De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkeïïjk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkeïïjk leven.

22 minuten leestijd

Het Reglement op de Predikants tractementen.

(Kindergelden, dienstjaren, emeritaatspensioen, enz.) V.

Ds. Van den Brink gaat in zijn brochure »Oude en nieuwe Koers« (drukkerij »Libertas«, Rotterdam, 1918) breed op de kwestie van emeritaatspensioen en uitkeering aan weduwen en weezen in, en zegt dan :

»Het financieel bezwaar zit in het onvermogen van tal van Kerken, om zelve in de nooddruft der gepensioneerden te voorzien. Voor kleine, zwakke Kerken is dat ten eenen male onmogelijk. Maar ook voor groote, sterke Kerken is het bedrag van het pensioen uiteraard hóóger dan voor de kleine Kerken en ze hebben al haar kracht in tespannen om het honorarium van den predikant óp te voeren ; en zoo zijn ook de grootere Kerken niet bij machte om aan hare verplichtingen te voldoen.

, Het stichten van een plaatselijk fonds wordt door ds. v. d. B. een »schoon ideaal« genoemd, maar meer dan een »ideaal« is het ook niet, zegt hij.

Verder schrijft hij : er bestaat vrees voor bejaarde predikanten.' Dezen leveren immers het meeste gevaar op voor emeritaat ! En zoo werd ons in de laatste jaren het onverkwikkelijk schouwspel geboden, dat Dienaren 'des Woords, die over de veertig liepen, slechts bij hooge uitzondering een beroep ontvingen ; en dat nog oudere Dienaren, wien in groote kerken de arbeid te zwaar viel, doch die nog zeer wel een kleine kerk konden dienen, óf te vroeg emeritaat moesten nemen óf al klagend en zuchtend een werk dat boven hun krachten ging, moesten blijven verrichten, — iets, waarin zooveel pijnlijke en zooveel smadelijks ligt'voor de Dienaren des Woords. Het is — zoo vervolgt hij — toch zeker geen aangenaam vooruitzicht om straks omdat men twintig jaren en langer de Kerken gediend heeft, te worden voorbijgeloopen en straks, als de volle levenskracht afneemt, te worden veronachtzaamd en op zij gezet.

Ook wordt er aan herinnerd, dat bij doorvoering van het'beginsel van art. 13 Dordtsche Kerkorde de meerderheid der Kerken, wanneer zij een emeritus-dienaar of weduwe en weezen te verzorgen krijgt, zóó zeer bezwaard wordt, dat zij veelal niet in staat zijn tot 'beroeping van een nieuwen Dienaar des Woords over te gaan. Terwijl, naar het getuigenis van de Particuliere Synode van Groningen »het bovendien onbillijk is, eene Kerk, welke ook, te belasten met een pensioen, berekend naar 'n aantal dienst jaren, waarvan een grooter of kleiner aantal in andere Kerken is doorgebracht* Wat bedoelt nu ds. Van den Brink met den »nieuwen koers« ?

Dat de Synode een pensioenregeling aangeeft en dat de Kerken zich tegenover elkander verbinden de financiëele lasten, aan de uitvoering van art. 13 Dordtsche Kerkorde verbonden, gezamenlijk en gemeenschappelijk naar een evenredig aandeel te dragen. 

Ds. Van den Brink zegt daarvan : »De Kerken moeten dus afspreken : wij zullen gezamenlijk betalen, wat een of meer onzer volgens art. 13 betalen moet, wat waarschijnlijk ieder onzer op haar beurt zal hebben te betalen. Volgens onderlinge afspraak wordt een vastgesteld percentage over al de Kerken omgeslagen !

Zie daar alles ! Een dood-eenvoudige, nuchter-verstandige regeling.« Hij zegt verder : »En deze nieuwe koers schijnt ook den voordeeligsten weg te wijzen. Er gingen óók stemmen op, om aan de Dienaren een polis van een levensverzekering te geven-. Dit stuit echter op schier onoverkomelijke bezwaren. En het is ongetwijfeld niet het voordeelïgst. De gemakkelijkste, goedkoopste, eenvoudigste methode is de bovengenoemde.*

»Wel is gezegd, dat deze nieuwe koers in strijd zou zijn met de beginselen van Gereformeerd Kerkrecht en Kerkregeering en dus ook met art. 13 D.K.O. zelve ; maar — zoo zegt ds. V. d. B. — zulke groote woorden brengen ons niets verder. Ze dienen veeleer om ons standpunt te versterken dan te verzwakken.*

Herinnerd wordt hierbij, dat prof. Rutgers in een rapport op de Generale Synode van , 1914 te 'sGravenhage o.a. gezegd heeft : »Zonder twijfel mogen plaatselijke Kerken ook inzake pensioenen tegenover elkander financiëele verplichtingen aangaan, zelfs een soort van onderlinge verzekering in het leven roepen.« •

Ds. Van den Brink gewaagt nóg van iets. Hij zegt : »De nieuwe Hoogleeraar onzer Theol. School, die door eene nieuwe vinding de Synode te Rotterdam deed paf staan, heeft met zijn scherp oog en helder zienden blik een bacil van hiërarchie in de nieuwe .regeling ontdekt. Hij had zeker ook een fijnen microscoop tot zijn dienst. Want hoe diepzinnig zijn betoog ook móge zijn, met het bloote oog schijnt de bacil niet te kunnen worden waargenomen. De meerdere vergaderingen usurpeeren gezag en randen de autoriteit der plaatselijke Kerk aan. Doch als dit zoo is, geldt hetzelfde dan ook niet van andere financiëele regelingen —• waar er toch zooveel gemeenschappelijke belangen zijn die moeten geregeld worden ? Als hierin een bacil van hiërarchie verborgen zit, dan kan er wel een klopjacht op dergelijke bacillen worden gehouden.* •

Waarom we een en ander wat breed hebben gememoreerd ?

Om te doen voelen, hoe moeilijk de regeling is, wanneer het betreft het voldoen aan financiëele verplichtingen, die min of meer voor rekening komen voor meer dan één gemeente, wat we zien bij de uitbetaling van emeritaatspensioen ; ook wat betreft de onderhouding van weduwen en weezen ; maar ook wat betreft de vergoeding voor dienstjaren en de uitbetaling van kindergelden.

Daarom die moeilijkheden in de Chr. Ger. Kerk en in de Geref. Kerken ; waarom in die Kerken ook verlangd wordt naar en aangestuurd wordt op een onderling hulpbetoon, waarbij de gemeenten onderling naar een bepaalden aanslag zullen hebben bij te dragen in de kosten, cjie men dan saam voor gemeenschappelijke rekening genomen zal hebben — waarbij predikanten met dienstjaren niet, als zijnde »dure* dominé's, gepasseerd behoeven te worden en emeriti enz. geen honger behoeven te lijden.

In dit verband zien we ook het voorstel van 's Hertogenbosch — kwam het oorspronkelijk niet uit Tilburg ? — op de jongste Synode der Geref. Kerken, te Leeuwarden gehouden, inzake »kinder-gelden.« Een voorstel dat, wel is waar, gewezen is van de hand, maar daarom nog wel niet van de baan zal zijn.

Deze dingen nu kwamen ook in het midden van onze Herv. Kerken aan de orde.

Ze waren er allang. Natuurlijk ! Maar de plaatselijke Kerken trokken er zich niet veel van aan. De tractementen waren veel te laag. Werden al lager en lager, in vergelijk met de stijging der levenskosten. Maar heel veel werd er niet voor gedaan helaas noch door de kerkvoogden noch door de kerkeraden. Men pakte niet aan. Men tastte niet door. En zoo was er van verhoogingen naar dienstjaren — wie wil er nu niet wat vooruit komen en z'n leven, bij langen en trouwen dienst ? — heelemaal geen sprake. En over kindergelden werd ook liefst maar niet gesproken.

Zóó ging het met de dienstdoende predikanten.

En een emeritus-predikant werd eenvoudig buiten de deur gezet. Met een zucht van verlichting zag men hem gaan, na veertig jaren en langer de Kerlcen gediend te hebben Geen cent werd er voor hem en zijn gade uitgetrokken. Naakt werden ze aan den dijk gezet. Om 'haastig een ander te roepen als herder en leeraar, met verhooging van het tractement.

Denkt men dan werkelijk, dat de Heere het zuchten van weduwen en weezen niet hoort en dat Hij de tranen die er geschreid zijn, niet heeft opgemerkt?

En zoo kwamen er minder predikanten. Zoo kwamen er meer klachten. Zoo werd de nood gevoeld. Althans iets er van werd gevoeld.

En nu is er een voorstel gekomen waarbij de plaatselijke gemeenten, die met elkaar in Kerkverband leven, naar een omslag, welke berust op allerlei gegevens, elkander zullen bijstaan, om zoo saam te doen, wat tot nu toe verwaarloosd werd en wat elke gemeente afzonderlijk niet vermag te doen. Een voorstel dat wet geworden is.

Waarbij alléén vreeselijk jammer is, dat, om de wille van de enorme kosten, althans voorloopig de regeling van pensioenen voor emeriti en weduwen en weezen eruit genomen is.

't "Was mee de bedoeling om voor die oude, rustende Dienaren des Woords op te komen en te zorgen voor de vaak arme weduwen en weezen.

Maar helaas moest dat uit het voorstel uitgenomen worden, omdat de noodzakelijke regeling voor de dienstdoende predikanten en hunne gezinnen toch al zoo héél veel zou vragen.

(Wordt vervolgd).

Scheiding van Kerk en Staat. II.

»Waard om overdacht en in de pers besproken te worden« oordeelt ds. Knap aangaande de dingen door dr. Kromsigt in zijn brochure naar voren gebracht.

En daarom doet ds. Knap in »Oude Paden* dan ook enkele vragen, die we hier laten volgen :

»Onze eerste vraag betreft de vergelijking van de Kerk met onderwijs, kunst, leeszalen en andere beschavingsfactoren.« Wij zijn 't natuurlijk van harte met dr. K. eens, als hij de Kerk een Staatsbelang noemt en er een invloed aan toeschrijft, die heel wat verheffender is dan b.v. die der leeszalen. Er wordt wel niet zulk een ophef gemaakt van. de cultureele waarde der Kerk, maar zij is voor ons besef niettemin het zout der aarde. En indien er gekozen moest worden tusschen het afbreken van Kerk en van schouwburg, dan zou het nationale leven, afgezien van het zuiver religieuze element, in zedelijk opzicht het meest bij de afbraak der Kerk verliezen.

Dr. Kromsigt is er echter, evenals wij, van overtuigd, dat de Kerk een verschijning van eigen a a r d in het midden der wereld is. Zij is evenmin met een leeszaal als met een volksuniversiteit te vergelijken. Zij is iets volstrekt bijzonders en aparts, waarvoor nergens ter wereld een analogie te vinden is. En al werkt zij nu door godsdienst te kweeken en op dien grondslag een zedelijk leven te bouwen als een cultuurmacht, haar eigen aard, haar bijzondere wezen dat aan eigen levenswetten gehoorzaamt, schijnt toch te verbieden haar op één lijn met de andere beschavingsfactoren te stellen en voor haar dezelfde rechten op te eischen als voor het onderwijs, de kunst, enz.

Dit zou wél mogen, indien de eigen bijzondere aard der Kerk zich er niet tegen verzet. Juist dit is het punt waarop alles aankomt, maar dat niet voldoende in de brochure door dr. Kromsigt wordt toegelicht. De brochure redeneert voornamelijk van den Staatsplicht of het Staatsbelang uit. En zij vraagt niet scherp en beslist, of de Kerk van Staatswege hulp kan aanvaarden, dan wel of het een gezonder toestand is, wanneer zij zonder Staatshulp haar gezegend werk doet.

Dat is dan toch een principiëele kwestie Zij moet vóór alles uftgemaakt worden En nu doet dr. K. wel terloops een poging om haar op te lossen, maar die poging lijkt ons niet bovenmate geslaagd.

Hij beroept zich toch op het voorbeeld van onderscheiden Israëlitische koningen, die den eeredienst steunden en op den befaamden tekst Jesaja 49 vers 23, terwijl hij ook Rom. 13 aanhaalt, waar de Overheid „dienaresse Gods" heet.

Nu dunkt ons, dat het beroep op de Israëlitische koningen misplaatst is. Ieder weel toch, dat onder de oude bedeeling het Koninkrijk der hemelen nauw samengevlochten was met het nationale leven en dat de theocratie dus onder Israël inheemsch was. Dadr paste Staatssubsidie uiteraard bij. Maar ieder weet ook, dat die nationale banden op den Pinksterdag verbroken zijn en dat de Kerk toen een internationaal karakter aannam. De stutten van het nationale leven werden weggeslagen en zij kreeg in den Heiligen Geest een eigen levensbeginsel om voortaan op eigen voeten te staan en losgewikkeld te worden uit alle nationale windselen, die haar tot dusver op de been gehouden hadden. Met deze o.i. Schriftuurlijke beschouwing klopt dan ook het optreden van Jezus met den apostelkring, waarin toch zeker een praeformatie der Kerk te zien is. Deze kring had eigen fondsen. Het zou haast lasteriijk klinken de onderstelling te uiten, dat Christus door de Staatsmacht gesteund werd. De fondsen van dien kring werden uit liefdegaven gevormd. En hiermede is voor ons, zoolang wij niet van ongelijk overtuigd worden, uitgemaakt, dat de fondsen der latere Kerk eveneens verzameld moeten worden onder den drang der offerende liefde — een opvatting, die door de vermelding van menigvuldige inzamelingen in de apostolische brieven krachtig gesteund wordt.

Het beroep op Jesaja 49 vers 23 dunkt ons eveneens zwak.

Op den klank afgaande lezen wij daar inderdaad, dat »koningen de voedsterheeren der Kerk en hunne vorstinnen haar zoogvrouwen zullen zijn.« De samenhang, waar in dit gezegde voorkomt, mag echter niet over het hoofd gezien worden. Het is een troostrede voor de ontmoedigde Joden. De Heere belooft hun geestelijk zaad te zullen vermeerderen : Hij zal zijne hand opheffen' tot de heidenen en zijne banier tot de volken ; door de roeping des Evangelies zullen de heidenen zich bij de gemeente voegen, de koningen zullen de voedsterheeren der Kerk en hunne vorstinnen haar zoogvrouwen zijn, — »zij zullen zich voor haar buigen met het aangezicht ter aarde, ^en zij zullen het stof van hare voeten lekken.«

Reeds Calvijn merkt op, dat de »aan de koningen én koninginnen toegeschreven werkkringen van kinderverzorgers en minnen hier maar bij manier van spreken staan dm 't denkbeeld in te prenten, dat zelfs de hoogsten in den lande eenmaal de kinderen der Kerk zullen ondersteunen.* M. a. w wordt .hier geleerd, dat de aanwas der gemeente laag en hoog zal bestrijken, en dat ook »hoog« er een eer in zal stellen als blijk van kerkelijke bekeering steun aan de gemeente te bieden. Van den eenvoudigen man in de straat tot de koningen op den troon toe zal de genade doordringen en zal de Kerk er de gezegende gevolgen van ondervinden. D i t is het verband. En nu gaaf het toch niet aan de koningen er uit te lichten en een eenzijdigen nadruk op hun steun te leggen. Die steun wordt hun hier toch niet als vaste regel ten plicht gesteld, maar eenvoudig als gevolg van hun bekeering gemeld, en zoo vinden wij althans hier geen voorschrift van Overheidssteun aan de Kerk.

Eveneens hebben wij bezwaar tegen het beroep op Romeinen 13, waar de Overheid »dienaresse Gods« genoemd wordt. De apostel handelt in dat hoofdstuk in 't minst niet over de cultuurmacht der Overheid, doch blijft binnen de rechtssfeer. Hij waarschuwt ons om ons niet tegen de macht, die over ons gesteld is, te verzetten, omdat dit een wederstaan van de ordinantie Gods is en wij aldus een oordeel over onszelf halen, In d i t verband noemt Paulus de Overheid Gods dienaresse ; haar functie komt ten goe de aan degenen die haar gehoorzamen, maar zij is een wreekster tot straf dengene die kwaad doet. Méér zegt de apostel hier niet, en het schijnt ons ongeoorloofd hieruit conclusies voor de Kerk te trekken.«

We zijn het inzake deze eerste vraag, betrekking hebbend op het geheel eenig karakter van de Kerk des Heeren, volkomen met ds. Knap eens. En aangezien het vergelijken van de Kerk met leeszaal, schouwburg volksuniversiteit, enz., schering en inslag is bij de mannen van de »Staatssubsidie voor alle gezindten«, zouden we toch nog wel eens willen vragen, of men die wijze van redeneeren en argumenteeren nu niet zou willen gaan wijzigen.

Dat men het vraagstuk aanpakt van dézen kant, n.l. dat de Staat er belang bij heeft, dat de religie in het midden van het volksleven niet te loor gaat, daar hebben we vrede mee. ''

En dat men met het oog op het volksleven een onderzoek in stelt naar de vraag : hoe kan de Kerk het best haar taak vervullen — dat vinden we óók best.

En dat er dan samenwerking komt, om de Herv. (Geref.) Kerk weer te gaan inrichten, wat "belijdenis en Kerkorde aangaat, naar de beginselen van Gods Woord, opdat zij als een pilaar en vastigheid der waarheid mag komen staan en als een sprekende getuige van Christus en als een stad op een berg en als een licht op den kandelaar, enz. enz. — óók dat vinden we best.

Maar laat men nu niet de dingen op z'n kop gaan zetten, door te argumenteeren, dat er Staatssubsidie moet komen voor de Kerk, ja, voor alle godsdienstige gezindten, om zóó ons volksleven op de been te houden — want dan staan we daar vierkant tegenover, omdat men dan de Kerk in haar karakter en wezen aantast en een kerkelijk leven voorstaat, dat straks zoo dood als een pier is, met verwoesting van ons volksleven.

We zijn dus niet tegen de stelling, dat de religie een kracht is voor het volksleven. Maar we zijn er wél tegen, dat men de, Kerk op de been wil houden met Staatssubsidie en de Overheid zet voor een onmogelijke positie.

Maar ds. Knap laat het niet bij de e e r-s t e vraag. Hij doet ook nog een andere vraag. Hij schrijft dan verder : »Een andere vraag drong zich ook nog aan ons op.

Dr. Kromsigt zou wenschen, na afrekening van de gekapitaliseerde tractementen en een evenredige uitkeering aan de andere Kerken-groepen, dat aan alle Kerken, zon­ der onderscheid. Staatssubsidie verstrekt werd. De Joden, de Roomschen en de Modernen zouden dus voortaan met Staatsgeld hun beginselen trachten té verbreiden. Zij zouden naar hun vermogen het volk voor de Joodsche, de Roomsche en de Moderne religie pogen te winnen. Zij doen dit nu ook. Ja, waar werd dr. Kromsigt's voorstel wet, dan zou deze actie door de Overheid niet slechts gesteund, maar gesanctionneerd worden.

Wij kunnen ons uitnemend voorstellen dat dit denkbeeld toegejuicht wordt door de voorstanders van den neutralenStaat voor wien als zoodanig alle religies een even groot recht van bestaan hebben.

Maar hoe kan dr. Kromsigt dit voorstel inconse­ doen ? Staan wij hier niet voor een quentie ?

Hij schrijft een en ander maal; dat de Overheid geroepen is in een Christelijk land de beide tafelen der wet te handhaven. Hij pleit voor een Christelijken Staat. En nu wordt dit Christelijke karakter plotseling getemperd tot een Christendom boven geloofsverdeeldheid. De Christelijke Overheid moét het niet maar toelaten,  dat er propaganda voor het Modernisme, de Roomsche Kerk en het Jodendom gemaakt wordt overeenkomstig het beginsel, der conscientievrijheid, maar zij zal door haar geld die propaganda meer of min krachtig steunen.

Wij konden haast niet gelooven wat wij lazen.

Van Christelijk-Historische zijde hadden wij een dergelijk voorstel stellig niet verwacht.' Deze politieke groep legt toch een zéér sterken nadruk op het p r o t e  st a n t s c h karakter der natie. En zou zij nu medegaan met een denkbeeld als dat van dr. Kromsigt om de Roomsche Kerk en bovendien het Modernisme met Staatssteun te helpen bevorderen ? Wat blijft er zoo over van het specifiek protestantsch karakter der Overheid ? Wij betwijfelen dan ook ten zeerste, of de Christelijk Historische Unie zich voor de aangeboden oplossing zou laten vinden. Het wil ons toeschijnen, dat zelfs de groep in de Unie, die inzake de kerkelijke quaestie achter dr. Kromsigt en niet achter Jhr. de Savornin Lohman staat, bedenkelijk het hoofd zal schudden over het prijsgeven van een beginsel, dat tot dusver voor één der grondzuilen gold. En wat de groep betreft, die Lohman inzake de kerkelijke quaes tie volgt — er zal wel zeer weinig kans zijn om haar af te brengen van het standpunt, dat het raadzaam is Kerk en Staat financieel gescheiden te houden. Dr. Kromsigt vleit zich wel met de hoop op een vergelijk (Zie Noot p. 30) op grond van een uitlating in »De Nederiander« d.d. 22 Jan. 1897. Maar hij zal zich, evengoed als wij, herinneren, dat »De Nederlander* verleden jaar nog schreef, dat, werd de actie voor rijkssubsidie doorgezet, dit aanleiding kon en vermoedelijk zou geven tot scheuring in de Unie.«

(Wordt vervolgd.)

De Waalsche Kerk.

In Utrecht doet zich het eigenaardig geval voor, dat de Vrijzinnig-Hervormden die zich door kerkeraad en kerkvoogdij uitgesloten en achtergezet voelen, zich gaan aansluiten bij de Waalsche Kerk, waar ze met open armen worden ontvangen.

Het is een bekend feit, dat de Waalsche Kerken overal in verval zijn en steeds moeilijker positie krijgen.

Er zijn bijna geen Walen. En dan is het natuurlijk moeilijk er toch Kerken en dominé's op na te houden.

Maar nu hebben ze iets nieuws uittgevonden. Bloedechte Hollanders, van vrijzinnige beginselen, gansch doortrokken, gaan ze importeeren in de Waalsche Kerken en zóó zullen ze dan zien het hoofd boven water te houden.

Het feit, dat de Waalsche Kerken soms 1 maar ook zelfs 2 leden naar de Synode afvaardigen, terwijl die Waalsche Kerken feitelijk niets met den gang der dingen in de Hervormde Kerk hebben uit te staan, wordt nu nog zotter !

Wanneer zal er toch aan dat knoeiwerk eens een einde komen ?

Treurig.

In de »N. Rott. Cour.« van Maandag 2 Mei j.l. lezen we een stukje, door een Vrijzinnig-^Hervormde ingezonden onder »Kerknieuws« van den volgenden inhoud :

»Het was gisteren voor de vrijzinnig-Hervormden alhier een buitengewone dag. Zij konden in de Hoflaankerk van Kralingen vrijzinnige prediking hooren. Op verzoek der Vrijzinnige Hervormden in Kralingen toch had ds. J. P. van Melle de ochtendbeurt op 1 Mei royaal en onmiddellijk afgestaan aan een vrijzinnigen predikant. En zoo bevatte zonder voorafgaande ruchtbaarheid de Kerkbode de simpele aankondiging : Hoflaankerk ds. A. de Kat Angelino uit Gorinohem. Zoodat op dien schoonen Zondagmorgen honderden en honderden vrijzinnigen en niet-vrijzinnigen opgingen naar het hart van Kralingen : de Hoflaankerk en deze gehéél vulden.

Tot tekst koos spreker Efeze 4 vers 6 : »Eén God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen.« Schitterend onderwerp, nóch vrijzinnig, nóch rechtzinnig, maar universeel-Christelijk van den practisch-religieusen kant bekeken, afgewisseld met eenige der schoonste liederen uit onze psalmen en gezangen, meesterlijk voorgedragen. Ongetwijfeld maakte de met den gloed dèr overtuiging uitgesproken rede 'diepen indruk.

Een woord van hulde en dankbaarheid aan ds. J. P. van Melle, die aan de Vrijzinnig Hervormden in Kralingen op dezen Isten Meidag 'heeft recht gedaan !«

Wij kunnen niet anders zeggen van deze handelwijze van ds. Van Melle, dan dat het treurig is ; in-treurig ! Wat moet men er toch een eigenaardige Christusbeschouwing op na houden, als men zóó iets doet.

Geloovige natuurkundigen.

De eerste bladzijde van een pas verschenen boek kwam ons de verrassende mededeeling brengen, dat er zooveel geloovige natuurkundigen zijn geweest. Men spreekt méér van het tegendeel ; daarom dacht het ons goed er even de aandacht op te vestigen Een bekend geleerde, dr. E. Dennert, heeft 423 natuuronderzoekers en geneeskundigen op dit punt onderzocht en verklaart dat hij tot zijn blijdschap bevond, dat er 95% waren, die zeiden te gelooven aan een God.

Van dezen waren 37% rechtzinnig, hetzij protestantsch of roomsch.

Wat de beteekenis dezer mannen aangaat zoo war«n er op de 34 geleerden van den eersten rang 2 onverschillig of agnostisch : A. V. Humboldt en Darwin ; de anderen waren besliste theïsten (die in een God gelooven) en 12 van hen namen een positief Christelijk standpunt in. Onder dezen waren Copernicus, Galilei', Kepplèr, Newton, Leibniz, Boyle, Euler, v. Haller, Cuvier, Faraday. — juist zij, die den grondslag legden voor de nieuwe natuurwetenschap.

Boyle schreef : „De echte natuuronderzoeker kan nergens voortgaan in kennis van de geheimen der schepping zonder Gods vinger te ontdekken."

De beroemde Pasteur heeft gezegd : „Ik bid gedurende mijn arbeid in het laboratorium."

En de groote scheikundige Lord Paleigh sprak : „Dat de overtuiging, die een Newton, Faraday, Maxwell hun leven lang hebben vastgehouden, zich niet vereenigen laat met een wetenschappelijke geestesrichting, is zeker een bewering, waarmede ik mij niet behoef op te houden."

Het is verblijdend zoo nog te anogen opmerken, dat er tal van geleerden zijn, die het blijkbaar eens zijn met onze Ned. Geloofsbelijdenis, als deze in art. 1 zegt, dat de natuur „voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk al^ letteren zijn, die ons deonzienlijke dingen Gods geven te aan schouwen, namelijk Zijne eeuwige kracht en goddelijkheid." (Rom. 1 vers 20).

Wel zijn er ook zéér velen, voor wie het boek der natuur geen schrift bevat, waarin zij den heiligen Naam Gods zien geschreven. Maar door Gods genade mag het ook zóó wezen, dat door geleerde en knappe menschen de deugden Gods worden afgelezen uit het boek der natuur. De beroemde Keppler schrijft : „Ik dank U o Heer en Schepper, voor al de vreugde, die ik genoten heb in den staat van verrukking, waartoe de aanblik Uwer werken mij gebracht heeft" En de groote natuurkundige Linnaeus riep uit : „De eeuwige God is mij voorbijgegaan ; welk een kracht en wijsheid en volmaaktheid in al Zijne werken."

Madler, een sterrenkundige van naam, getuigt : „een waar natuuronderzoeker kan geen Godloochenaar zijn ; hij moet in deemoed zijn knie buigen voor het bestuur van den heiligen God."

Gelukkig dat er zoo nog groote mannen zijn, die diep zich buigen voor God.

Zij zijn er niet minder om ; neen ! integendeel, het eert hen.

En het lokt anderen uit, om God groot te maken, daar Hij het waardig is om geprezen te worden overal.

Is Jefta's dochter geofferd ?

Op een vraag dienaangaande antwoordt prof. Obbink in »Bergopwaarts« het volgende :

In Richteren 11 vers 30 en 31 staat : »En Jefta deed den Heer eené gelofte : indien gij de Ammonieten volkomen in mijne hand geeft, zoo zal den Heer toebehooren het eerste, wat mij uit de deur mijns huizes tegemoet komt, als ik behouden van de Ammonieten terugkeerden ik zal het offeren ten brandoffer.* En in vers 39 staat »en na twee maanden keerde zij tot haren vader weder, die zijne gelofte aan haar volbracht.* Het staat dus volstrekt vast, dat Jefta zijn dochter ten brandoffer offerde. De meest geraffineerde inlegkunde kan daar niets aan veranderen. Maar vers 40 dan ? In de Statenvertaling staat »dat de dochteren Israels van jaar tot jaar heengingen om de dochter van Jefta, den Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar. Het woord, hier foutief door »aanspreken« vertaald, beteekent eigenlijk : »bezingen«, n.l. met klaagliederen De oudste Grieksche en Latijnsche vertalingen hebben dan ook een woord dat beteekent : de doodenklacht aanheffen. Wat ongetwijfeld de bedoeling is.«

Zooals men weet denken de Statenvertalers blijkens de kantteekeningen er anders over.

Men leze wat daar geschreven staat, ook in betrekking tot 't woord »aan te spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkeïïjk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's