Uit het kerkelijk leven.
Scheiding van Kerk en Staat. III.
Naar het oordeel van ds. Knap is dr. Kromsigt met zijn 'brochure heelemaal uit de goede richting en met verwondering vraagt hij : is dat nu de man van artikel 36 onzer Ned. Geloofsbelijdenis ?
En ja — dat is wonderlijk, dat dr. Kromsigt blijkbaar zelf niet gemerkt heeft, dat een man van art. 36 toch eigenlijk niet kan komen met een voorstel en met een leuze, zooals hij in zijn brochure voorstaat, n.l. dat de Staat alle godsdienstige gezindten zal helpen en steunen met Rijkssubsidie.
De Joden, de Roomschen, de Gereformeerden, de Remonstranten, de Theosofen, het Leger des Heils, de Vrije Gemeente, de Religieus-Socialisten, enz. enz.
Of bedoelt dr. Kromsigt dat niet ? Maar waar moet de Overheid dan de lijn trekken ? en waar moet zij het recht vandaan halen om b.v. de Roomschen wèl te steunen en de Remonstranten niet ? Om den Joden wèl Staatssubsidie te geven en aan de Religieus-Socialisten Rijkssteun te weigeren ? Om wèl aan de Lutherschen hulpe te biên en aan de Theosofen, Spiritisten, 'Vrijmetselaars niet ?
Heeft de Overheid een maatstaf om naar te oordeelen ? Ja?
Ja? Waarom dan de Roomschen met Staatssubsidie steunen ? Geldt artikel 36 nog, - ja of neen ? Blijft er nog een Christelijke Overheid of is men voorstander van een neutrale Overheid ? We moeten dan ook eerlijk verklaren, dat we een recensie van mr. Schokking en van ds. Knap begrijpen.
Ook wat dr. Locher, van Leiden, in „Ons Kerkblaadje" zegt. Die schreef n.l. in een recensie het vol gende :
„Indien onze Kerk financieel aan zichzelf wordt overgelaten, zal ze zich gaan splitsen in verschillende partijkerken en standkerken en ophouden Volkskerk te zijn. Dat zou zeer te betreuren zijn.
Daarom wil dr. Kromsigt blijven in de lijn van art. 36 en de financiëele band van Staat en Kerk niet losmaken. Wij stemmen van harte met dr. Kromsigt in ; alleen willen we er den nadruk op leggen, dat subsidie eigenlijk nog meer in het belang van den Staat dan in het belang der Kerk is. De Kerk moet er niet op willen leunen. Laat die brochure velen de oogen openen. We bevelen ze van harte ter lezing aan.
Alleen staan we in die brochure voor eene moeilijkheid, waarover dr. Kromsigt ook naar mijn inzicht wat te licht heen gaat. Hij beveelt subsidie aan voor alle mogelijke kerken en richtingen. Als men subsidieert, kan dat in onze Grondwet niet anders ; maar daarmede is toch ook de lijn van art 36 weer verlaten "
Heel zacht en vriendelijk oordeelt dr. Locher hier dus over de brochure van dr. K. Van harte wordt ingestemd met het doel. Maar intussohen wordt gewaarschuwd de Kerk toch niet te doen leunen en steunen op den Staat; terwijl dan ten slotte gezegd wordt, dat dr. K., de man van art. 36, met deze brochure de lijn van art. 36 weer verlaten heeft......
Zacht en vriendelijk gezegd. Maar het is 'dan toch gezegd !
~ Heel vreemd doet het dan ook aan, als men vlak daar naast legt wat ds. H. Bakker, van Amsterdam, in „de Geref. Kerk" onder de wijd en zijd bekende en beroemde leuze „Heel de Kerk en heel het Volk" schreef. Die begint met te zeggen : . '
„Voor die oude leuze van dr. Hoedemaker komt dr. Kromsigt in zijn laatste brochure nog eens met kracht op. Dit geschrift is in vele opzichten een samenvatting van al wat dr. K. in vorige brochures over de kwestie van art. 36 heeft gezegd."
En vervolgens zegt hij dan :
„Tegen kapitaliseering van de Rijkstracementen wil hij zich niet verzetten, het lijkt hem beter dat in deze onzekere tijden van evolutionair sentiment de Kerk haar eigen goed, haar in het begin van de 19de eeuw ontnaast, maar weer in handen krijgt. Maar dat de Staat zich daarna van iedere financiëele verplichting tegenover de Kerk zou ontslagen achten, dat is zijn groote bezwaar. Dat vindt hij heelemaal niet volgens art. 36 onzer belijdenis. Indien de Overheid ooit meenen kon van de Kerk af te wezen, zou dat een „grove miskenning van den arbeid der Kerk" zijn, maar ook een „ongeoorloofde beperking van de roeping der Overheid." De Overheid kan met toezien niet volstaan. De rol van Gallio kan zij op den duur toch niet blijven vervullen, althans wanneer de Staat cultuurstaat wezen wil. Daar zal aan den geestelijken gang van het volksleven leiding gegeven moeten worden. En nu doet ze dat wel voor hooger en lager onderwijs, voor openbare leeszalen, volksuniversiteiten, concerten, opera's en tooneelver eenigingen. Deze ontvangen van Rijk en Gemeente vaak ruime subsidies. Doch de Kerk, die van het grootste belang voor de welvaart van het nationale leven is, wordt voorbijgegaan.
Dat moet uitloopen op een steeds ongunstiger positie var de Kerk, vooral in de groote steden, de brandpunten der samenleving. Doch tegelijkertijd komt de Overheid in een al scheever positie te staan, omdat zij steeds minder beantwoordt aan hare taak. „Daarom dwingt ook juist de jongste ontwikkeling van ons Staatswezen er des te meer toe om eindelijk met alle kracht het subsidie-vraagstuk voor de Kerken aan de orde te stellen. Het psychologische moment is nu gekomen", zoo dringt dr. Kr. in zijn brochure aan.
Wij hopen dat hij met zijn geschrift, dat ongetwijfeld bij velen in den lande weerklank vindt (denk aan de 200 Chr. Hist. Kiesvereenigingen, die de motie-Pols om „Staatssubsidie voor de gezindheden" steunden), resultaat mag bereiken."
Dr. Kromsigt is dus, volgens ds. Bakker, heelemaal in de lijn van art. 36 Ned. Gel. belijdenis en hij juicht het toe, dat dr. Kromsigt er oog voor heeft „dat van hooger hand den geestelijken gang van ons volksleven leiding moet worden gegeven." Leiding, die al gegeven wordt door Rijkssteun aan hooger en lager onderwijs, openbare leeszalen, volksuniversiteiten, concerten, opera's, tooneelvereénigingen — waarbij nu noodzakelijk Staatssubsidie aan de Kerk komen moet !
En dat zou dan „die oude leuze van dr. Hoedemaker" zijn. Dat zou dan wezen in de lijn van art. 36. Om Staatssubsidie te geven aan het eene èn aan het andere.
Om Staatssubsidie te geven aan alle kerkelijke gezindten : Joden, Roomschen, Hervormden, Remonstranten, Theosofen, Vrijmetselaars, Religieus-Socialisten, enz. enz.
Zóó zou dan de religie worden gesteund en zóó zou dan de Overheid als Gods die-naresse een voedstervrouwe van de Kerk zijn I
En zoo zou dan „het gevaar voor de Hervormde Kerk" zijn afgewend ?
We denken hier aan de recensie, die we lazen in de N. Rott. Cour. Een stukje knippen we er uit en laten het hier volgen : „Scheiding van Kerk en Staat — de titel van zijn vlugschrift legt er den nadruk reeds op — is een gevaar voor de Hervorm d e K e r k. Uit dit gezichtspunt en uit dit gezichtspunt alléén vermag dr. Kromsigt het probleem te aanschouwen. De Hervormde Kerk kan van belangstelling niet bestaan, gelijk de Roomsche, de Gereformeerde of de Doopsgezinde Kerk. Zij is de draagster der onverschillige massa. En als er geen Maecenas komt, die de entree voor de onverschillige massa betaalt, moet men de Hervormde Kerk als „volkskerk" sluiten. Wat er dan van haar wordt, zal zijn een stuk of vier „partij-kerken" en wellicht velschillende „standskerken." Het Staatszilver moet het bindmiddel zijn, dat de verschillende standen en richtingen mitsgaders de onverschillige massa bijeenhoudt.
Niet alleen dient de Staat het „rechtens verschuldigde", d.w.z. de geldswaarde van het tijdens de revolutie genaaste kerkegoed, uit te keeren, maar tevens is hij verplicht uit cultureele overwegingen evengoed voor den godsdienst als voor de kunst en sport te zorgen. De vraag nijpt : voor welken godsdienst? Er is immers naast de ware religie zooveel heidendom, dat zich ook als godsdienst aanbiedt en allerlei wind van leering waait als een giftige sirocco zelfs door de tochtgaten van het Hervormde bedehuis. Moet nu ook het Jodendom, ook Rome, ook het modernisme naast de Calvinistische belijdenis van deze Protestantsche natie van Staatswege worden gepropageerd?
Men dient van twee kwaden het beste te kiezen. En met het schrikbeeld voor oogen, dat de Hervormde Kerk-in partijkerken en standskerken zal worden opgelost en daardoor de massa „aan de verwildering zou zijn prijsgegeven", vergoelijkt dr. Kromsigt Rome en de Remonstrantie. „Dat alzoo ook b.v de Roomsche en de Remonstrantsche (moderne) kerk werden gesteund", zegt hij, „is geen bezwaar, daar men in Rome den algemeen Christelijken grondslag, voor zoover hij er nog over is, niet mag miskennen en evenmin in de Remonstranten den algemeen godsdienstigen en Christelijk-ethischen grondslag. Ook het versterken van dit algemeen godsdienstige besef in ons volksleven is van belang, werpt een dam op tegen zedelijke verwildering en kan een voorbereiding zijn voor positief-Christelijk geloof". Maar nu maar nu ! Hoe is die verwildering ontstaan, die door de Hervormde Kerk met Staatsgeld bestreden moet worden ? De Gereformeerden gingen er uit en lieten in de Hervormde Kerk de onverschillige massa over. „Dezen bleven dus", aldus dr. Kromsigt, „zoowel wat diaconale, als wat geestelijke verzorging betreft, voor rekening der Ned. Hervormde Kerk. Geen wonder dat, bij den voortdurenden aanwas der bevolking, deze reuzentaak haar weldra boven het hoofd groeide. En dat is nu, laat ons zeggen, reeds een 50-tal jaren zoo voort gegaan, terwijl intusschen ook door de opkomst en nawerking van het modernisme onberekenbaar groote, geestelijke schade is aangericht en duizenden onverschillig zijn geworden.
Het spreekt dus vanzelf, dat het Evangelisatieveld in onze Ned. Herv. Kerk onoverzienbaar is geworden."
Op de door ons gespatieerde woorden vestigen wij de bizondere aandacht. Hoe komt dr. Kromsigt tot deze ongerijmdheid, dat hij met Staatsgeld het modernisme wil bestendigen om er dan, ook weder met Staatsgeld, tegen te kunnen gaan Evangeliseeren ? Het „Remonstrantisme", gebouwd op „algemeen godsdienstigen" en „Christelijk-ethischen" grondslag „een dam tegen zedelijke verwildering", die door de „onberekenbaar groote geestelijke schade" van dat zelfde „modernisme" is ontstaan? De rede is hier zoek en we moeten volstaan met de psychologische oplossing, dat een kat in de benauwdheid rare sprongen doet. Geldgebrek kweekt wonderlijke motieven, inderdaad 1" (Wordt vervolgd).
Reglement op de Predikantstractementen. Hoe hebben wij er tegenover te staan ? . VI
Nu wij een en.ander van het Reglement op de Predikantstractementen gehoord hebben dunkt ons, dat we allereerst moeten vragen, of we zoo'n regeling zouden kunnen aanvaarden als we een Gereformeerdgeorganiseerd kerkelijk leven hadden.
En ja ! de dwang van boven zou dan wèg moeten ; maar dat door officieel kerkelijke regeling de gemeenten met elkaar in verbinding gebracht worden, om tegenover elkander financiëele verplichtingen aan te gaan, vinden we uitermate best en alleszins noodzaketijk.
Oók voor de pensioenregeling der predikanten, met de verzorging van de weduwen en weezen is dat noodzakelijk.
Maar b.v. ook wat het werk der Zending betreft, zou dat de weg zijn.
Bij een gezond kerkelijk leven moest in onze Herv. (Geref.) Kerk noodzakelijk het werk der Zending zóó geregeld worden : de eene gemeente met de andere een financieel accoord treffend, om saam te handelen naar het bevel van Christus, om Zijn Kerk uit te planten onder de niet-Christelijke volken. 't Is waar, in de nu aan de orde zijnde kwestie staat daar art. 13 Dordtsche Kerkorde ; waar een ander beginsel in verdedigd wordt. Maar dat beginsel, als leidend beginsel voor oogen, houdend, om de autonomie der plaatselijke gemeente te handhaven, gelooven we met een praktijk van 300 jaren achter ons, dat de Kerk verstandig doen zal - hier te kiezen voor een „nieuwen koers", opdat de predikanten en vooral de emeriti en de weduwen en de weezen niet het kind van de rekening worden — of blijven.
Of komt het met name in de Geref. Kerken niet voor, dat een predikantsweduwe ƒ 25.per jaar — zegge vijf en twintig gulden per jaar — van de Kerk, welke haar man gediend heeft, ontvangt ?
We zeggen dit niet, om iemand ook maar een verwijt te maken. Maar om aan te toonen dat hier een nieuwe, gemeenschappenenlijke regeling getroffen moet worden, en dat er meer aangestuurd moet worden op het aangaan van financiëele verplichtingen van de plaatselijke kerken onderling, dan op het „schoone ideaal" van art. 13 D.K.O., waarbij de praktijk van het kerkelijk leven dikwijls zoo weinig schoonklinkende resultaten heeft gegeven.
Ons komt het dan ook voor, dat we bij Geref. Kerkverband, gezien de practijk, tot een regeling moeten komen, die méér overeenkomt met het reglement op de predikants tractementen (behoudens de door ons telkens gemaakte en nog te maken opmerkingen van dwang, oplegging van boven af, enz.) dan met art. 13 D.K.O.
En ons dunkt, dat dit een van de meest principiëele dingen is, die bij deze kwestie ter sprake kunhen en moeten komen.
Stonden we er anders tegenover, dan zou den we o n v o o r w a ar d e 1 ij k ons moeten gaan verzetten tegen dat reglement. Nu evenwel is dat niet noodig.
Wat we niet loslaten, tenzij we van dwaing in deze overtuigd worden.
Nu zitten we in onze Kerk, bij alles wat zich in de Herv. Kerk voordoet en dus óók met deze financiëele regeling inzake de tractementen, vergoeding dienstjaren, kindergel den, emeritaatspensioen en verzorging van weduwen en weezen — met het r i c h t i n g s v e r s c h i 1.
En bizonderlijk heeft men het dan — het is te begrijpen — over de modernen.
Worden die door dit reglement niet gesanctioneerd en worden die door deze regeling niet bevoordeeld, enz. ?
Wij weten wel, dat er vrijzinnigen zijn in onze Herv. Kerk. Maar die worden in hun geestelijke rechten officieel erkend, omdat ze altijd in woorden beloven en voorgeven overeen te stemmen met den geest en met de hoofdzaak van onze Kerkelijke belijdenis."
Zóó worden ze toegelaten tot den kansel. Zoo worden ze gedoopt en aangenomen en ingeschreven. Zoo ontvangen we attestaties en zoo geven we attestaties.
Is dat zoo, of is dat niet zoo ? Laat men het maar zeggen !
Ze worden altijd eri overal behandeld als Hervormden, die in geest en hoofdzaak over eenstemmen met onze kerkelijke belijdenis, zooals zij .zich zelf altijd aandienen. Onze Herv. Kerk kent geen richtingen als vrijzinnig, ethisch, confessioneel, gereformeerd, enz. enz.
Onze Herv. Kerk kent alleen maar predikanten, kerkeraadsleden, gemeenteleden, die zeggen, beloven, onderschrijven dat ze overeenstemmen met den geest en met de hoofdzaak van onze kerkelijke belijdenisschriften. Dat ze als wezen en aard der Herv. Kerk erkennen en beamen, wat vertolkt wordt in haar formulieren van eenigheid. Onze Herv. Kerk kent dus alleen maar orthodox-Hervormden, dat zijn dus Hervormden, die instemmen met de belijdenis der Kerk.
Hierin wordt doorloopend bedrog gepleegd door de vrijzinnigen.
Maar onze Herv. Kerk is een belijdende Kerk (geen belijdenis-Kerk, maar b e l ijd e n d e Kerk en hoewel de vrijzinnigen er niets van meenen, erkennen zij voortdurend, dat de Hervormde, belijdende Kerk, haar belijdenis had en heeft gehouden in de drie formulieren van eenigheid, waarvan zij verklaren den geest en de hoofdzaak van harte te erkennen en te aanvaarden !
Wij laten dat niet los, dat onze Herv. Kerk een belijdende Kerk is en dat zij haar confessie heeft uitgesproken in de Neden. geloofsbelijdenis in 37 artikelen, in den Heidelb. Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen en in de vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten.
En waar we gelooven, dat de vrijzinnigen met hun Christus-beschouwing vierkant in strijd zijn met deze confessie en de fundamenten van die aloude christelijke belijdenis ondergraven, in weerwil van het feit, dat ze andere dingen hebben beloofd en onderschreven daar verlangen we naar een andere wijze van Kerkregeering, waardoor deze dingen eindelijk eens naar den aard en naar het wezen van de Kerk kunnen besproken en behandeld en beslist worden.
Tot zoolang is de Herv. Kerk gedoemd tot een kwijnend bestaan ; tot een onwaarachtig „ja en neen" zeggen tegelijk in de practijk — alzoo haar goeden naam wegwerpend en haar eigen krachten wis en zeker verterend.
Dat men dat toch zien mocht! En dat men toch eenstemmig zich mocht verklaren, dat de mogelijkheid geschapen moet worden, om de Kerk op waardige wijze de geestelijke dingen geestelijk en principieel te laten behandelen.
Want komt dat niet, dan gaat-onze Herv. Kerk verloren, terwijl intusschen anderen haar plaats innemen.
Formeel erkent de Herv. Kerk niet anders dan degenen, die instemming betuigen wat geest en hoofdzaak betreft met de kerkelijke belijdenisschriften ; dat zijn dus orthodox-Hervormden.
En de Kerkeraden en de Kerkvoogdijen hebben zich daaraan te houden.
-De dominé van de meest „vrijzinnige" gemeente in Noord Holland, Drenthe of Groningen is dominé geworden in de Herv. Kerk verklarende orthodox-Hervormd te zijn ; d.w.z. vain harte in te stemmen met geest en hoofdzaak van de geref. belijdenisschriften en het evangelie van Jezus Christus dien overeenkomstig te zullen prediken.
Dat hij het intussohen niet doet en dat we zoo'n ongelukkige kerkelijke „bestuursinrichting" hebben, dat men alles maar „blauw-blauw" laat, valt niet tegen te spreken en zal de ondergang van onze Herv. Kerk worden, gelijk het haar nu reeds tot schande strekt en haar tot een aanfluiting maakt.
Maar officieel wordt telkens heel plechtig vastgesteld, dat er geen andere menschen in de Herv. Kerk zijn, dan die instemmen met onze belijdenis.
En officieel wordt telkens heel plechtig verklaard, dat afwijking van die belijdenis niet oorbaar is.
De „Besturen" moeten het zelfs tot een van de voornaamste plichten rekenen, op die belijdenis nauwkeurig toe te zien bij allen en overal, dat zij niet stout geschonden wordt, dat het wezen en den aard der Herv. Kerk geen geweld wordt aangedaan en den geest en de hoofdzaak der confessie niet wordt over boord geworpen.
Zóó wordt tot den kansel toegelaten. Ook in orthodoxe gemeenten in vacature-tijd.
Zoo worden attestaties ontvangen en afgegeven. Omdat men in onze Herv. Kerk beloofd heeft en telkens belooft in te stemmen met de confessie en het evangelie van Jezus Christus te brengen naar den aard en naar het wezen van de Kerk, welke men dient en waarin men woont; de Kerk, met haar welomschreven en goed gefundeerde belijdenisschriften : de Nederl. Geloofsbelijdenis, de Heidelb. Catechismus en de vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten. Zóó hooren we bij elkaar.
Totdat er — zij 't spoedig — een waardige, deugdelijke wijze van Kerkregeering kome, en er dan op behoorlijke wijze over deze dingen toch eerst gehandeld kan worden ; en er wettige, geldige, eerlijke wegen en middelen kunnen worden gezocht, om toch niet te vereenigen wat gescheiden is ; opdat ook niet gescheiden behoeft te leven. wat God heeft vereenigd door den band des geloofs.
Nu hadden de Vrijzinnigen bij de vaststelling van dit nieuwe Reglement op de pitdikantstractementen zoo graag gewild dat de Synode een weg had geopend waarin zij als vrijzinnigen zouden worden erkend en gesanctioneerd.
Ze hebben de Synode willen brengen tot een uitspraak : „er zijn in de Herv. Kerk vrijzinnigen en daar moeten we afzonderlijk voor zorgen".
Maar dat heeft de Synode niet gedaan. Dat pogen van de Vrijzinnigen is op niets uitgeloopen.
Zij zijn niet erkend als vrijzinnigen. De Deventer-motie kreeg nul op 't request.
De vrijzinnigen hebben dat wel gevoeld, dat hun pogen mislukt is. Ze zijn niet als vrijzinnigen erkend. Ze mogen alleen maar in de Herv. Kerk zijn en blijven, als ze verklaren en beloven in te stemmen met den geest en met de hoofdzaak van de kerkelijke belijdenisschriften ; als ze beloven en onderschrijven met hun hand, dat ze in de evangelieprediking en sacramentsbediening enz zich zullen voegen naar de beginselen van de belijdenis en in deze den aard en het wezen der Herv. Kerk geen geweld zullen aandoen.
Dat is pijnlijk voor de vrijzinnigen.
Want ja, als ze ergens de meerderheid hebben, dan kunnen ze betrekkelijk alles doen wat ze willen Maar als ze zich in 't mid den van-'t kerkelijk leven bewegen, worden als „vrijzinnigen" buiten rechten gezet. ze Natuurlijk ! Ze heb ben ook geen rechten als „vrijzinnigen." Noch kerkeraden, noch kerkvoogdijen, noch Classicale Besturen, noch Prov. Kerkbesturen, noch Synode mogen spreken van „rechten der vrijzinnigen." In de Hervormde Kerk zijn alleen maar rechten voor Hervormden, die accoord gaan met de belijdenis. En die b.v. de verzoenende kracht van het bloed van Christus loochenen, hooren in onze Herv. Kerk niet thuis. En als ze er onder valsche handteekening tóch binnen komen, moeten ze maar voelen en ervaren, dat voor zulke menschen geen rechten zijn in de Herv. Kerk. Zoo staan we ook bij de uitvoering van het Reglement op de predikantstractementen.
Er zijn Hervormde Gemeenten, met Hervormde lidmaten. Hervormde predikanten, en nu gaan de Hervormde gemeenten een accoord aan, inzake de predikantstractementen, althans wat de vergoeding voor dienstjaren, de betaling van kindergelden, en straks ook de pensioneering van emeriti en de verzorging van weduwen en weezen betreft.
Het eigenlijk tractement moet de gemeente zelf betalen.
Tractement en vrije woning komt voor rekening van elke plaatselijke gemeente. En wel een minimum van ƒ 2500.— plus pastorie ; ƒ 3000.— plus pastorie of ƒ 3500.plus pastorie (of vergoeding van huishuur, b.v. ƒ 1000.—).
Welk minimum natuurlijk mag verhoogd worden door elke plaatselijke gemeente; zoodat op een dorp een predikant best ƒ 3000.— óf ƒ 4000.— plus pastorie mag worden aangeboden.
Dat is dus voor rekening van elke gemeente, groot en klein ; waarvoor iedere gemeente maatregelen treffen moet natuurlijk ; daar degenen die het altaar bedienen ook van het altaar behooren te eten.
Waarbij dan een gemeenschappelijke regeling getroffen is voor verhoogingen naar dienstjaren en vergoeding voor kinderen.
Of de modernen dus door dit Reglement zijn erkend of gesanctioneerd ? Absoluut niet 1
Wie dat zegt, begrijpt absoluut niet wat hij zegt. Of er dan geen modernen zijn in onze Herv. Kerk?
Helaas ! ja — maar dat komt niet door dit Reglement. En die dat oplossen wil, dat onze Herv. Kerk weer recht komt te staan tegenover haar belijdenis, die moet geen verzet prediken tegen dit Reglement op de predikantstractementen. Maar die moet het kerkelijk vraagstuk in z'n geheel onder de oogen zien en er naar staan, om daarin te mogen doen, wat naar onze Gereformeerde beginselen, gezien de algeheele verwording, mogelijk en noodzakelijk is.
Geen wild ingrijpen opeens bij de invoering van een Reglement, waarbij ons Gereformeerd kerkrechterlijk beginsel volstrekt geen geweld wordt aangedaan.
Maar het kerkelijk probleem als zoodanig, moet onder de oogen worden gezien.
Of er dan geen endere bezwaren bij de invoering van dit Reglement zich zullen voordoen ? En of de modernen er niet van profiteeren zullen als ihet doorgevoerd wordt ?
Hierover een volgende maal.
(Wordt vervolgd).
De Vrijzinnigen in touw.
De Vrijzinnig Hervormden hebben overal hun provinciale vergaderingen gehouden en komen straks op Donderdag 19 Mei 1921 in jaarvergadering te Delft bijeen. Het is onze bedoeling niet om van die gehouden provinciale vergaderingen veel te zeggen, noch op de agenda van de jaarvergadering in te gaan. Slechts een paar opmerkingen. In den Bosch is de vraag besproken of de Synode van 45 leden inderdaad voor de vrijzinnigen zooveel minder aannemelijk is dan de huidige. Voorts is opdracht gegeven het hoofdbestuur te verzoeken zich tot de regering te richten inzake de kwestie van art '171 van de Grondwet, opdat zulk een uitvoering aan dat artikel zal worden gegeven, dat bij de uitbetaling van de Rijks-tractementen aan de predikanten rekening wordt gehouden met de groote waardeverinindering van het geld.
Xe Leeuwarden is door dr. Niemeyer gebroken over het betreurenswaardige als de Synode van 45 leden wordt gekozen uitsluitend door predikanten en ouderlingen (classicale vergaderingen) en op het onbillijke, Dat door de eigenaardige verdeeling der classes zulk een onevenredigheid van invloed bestaat.
Verder klaagde hij, dat in het Reglement op de predikantstractementen niet met de rechten der minderheid is gerekend. Ook reest hij, dat de regeling, door den Raad van Beheer te treffen, een groote mislukking zal worden, tot groote schade der Nederl. Herv. Kerk en opnieuw tot een uittocht van vele vrijzinnigen zal leiden. Hij hoopt, dat bij de ongunstige uiterlijke omstandigheden die vrijzinnigen blijk zullen geven van innerIjke kracht, opdat de Vrijz. Hervormden hun hoogst belangrijke taak naar behooren zullen volbrengen.
De vergadering sprak vervolgens als haar oordeel uit, dat het voorstel van het hoofdbestuur der algemeene vereeniging, om bij de Synode wederom in te dienen het ontwerp-reglement voor het vormen van filiaalgemeenten, allen steun verdient. Alleen op deze wijze kunnen de rechten der minderheden worden gewaarborgd.
Te Groningen heeft men óók vergaderd. De voorzitter, ds. Seulijn, van Mensingeweer wees in zijn openingsrede op een klein lichtpunt in. de beweging.
Te Appingedam hebben de vrijzinnigen een kleine overwinning behaald. Daar is het recht van benoemen van predikanten en ouderlingen toegekend aan het kiescollege. Tegenover dit lichtpunt staat, dat de classis Groningen zorg baart; zoo langzamerhand zwenkt zij naar rechts over. Eerst ging Opende naar rechts en daarna ook Grootegast. *
De secretaris, ds. F. Tammens, te Zuidbroek, stelde in zijn jaarverslag eenerzijds vooruitgang vast, maar aan den anderen kant betreurde hij het bedanken van de gemeenten Sappemeer en Wedde, en dat de gemeenten Oterdum en Tinallinge naar de orthodoxie zijn overgegaan. Spreker klaagde, dat er zoo weinig aan propaganda wordt gedaan.
Tegenover deze klaagtonen zorgden de dames de Bree en Beversluis, dat de vergadering werd opgeluisterd door gezang. Waarna prof. Lindeboom sprak over : „De beteekenis van de Ned. Herv. Kerk als het bolwerk tegenover Rome."
Naast deze vergaderingen van Vrijz. Hervormden trekt de aandacht de Federatie van vrij-religieuse groepen en organisaties, die dezer dagen in het gebouw van de Theosofische Vereeniging vergaderde onder leiding van ds. H. van Wijngaarden, voorganger bij de Vrije Gemeente te Amsterdam.
In die vergadering van vrij-religieusen, die dus godsdienstig willen zijn in vrijheid, zonder dogma, noch ook gebonden door de Schrift of eenige belijdenis — in die vergadering voerde eerst het woord ds. Van Wijngaarden, die de bedoeling van D e Vrije gemeente uiteenzette. „Men brak met veel wat in de kerken verouderd was, maar behield godsdienstprediking en godsdienstonderwijs."
Vervolgens sprak een lid van het hoofdbestuur van den V r ij z. C h r. S t u d e n-tenbond. Deze zei o.a. : „dat, hoewel het „Christelijk" voor vele leden een dood woord geworden is, het hen niet van de taak ontslaat het weer te trachten levend te maken."
Daarna voerde het woord de heer O. Top zn., die de V r ij m e t s e 1 a r ij verheerlijkte. Haar „methode" „wordt gevormd door de oeroude, rijke en diepzinnige symboliek, tiie den mensch onmiddellijk in de ziel grijpt sn die haar hoogtepunt vindt in het symbool van den „Opperbouwmeester des Heelals." De groep, die tot deze Federatie toetrad, is van meening, dat zij in onzen veelbewogen tijd moet staan aan de zijde van hen, die de cultuur, de vrije religie, willen hoog houden."
Namens den Nederl. Protestane n-B o n d wees de heer W. P. Kops o.a. op i.het groote belang der vrijzinnige prediking in orthodoxe streken. „De Amsterdamsche afdeeling heeft vooral uitstekend werk geleverd in de stichting van de bloeiende Jeugdkerk.
Voor de Orde van de Ster in het oosten sprak de secr., mr. L. Bayer. De leden dier Orde „gelooven in de spoedige komst van een groot geestelijk Leeraar tot hulp van de wereld."
In ons land zijn twaafhonderd leden, in vijf en twintig plaatselijke groepen.
Tot slot gaf de voorzitter „een korte synthese" van al die variaties der religie, de synthese was : de verklaring, dat dezen overduidelijk gebleken was de diepere eenheid van deze verschillende groepen, n.l. in het opbouwende van het streven."
Keeren we nu nog even naar het terrein van onze Ned. Herv. Kerk terug, dan valt nog te vermelden, dat in de rechtzinnige gemeente Oostwold (Oldambt), volgens de N. Rott. Cour. de vrijzinnige kerkvoogden hebben bedankt, terwijl het college van notabelen rechtzinnig is.
Ook zijn de vrijzinnigen in Middelburg de laatste jaren niet erg fortuinlijk en bij de laatste verkiezing voor gemachtigden konden ze maar 360 stemmen behalen, terwijl confessioneelen en ethisohen, die saam werken tot op zekere hoogte, van 403 tot 406 stemmen kwamen. De N. Rott. Cour. teekent er bij aan, met het oog op de herstemming, die moet gehouden worden : „Het gaat hier om behoud van de 1 a a t s t e vrijzinnige leden in het kiescollege."
Wij hopen, dat die laatsten spoedig verdwijnen mogen en dat ze nooit weer terug komen.
Tenslotte zij nog vermeld, dat de moderne afgevaardigde naar de Synode voor Noord-Holland vervangen wordt door een orthodox lid. Ds. van Paassen te Haarlem toch treedt op in de plaats van ds. Eilerts de Haan, van Heilo.
De Raad van Beheer.
„De Raad van Beheer heeft dezer dagen" •—zoo meldt de N. Rott. Cour. — „een langdurige conferentie gehad met het voltallige Hoofdbestuur van den Bond van Nederlandsche Predikanten. Laatstgenoemde corporatie had daartoe de gelegenheid verzocht en gekregen.
In een ernstig betoog vertolkte de voorzitter van den Bond, dr. De Vrijer, de bezorgdheid van een groot deel der buitenwereld of de Raad van Beheer wel voet bij stuk zou houden bij de uitvoering van het reglement. Hij drong aan op georganiseerd overleg, niet in dien volksmennerigen zin, dien men aan aan dat woord gewoonlijk hecht, maar in dien diepen zelfverloochenenden zin, zooals behoort tusschen menschen, die niet naar eigen eer of macht jagen, maar het belang der Kerk boven alles stellen. De voorzitter van den Raad van Beheer gaf daarop de meest positieve verklaring, dat het reglement met vaste hand zou worden uitgevoerd. Hoe kon dat ook anders ? De taak van den Raad van Beheer is de wet uitvoeren. Naar aanleding van het woord „overleg" ontstond een gedachtenwisseling tusschen sommige leden van den Raad van Beheer en speciaal den secretaris van der Bond, den heer Boer. De heer Bloemers was van oordeel, dat de heer Boer de Kerk niet diende met den toon van zijn geschrijf. Hij (Bloemers) stelde kritiek zeer op prijs, mits deze waardig en zakelijk was. De heer Boer moet zijn teleurstelling er over uiten, dat de Raad van Beheer, als zich eens een geval voordeed, waarin kritiek noodig en nuttig kon zijn, den Bond voor een uitgemaakte zaak plaatste. Zoo had zich onlangs het belangrijke feit voorgedaan, dat de Synode voorstellen tot wetswijziging, die de Raad van Beheer bij haar had ingediend, niet eens heeft afgedaan, terwijl niemand van de buitenwacht wist, wat er eigenlijk te koop was. Volgens den heer Boer hadden die voorstellen van te voren gepubliceerd moeten worden, opdat de predikantenwereld er haar meening over had kunnen uitspreken. De voorzitter van den Raad van Beheer zette daarop uiteen, dat deze zaak zoo spoedig is verloopen, dat voor een behoorlijke bespreking in de pers van te voren toch geen tijd zou zijn geweest. Overigens zou de Raad van Beheer, nu de Synode zijn voorsteUen niet in behandeling heeft willen nemen, te zijner tijd wel voldoende bekend maken, dat hij er geen verantwoordelijkheid voot draagt, wanneer tal van gemeenten in 1922 gedwongen zouden worden vacant te blijven De heeren van Empel (Middelburg) en Petri (Eck en Wiel) waren van oordeel, dat er geen voldoende voorlichtingsdienst bestond voor de Classicale en andere besturen, hoe zij te handelen hadden inzake verschillende précaire moeilijkheden in 'het reglement, terwijl de heer Klein Wassink (Leeuwarden) er vooral op aandrong, dat de Raad van Beheer zoo spoedig mogelijk met de bedragen van den aanslag voor den dag moest komen. Ter zuivering van de lucht werden daarna nog eenige kleinere geschilpunten uitgekibbeld, waarna de voorzitter van den Raad van Beheer de conferentie sloot met» een opwekkend woord van waardeering voor elkanders goede bedoelingen."
Wij geven dit bericht, omdat we in den gang van zaken belang stellen. Het moet ons evenwel van het hart, dat wij het geenszins kunnen goedkeuren, dat de Bond van Predikanten op deze wijze in zijn Bestuur wordt ingeschoven in het kerkelijk systeem en alzoo wordt geïncorporeerd in het geheel van onze kerkelijke wetgeving, enz., terwijl daar zijn plaats toch geenszins is.
De Bond wor, dt zoo een controleerend adviseerend, besturend lichaam, waarvoor alles wel zoo langzamerhand op zij kan gaan.
Dat 't zoo de verkeerde richting uitgaat voelt men, bij eenig nadenken, aanstonds.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1921
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's