans in hetgeen hij schrijft, naar onze bescheiden meening niet genoegzaam voelt waarom het eigenlijk gaat.

De leuze is »een gevaar voor de Herv. Kerk« en die leuze zal door mindere goden, als de verkiezingsdagen komen, wel overgenomen worden met allerlei oude en nieuwe variaties. Maar als men dan staat te zwaaien met de leuze : de Herv. Kerk ! de Herv. Kerk ! — kon het wel eens zijn, dat men niet snapt waar het eigenlijk om gaat in deze ; terwijl men met dat gezwaai dan koren op den molen brengt van hen die niet de ware vrienden van religie en Kerk zijn, met tegenwerking van hen, die meer de ware belangen der Kerk op het oog hebben en beter verstaan wat de ware religie is.

We hebben dat meer beleefd !

Waarbij het Gereformeerde volk blijft strijden voor de vrijheid der Kerk en van geen nieuwe banden tusschen Staat en Kerk weten wil.

Op een historische fout in de brochure, wijst mr. Schokking nog even, en zegt dat wat dr. Kromsigt aangaande de wet op de Kerkgenootschappen van 1853 alleen waar is als men het net precies omkeert!

Ds. Knap, van Groningen, schrijft ook over de brochure van dr. Kromsigt in een breed artikel »Scheiding van Kerk en Staat.« Laat ons ook uit dit artikel zoo hier en daar wat meedelen.

„Dr. Kromsigt is" — zoo lezen we in »Oude Paden« — „voor kapitaliseering der rijkstractementen en de uitkeering daarvan aan de Kerken te vinden. Men weet, dat die tractementen betaald worden uit door den Staat genaaste Kerkgoederen, zoo dat de restitutie geen cadeau of subsidie is, maar eenvoudig een overdracht van het beheer uit de handen van den Staat in die van de Kerk. Uitnemend, wij zijn het er van harte mede eens. Niet alleen op nuttigheidsgronden als deze : dat de invloed van socialisten en communisten wel eens zóó groot kon worden, dat zij eenvoudig de Kerken zonder de minste restitutie in de kou zouden kunnen laten staan, maar ook en' vooral op principièele gronden ; het komt ons voor, dat de Kerk recht heeft zelve de haar toekomende fondsen te beheeren en niet als een onmondig kind behandeld mag worden" „Ruim gevoeld is het voorstel van dr. Kromsigt om óók aan de Geref. Kerken en de „Chr. Geref. Kerk" een uitkeering van rijkswege inééns te verzekeren. Niet in mindering van wat de Kerken met rijkstractement zouden ontvangen. Maar extra. En dan naar evenredigheid van hun sterkte." „Dit deel der brochure zal in Herv. kringen wel weinig bestrijding vinden."

Tot zoover dus over art. 171a. Maar dan gaat het verder over de 2e alinea van art. 171 der Grondwet.

Ds. Knap zegt dan : „Maar nu komen wè aan 't tweede deel der brochure, dat perspectieven opent. Wanneer dé afrekening eenmaal een feit is, zal de Staat dan verder de helpende hand aan de Kerken moeten bieden, ja of neen ? Dr. Kromsigt is van meening, dat de Staat dan zedelijk verplicht is de Kerken te subsidieeren; de oude financiëele band is losgemaakt, maar terstond moet er een nieuwe gelegd worden. Hij grondt deze meening op het niet te loochenen feit, dat de Staat steeds meer cultuur-Staat wordt. De Overheid bemoeit zich met tal van belangen, die de geestelijke verheffing des volks ten goede komen en die vroeger aan het particuliere initiatief overgelaten waren, behalve dan het Schoolwezen, dat sinds geruimen tijd de zorg der regeering had. Er worden subsidies gegeven voor de kunst in haar verschillende takken aan de leeszalen, aan de volksuniversiteiten, aan de philantropische inrichtingen, enz. De Staat steunt dus allerlei cultuurmachten. En nu lijdt het geen twijfel, of ook de godsdienst, die niet van de Kerk los te maken is, is een beschavingsfactór van beteekenis. Niet slechts het geestelijk, maar ook het zedelijk peil van het nationale leven moet dalen, indien de Kerken hun arbeid niet onbelemmerd kunnen voortzetten. De Staat zelf heeft er dus belang bij de Kerken te subsidieeren, veel meer belang zelfs dan om het tooneel te steunen, daar de opvoedende kracht der Kerk toch altoos grooter is dan die van de zuiverste kunst, gesteld al een oogenblik dat zij tegenwoordig in de schouwburgen beoefend wordt. Vandaar het voorstel van dr. Kromsigt — een voorstel dat zijn rechtsgrond ontleent aan art. 171b — om den Staat te verplichten, na vereffening van de gekapitaliseerde tractementen, met ruime hand subsidies te verleenen met het oog op den nationalen welstand. Met ruime hand. Want de schrijver wenscht niet alleen subsidie voor de Hervormde Kerken, die het in de groote steden trouwens het meest noodig hebben, maar voor alle gegadigde Kerken. Roomschen, Joden, Modernen, Gereformeerden van onderscheiden kerkelijke organisatie — zij moeten allen op voet van gelijkheid behandeic'. worden."

„Men zal toegeven, dat het een voorstel is, waard om overdacht en in de pers besproken te worden."

(Wordt vervolgd).

De onwaarheid der Modernen.

Onze aanklacht tegen de vrijzinnigen in onze Hervormde Kerk is, dat zij niet oprecht en waar zijn. Zij verschillen principieel in wezen en hoofdzaak met onze kerkelijke belijdenis, vervat in de drie Formulieren van Eenigheid en zij verklaren toch maar trouw, dat zij in geest en hoofdzaak er mee in­ stemmen.

Dat is de onwaarachtightigheid van de modernen.

Waarom zeggen zij niet eerlijk en ronduit hoe ze over de dingen denken ? En dan bizonderlijk, over de opstanding van Jezus uit het graf ? Zeggen niet al de Schriften des Nieuwen Testaments dat Jezus aan den morgen van den derden dag is opgestaan en dat Hij gezien is door de vrouwen, door Maria Magdalena, door Petrus, door de Emmaüsgangers, door de discipelen, door Jacobus, door Thomas, door 500 tegelijk, enz.

Is het niet mee de grondsteen van onze belijdenis en de hoofdinhoud van onze prediking, dat Jezus dood geweest is dragend den vloek der wet, om uit het graf op te staan tot onze rechtvaardigmaking ?

En de modernen loochenen dat alles. Maar zeggen dat niet ronduit ; nemen zelfs op Paschen in de Hervormde Kerk den schijn aan dat zij meevieren het heerlijke feest, waarop de kinderen Gods elkander toeroepen : de Heere is waarlijk opgestaan !

Het is prof Oort die over die onwaarachtigheid der modernen toornt in het volgend stuk, dat we vonden in »de Hervorming.« Prof. Oort schrijft:

De onwaarheid in het Paaschfeest.

Paschen ligt eenige weken achter ons, en dat is, nu ik dit stukje ga schrijven, goed ; want niet gaarne zou ik een godsdienstige stemming bederven door wat voor menigeen een wanklank zal zijn.

Christus is opgestaan ! klinkt het op Paschen van duizenden kansels ; onder R.K., Grieksch-orthodoxen, Anglikanen, rechtzinnige Protestanten te recht, als een jubelkreet. Tot in de twaalfde eeuw predikte de Christelijke Kerk dat het kruis van Jezus Christus de haak was geweest waaraan.God den Duivel-had gevangen, die dacht dat hij den Godszoon in zijn macht had gekregen, maar bedrogen uitkwam, toen de gekruisigde ten derden dage uit zijn graf opstond. En na de dagen van Anselmus en Aquinas is steeds dieper doorgedrongen het denkbeeld dat het kruis de betaling is van de zonde der wereld en dat het goddelijk wezen dat die kwijtschelding door zijn lijden verworven heeft, den dood te machtig, zijn heerlijkheid en leven heeft bewezen door zijn verrijzenis. Wat wonder dat de Christenheid juicht : Christus is opgestaan ! Eere zij Hem en zijn Vader !

Maar wat beteekent dit in den mond van vrijzinnigen, die al de Evangelieverhalen van Jezus' verschijningen voor legenden houden, voor een deel zelfs voor met een bepaald doel bedachte verdichtsels ? Jezus is niet opgestaan ; want opstaan beteekent iets wat op een bepaalden tijd en een bepaalde plaats gebeurt, en er is nadat Jezus aan het kruis stierf niets met hem gebeurd. Wat spreekt en schrijft men dan van zijne verrijzenis, laat hem zijn opstanding beloven, haalt woorden van hem aan als na zijn dood gesproken ? Wat moeten hoorders en lezers daarbij denken ? Of is het niet noodig dat zij denken ? is het genoeg dat zij zich op het geluid van hooge, liefelijke woorden laten wiegen en zoo in een weldadige stemming komen ? Nu, hierin schuilt voor menig een een zegen ; maar een mensch is ook geroepen zich rekenschap te geven van wat hij gevoelt of meent te gevoelen.

Sprekers en schrijvers die zich mijn verwijt aantrekken, zullen zeggen : Maar wij bedoelen met »Christus is opgestaan* niets uitwendigs ; wij bedoelen dat hij leeft en gewagen daarom in één adem er mee, dat hij in óns moet leven. Ja, dat begrijpt ieder die min of meer over theologische onderwerpen heeft leeren nadenken en de godsdienstige stroomingen kent ; maar hoogstbedenkelijk is het zijn bedoeling te kleeden in woorden aan verouderde voorstellingen ontleend en zoo aan te kweeken onwaarheid, dien vloek van het godsdienstig leven waarvan het ieder onzer moeite kost zich vrij te houden.

De waarschuwing te dezen zeer voorzich­tig te zijn is te noodzakelijker, omdat in de viering van Paschen zelf een onwaarheid schuilt, door geen historisch-kritische nauwgezetheid weg te nemen, een onwaarheid, die nauw samenhangt met een voor ons gemoedsbestaan gevaarlijke levensbeschouwing. Laat mij dit mogen uiteenzetten.

Het kruis van Golgotha was voor de vrienden van Jezus niet slechts iets smartelijks, omdat hij dien zij liefhadden leed, niet slechts een reden van verontwaardiging en toorn tegen de bewerkers er van ; het was een »ergernis«, d.w.z. een feit, waardoor hun geloof aan God werd geschokt. Hoe kon God toelaten dat hij dien zij vereerden als leidsman, meester, profeet, Christus wellicht — wij weten niet welke titels zij hem vóór zijn dood gaven — zulk een smadelijk uiteinde had ? En al durfden zij niet aan God den rug toekeeren, Jezus was niet van Hem gezonden, was niet hun gids ten leven; zij konden niet in hem gelooven. Die.ergernis is in hun ziel overwonnen, en het denkbeeld : hij is toch onze heer — heeft zich ge kleed in den vorm : hij is verrezen. Een heerlijk bewijs voor den onuitwischbaren in druk dien Jezus op hen had gemaakt, een proeve van de macht van zedelijke grootheid : het Joodsche wanbegrip waardoor 't kruis een ergernis voor de vrienden was werd zoo verdrongen. Dat wanbegrip is het geloof, hetwelk het geheele O.T. door is te vinden ; ook het N.T. ontsiert en dat ook wij bezwaarlijk uit onze ziel bannen : dat deugd beloond moet worden — door levensbehoud gezondheid, voorspoed of eer — ja, dat God vroeg of laat, in dit leven of hiernamaals, ze zal beloonen ; zooals Hij de zonde straft. Dit denkbeeld, hoe begrijpelijk ook en wellicht in niemand volkomen uitroeibaar, moet toch geweerd worden, is een gebrek van ons geestelijk leven, en het wordt in stand gehouden, aangekweekt door de viering van Paschen na Goeden Vrijdag. Wij gaan op Paschen niet naar een ledig graf, maar naar Golgotha ; daar zien wij én den lijdenden, gesmaden, èn den zaligen, verheerlijkten Jezus. Uitstekend wordt dit weergegeven in het vers : »0 hoofd, bedekt met wonden«, wanneer, zooals het in de liederen van den Protestantenbond geschiedt, die verzuchting in de volgende regels vervangen wordt door : »0 hoofd, omgloord met stralen, wier bovenaardsche gloed. Het luist'rijkst is bij 't dalen.« Wij, gebrekkige wezens, geschapen voor geluk en begeerig naar vreugde, wij spreken van : na lijden verblijden, na ondergang en dood herleving, en 'moeten leeren in het goed gedragen lijden, in den schijnbaren ondergang zelf heerlijkheid te zien. Jezus leeft, niet na den dood, maar in zijn sterven aan het kruis, en wanneer hij in ons leeft, dan zullen wij niet zalig worden, maar wij zijn het.

H. OORT.

Tegelijk met dit stuk van prof Oort lazen we nog iets anders over dezelfde zaak, n.l. dat vrijzinnige dominé's den mond vol hebben van ouderwetsch-rechtzinnige termen, terwijl zij heel iets anders bedoelen en willen zeggen, dan in die ouderwetsch-rechtzinnige termen vervat is.

Hiertegen komt ds. H. Bakels op. Hij eischt eerlijkheid bij de modernen. En daarover schrijft hij in »de Hoeksteen«, verkla­rende dat hij zulke dominé's die eigenlijk heel iets anders willen zeggen, dan zij doen, eenvoudig niet meer kan aanhooren.

Hij schrijft dan : »Waarom ik geen preeken meer kan aanhooren van dr. C. B. Hijlkema, dr. Van den Bergh van Eijsinga (Santpoort), dr. A. H. Haentjes, en zelfs sinds eersten Paaschdag 1921 van mijn besten vriend Arjen Binnerts ?

»En waarom kan ik dat alles niet aanhooren of (zooals bij De Hartog) niet lezen ?

»Wel om de eenvoudige reden dat ze allerlei woorden aan de antiek-Christelijke wereldbeschouwing ontleenen en uitspreken, doch er op het zelfde oogenblik iets héél anders mee bedoelen.

»Ik heb al voor jaren gezegd : »Als ik een orthodoxe preek wil hooren, dan ga ik liever naar een écht-orthodoxen prediker.« Dan toch weet men wat men er aan heeft. Elk woord dat gebruikt wordt heeft in den mond van dien man ook de beteekenis die het in het gewone spraakgebruik hééft.

»Maar als men bij het lezen van een boek van een kwasi-orthodoxen De Hartog of bij het aanhooren van een preek van een Hegeliaanschen of van een malcontentrechts modernen dominé voortdurend, bij élken volzin, bij ontelbare uitdrukkingen (zooals Christus, Opstanding, Verzoening, de Schrift Wedergeboorte, Oordeel, enz. enz.) voortdurend, voortdürènd moet denken : »Wat bedoelt die man daar nu mee ? « of wel: »De man bedoelt met dit woord eigenlijk het omgekeerde van wat 't zegt« als men dus bij het lezen van zulk een kwasi-orthodox boek of bij het hooren van zulk een kwasi-orthodoxe preek in eiken volzin of pèricope eens of meermalen een meditatietje-bij-zich-zelven moet houden

»dan doet men in een uur dat men zulk een boek leest of zulk een preek hoort »wel-3 of 4 maal zooveel werk als normaal is. —

»Dit nu is mij te afmattend gebleken. Ik kan wel twee minuten zoo hard als ik kan draven. Maar niet een uur lang. Dat houd ik niet vol. »De veer die mijn hersenradertjes in beweging houdt, is niet krachtig genoeg onze hersenradertjes een uur lang zóó-snel ronddraaiende te houden.

En ik ben overtuigd : zooals het met een veer is gesteld, zoo is het ook gesteld met de veer van vele anderen, o.a. met de uwe.

Men voelt uit dit stuk wat ds. Bakels zeggen wil. Van al die draaierij en onoprechtheid der vrijzinnigen wordt hij zeeziek. .

En dat zegt nu een modern theoloog als ds. Bakels.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het Kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's