Feuilleton.
Van 's levenspad
op reis naar een ander vaderland.
door COR.
I.
Schreiend zat Ada in den trein, welke haar naar de plaats bracht, waar zij in een betrekking ging. Nooit nog was zij van huis geweest, altijd had zij onder het onmiddellijke toezicht harer ouders geleefd en daarom viel het haar nu zoo zwaar alleen den vreemde in te gaan. Dagen tevoren had zij er reeds tegen op gezien het ouderlijk huis te verlaten, alleen te vertrekken naar een plaats, waar zij geen enkele kennis had, waar zij geheel vreemd was. Zooveel mogelijk had zij echter getracht zich goed te houden, niet te laten merken dat het haar zoo zwaar viel het huisje, waarin zij geboren en opgevoed was, te verlaten, wetende haar ouders daardoor ongerust te maken.
Nu niemand haar echter zag, nu zij alleen in een coupé van den voortrollenden trein zat, liet zij haar tranen den vrijen loop, ontlastte zij haar diepbedroefde hart, door eens goed uit te schreien, om daardoor verlicht, haar voetstappen in de voor haar onbekende plaats te zetten en haar nieuwe betrekking te aanvaarden.
Niet tevergeefs had zij er tegen op gezien het ouderlijk huis te verlaten, want al heel spoedig bemerkte zij het groote verschil tusschen haar eigen tehuis en dat, waar zij nu haar intrek genomen had. Van haar kinderjaren af woonde de vreeze des Heeren reeds in haar hart, was dat uitgegaan om in Zijn dienst te leven, wat zij thuis ongestoord kon doen, want ook het hart harer ouders ging uit naar den Heere, en zij deden niets liever dan ook hun kinderen daarin te onderwijzen, daarin te zien opgroeien.
Nu werd zij echter dag aan dag bemoeilijkt, bespot en uitgelachen om wat men noemde haar bekrompen ideeën, daar zij niet wilde leven zooals de menschen waar zij was, die wel naar de Kerk gingen, doch daarvan hun geheelen godsdienst maakten, zonder te bedenken dat alleen een gebroken en verlsagen hart den Heere welbehagelijk kan zijn. Daarom ook konden zij Ada niet begrijpen als zij niet met hen mee wilde doen, in wat niet beter aangeduid kan worden dan met de woorden : 'het godsdienstig dienen der wereld. Dan werd zij uitgelachen en bespot, riep men haar toe, dat zij toch jong was en dus ook nog wel wat van het leven mocht genieten, om als zij ouder was, wat ernstiger te worden.
Thuis altijd te kunnen spreken over datgene waar haar hart naar uitging, daar steeds opnieuw te kunnen luisteren naar het spreken over het gaan op den eenigen weg des levens, en hier niets daarvan te hooren, nooit daarvan te kunnen spreken tot iemand die haar begreep, dat drukte haar zoo terneer. Daardoor gebeurde het menigmaal, wanneer zij 's avonds haar kamertje opgezocht had, om zich ter ruste te begeven, dat zij bitter schreiende in slaap viel. Zij gevoelde zich als een vreemdeling, die door een onbekende streek moet om het doel der reis te bereiken, zonder water te vinden om zijn dorst te lesschen, of een verkoelende beschutting boven het hoofd voor de stralen der brandende zon.
Menigmaal zag zij uit naar iemand, met wie zij zou kunnen spreken, met wie zij vriendschap kon aanknoopen, maar hoe zou dit haar gelukken in een vreemde plaats, waar zij niemand kende ?
Op zekeren avond werd zij echter bezocht door twee meisjes, die van haar komst gehoord hebbende, kwamen vragen of zij lust had eenmaal per week een naaikrans te bezoeken en mee te helpen aan het vervaardigen van kleedingstukken voor behoeftige gezinnen. Met blijdschap werd dit voorstel door haar aangehoord en aanstonds stemde zij toe, want voor anderen iets te kunnen doen, was altijd haar verlangen ge weest en nu werd zij er zoo goed voor in de gelegenheid gesteld. Maar nog een andere reden deed haar zoo direct toestemmen, want zij dacht, misschien vind ik daar wel een vriendin met wie ik kan omgaan en spreken over wat in mijn hart leeft. Verlangend zag zij daarom naar den avond uit, waarop zij voor het eerst zou gaan, wanneer zij door de meisjes, die haar bezochten, gehaald zou worden.
Haar stille hoop werd niet beschaamd, want nog vóór de naaikrans bereikt was, gevoelde zij zich reeds aan die twee meisjes, Fietje en Cor, verbonden, had zij reeds bemerkt dat ook hun hart niet meer naar de wereld uitging, dat daarin dezelfde lust en begeerte woonde, welke bij haar gevonden werd. Heel spoedig was een sterke vriendschapsband tusschen dit drietal gelegd, waren zij met onbreekbare banden aan elkaar verbonden, want de begeerte van hunne harten was één doel, op één punt gericht, namelijk te weten dat hun ziel van het eeuwig verderf was gered, dat die Christus Jezus als Borg en Middelaar mocht leeren kennen, om ook hun schuld uit te delgen. Vaak zag men hen nu elkander opzoeken, zag men hen 's avonds wandelen, sprekende over dingen, die de wereldling niet kan begrijpen, waarover die de schouders ophaalt met de vraag, hoe daar nu toch vermaak in gevonden kan worden. Het was echter hun grootste lust en begeerte, hun hoogste verlangen daarover met elkaar te spreken, wetende dat het niet gold een geluk voor den tijd, voor dit korte leven, maar hun eeuwig heil, de eeuwige welgelukzaligheid hunner ziel, die meer waard is dan alles wat de dienst der wereld biedt, meer dan alle schat ten der aarde. Het gold het eeuwig, onvergankelijk goed, dat door mot noch roest verteerd kan worden.
Nu wandelden zij met z'n drieën over 's levenspad, waar zij zich gedurig vreemdelingen gevoelden, om dat zij met al wat hun oog daar zag, niet konden meegaan. Vreemdelingen, die door een onbekend land voortgingen, waarin zij menigmaal vreesden te zullen omkomen, twijfelende of de Hemelstad wel ooit bereikt zou woirden. Nimmer echter gaven zij den moed op, hoe groot de strijd en twijfel ook somtijds was, liever kwamen zij om in het zoeken naar de redding hunner ziel, dan zich in den maalstroom der wereld te werpen, welke hen naar de eeuwige rampzaligheid zou voeren.
Gaat gij ook over 's levenspad, uzelf een vreemdeling gevoelende bij hen, die vermaak in de genietingen der wereld vinden ? Of gevoelt gij u nog .thuis bij hen, die zonder den Heere kunnen voortgaan ? Behoort gij ook tot diegenen, die hen, welker lust is geheel en al in 's Heeren dienst te leven, bespot en belacht ; hun toeroepende dat zij veel te stijf en bekrompen zijn ? Leeft gij ook nog voort met de gedachte, dat gij toch wel wat van het leven moogt genieten ? Zoo ja, verlaat dan toch dat leven, ga niet voort op dien weg, want anders zal het einde het eeuwig verderf zijn. De Heere vraagt immers niet uw laatste dagen, den tijd, waarin gij oud geworden zijt, maar al uwe dagen, uw gansche leven vraagt Hij. Niemand, die den Heere leerde kennen, heeft ooit gezegd : ik zocht te vroeg naar Hem ; altijd weer wordt dan de wensch uitgesproken : was ik reeds eerder tot Hem gegaan. O, ga gij, die nog buiten den Heere leeft, dan heden nog tot Hem, dan ook zult gij ervaren welk een vreugde uw hart zal smaken. Uw vrienden van voorheen zullen u bespotten en ibelachen, onder hen zult gij u als vreemdeling gevoelen, maar dat alles zal straks zoo ruimschoots vergoed worden, als uw stervensuur aanbreekt en de dood geen verschrikking meer heeft, wetende, dat Christus Jezus ook voor u den dood overwon, opdat gij eeuwig met en bij Hem zult leven.
Wanneer gij echter reeds als Vreemdeling over 's levenspad gaat, als gij menigmaal belachen en bespot wordt, als men u toeroept dat gij veel te stijf en bekrompen zijt laat dat u toch nooit weerhouden te blijven vragen en zoeken naar den Heere van dag tot dag. En zoo de twijfel in uw hart rijst of gij wel ooit de Hemelstad zult bereiken, als gij met bange vrees vervuld zijt om te komen voor die bereikt is, laat dan de geschiedenis van Ada, Fietje en Cor u tot bemoediging zijn, dat niemand ooit tevergeefs den Heere zoekt. Ook zij waren menigmaal met bangen twijfel vervuld, ook zij spraken vaak tot elkander van de vrees welke in hun hart woonde, dat zij zichzelf bedrogen, dodi de uitkomst, (welke u in enkele volgende stukjes meegedeeld wordt) bewees, dat de Hemelstad door hen werd of nog zal worden bereikt. Als satan u dan ook influistert, dat gij toch vergeefs zoekt, dat gij veel beter wat van de wereld kunt genieten, geef het dan nimmer gehoor, doch zet de reis voort over 's levenspad als een vreemdeling, om straks thuisgehaald te worden, de Hemelstad in te gaan, eindeloos verkeerende bij Hem, Die uit eeuwige liefde in Christus Jezus, Zijn eenigen Zoon den weg ontsloot om daar te komen.
En wie de poorten der Hemelstad reeds van verre mag aanschouwen, wie met het oog daarop gericht, voortgaat, wetende, dat die spoedig bereikt is, laat uw bede toch gehoord worden voor hen, die dat pad nog niet betreden, zich in de wereld nog thuis gevoelen, want het zal voor hen zoo ontzettend zijn straks in het eeuwig verderf te verzinken, waar zij den Heere moeten missen. Tracht, met 's Heeren hulp, hen de zonde te doen verlaten, opdat velen van hen nog toegevoegd worden bij die schare welke den Koning der eeuwige heerlijkheid in Zijn schoonheid zullen aanschouwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 mei 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's